Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBROT:2026:5572

Studiekostenregeling, einde arbeidsovereenkomst van rechtswege, bonus.

Rechtbank Rotterdam 1 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBROT:2026:5572 text/xml public 2026-06-01T14:38:32 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-08 11915516 CV EXPL 25-21354 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5572 text/html public 2026-06-01T14:36:26 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5572 Rechtbank Rotterdam , 08-05-2026 / 11915516 CV EXPL 25-21354
Studiekostenregeling, einde arbeidsovereenkomst van rechtswege, bonus.
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam

zaaknummer: 11915516 CV EXPL 25-21354

datum uitspraak: 8 mei 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

Bilfinger Shared Services B.V.,

vestigingsplaats: Brielle,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. M.C.V. Dornstedt,

tegen

[persoon A] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

die zelf procedeert.

De partijen worden hierna ‘Bilfinger’ en ‘ [persoon A] ’ genoemd.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

de dagvaarding van 24 september 2026, met bijlagen;

het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;

de spreekaantekeningen van Bilfinger.
1.2.
Op 9 april 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was namens Bilfinger mevrouw mr. C.W.J. Abrahamse (Senior Legal Counsel) aanwezig, bijgestaan door mr. M.C.V. Dornstedt. Ook [persoon A] was aanwezig, vergezeld door mevrouw [persoon B] , mevrouw [persoon C] en mevrouw [persoon D] .
<nr>2</nr>De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[persoon A] is op 1 juni 2024 in dienst getreden bij Bilfinger als [naam functie] op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. Partijen hebben afgesproken dat Bilfinger de studieschuld van in totaal € 26.470,-, die [persoon A] bij haar vorige werkgever had, zou overnemen en aan [persoon A] zou vergoeden. Op 16 maart 2025 heeft Bilfinger schriftelijk aangezegd dat de arbeidsovereenkomst van [persoon A] niet wordt verlengd en dat haar dienstverband daarom op 1 juni 2025 van rechtswege eindigt. Volgens Bilfinger moet [persoon A] op grond van de afgesproken studiekostenregeling een deel van de studiekosten terugbetalen. Dat heeft [persoon A] niet gedaan. In deze procedure eist Bilfinger dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [persoon A] wanprestatie heeft gepleegd (toerekenbaar tekort is geschoten) en dat zij veroordeeld wordt haar verplichtingen uit de studiekostenregeling na te komen. Verder eist Bilfinger dat [persoon A] wordt veroordeeld

€ 11.874,99 (50% van de studieschuld, verminderd met de transitievergoeding), een boete van de leasemaatschappij van € 138,97 en de advocaatkosten van Bilfinger van € 6.400,- te betalen.
2.2.
[persoon A] is het niet eens met de eisen van Bilfinger. Zij voert aan dat zij de studiekosten niet aan Bilfinger hoeft terug te betalen, omdat in de studiekostenregeling met Bilfinger is opgenomen dat de terugbetalingsverplichting vervalt als het dienstverband eindigt op initiatief van de werkgever. Volgens [persoon A] is daarvan in dit geval sprake. [persoon A] betwist daarnaast dat het dienstverband is beëindigd vanwege onvoldoende functioneren. Ook voert zij aan dat door Bilfinger niet expliciet is gewezen op de risico’s en potentiële nadelige gevolgen van het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in combinatie met een studiekostenregeling.
2.3.
[persoon A] stelt dat het onrechtmatig is dat Bilfinger de transitievergoeding heeft ingehouden en eist dat Bilfinger die vergoeding van € 1.360,01, met rente en wettelijke verhoging, aan haar betaalt en een gecorrigeerde eindafrekening verstrekt. Ook eist zij dat Bilfinger wordt veroordeeld de op grond van de arbeidsovereenkomst verschuldigde bonus van € 2.143,75 en een bedrag van € 224,46 aan juridische kosten aan [persoon A] te betalen. Daarnaast wil [persoon A] dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Bilfinger zich schuldig gemaakt heeft aan smaad, met veroordeling van Bilfinger tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 10.000,-, en dat Bilfinger wordt veroordeeld tot rectificatie van onjuiste uitlatingen binnen de organisatie. Tenslotte eist [persoon A] ook dat voor recht wordt verklaard dat Bilfinger in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht en met de eisen van goed werkgeverschap wegens het weigeren van een verzoek tot het opnemen van ouderschapsverlof door [persoon A] , met veroordeling van Bilfinger tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 5.000,-.

De samenvatting van de beslissing van de kantonrechter
2.4.
[persoon A] moet alleen de boete van de leasemaatschappij aan Bilfinger betalen. Daarnaast moet Bilfinger een transitievergoeding van € 1.360,01 netto, met rente, aan [persoon A] betalen en een bonus van € 2.143,75 bruto. Alle andere eisen van Bilfinger en [persoon A] worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot deze beslissing is gekomen.

[persoon A] hoeft de studiekosten niet aan Bilfinger terug te betalen
2.5.
Éen van de belangrijkste punten waarover Bilfinger en [persoon A] van mening verschillen is de vraag of [persoon A] de studiekosten (voor een deel) aan Bilfinger moet terugbetalen. Over de terugbetaling is – voor zover van belang – het volgende in de schriftelijke studiekostenregeling opgenomen:

“(…) Hierbij tref je de bevestiging aan van de afspraak dat Bilfinger Shared Services B.V.

bereidt is de studieschuld van € 26.470,- die je hebt gemaakt bij je vorige werkgever aan je te vergoeden, conform het bedrijfsreglement. (…)

Terugbetalingsregeling

Indien het dienstverband met werknemer eindigt binnen 3 jaar na de indienstdatum, zal

werknemer naar rato de studiekosten aan werkgever terugbetalen. Deze terugbetalingsverplichting wordt als volgt berekend:

100 % van de opleidingskosten in geval van vertrek van werknemer binnen 12 maanden na afronding van de opleiding;

50 % van de opleidingskosten in geval van vertrek van werknemer tussen de periode van 12 maanden en 24 maanden na afronding van de opleiding;

30 % van de opleidingskosten in geval van vertrek van werknemer tussen de periode van 24 maanden en 36 maanden na afronding van de opleiding:

De terugbetalingsverplichtingsregeling vervalt indien:

de dienstbetrekking op initiatief van werkgever wordt beëindigd. Indien de dienstbetrekking wordt beëindigd door de werkgever vanwege onvoldoende functioneren of wanprestatie van de werknemer is de terugbetalingsverplichtingsregeling wel van toepassing;

bij overlijden van werknemer.(…)”
2.6.
Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat het hier niet gaat om een gebruikelijk studiekostenbeding. Bij een gebruikelijk studiekostenbeding gaat het om de situatie dat studiekosten zijn gemaakt voor een opleiding die de werknemer volgt tijdens dienstverband met de betreffende werkgever en waarin die werkgever vervolgens bij het einde van de arbeidsovereenkomst aanspraak maakt op terugbetaling. In dat geval moet het studiekostenbeding getoetst worden aan bepaalde eisen. In deze zaak gaat het echter om een ander soort studiekostenregeling; Bilfinger en [persoon A] hebben namelijk afspraken gemaakt over studiekosten die gemaakt zijn vóórdat [persoon A] bij Bilfinger in dienst is gekomen, dus bij haar vorige werkgever. De eisen die aan een gebruikelijk studiekostenbeding gesteld worden, zijn dus niet zonder meer van toepassing.
2.7.
Voor de beoordeling van de eis van Bilfinger tot terugbetaling van de studiekosten moet worden gekeken naar wat partijen nu precies hebben afgesproken. Bilfinger en [persoon A] verschillen in dat verband vooral van mening over de vraag of de verplichting tot terugbetaling van de studiekosten in dit geval is komen te vervallen. Die verplichting vervalt onder meer in de situatie waarin de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever wordt beëindigd.
2.8.
Het staat vast dat [persoon A] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had en dat Bilfinger [persoon A] er op 16 maart 2025 over heeft geïnformeerd dat de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet (artikel 7:668 BW), waarna deze op 1 juni 2025 van rechtswege is geëindigd (artikel 7:667 BW). Volgens Bilfinger kan de mededeling dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd niet worden gelijkgesteld aan een ‘beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever’. Bilfinger stelt dan ook dat met de hiervoor bij 2.5 weergegeven bepaling is bedoeld dat ook bij een einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege de studiekosten (voor een deel) door [persoon A] moeten worden terugbetaald. [persoon A] betwist dat dat de bedoeling was.
2.9.
Partijen verschillen dus vooral van mening over de vraag hoe de hiervoor genoemde bepaling over het vervallen van de terugbetalingsverplichting moet worden uitgelegd. Uit de letterlijke tekst van de bepaling blijkt niet direct wat er exact wordt bedoeld met ‘beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever’. In de bepaling wordt immers verder niet uitgelegd wat daaronder moet worden verstaan. Het komt volgens de kantonrechter dan ook met name aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
2.10.
Uit de toelichting die partijen tijdens de zitting hebben gegeven, leidt de kantonrechter af dat zij voor aanvang van de arbeidsovereenkomst met elkaar hebben gesproken. Daarbij heeft [persoon A] aan Bilfinger medegedeeld dat zij een studieschuld had bij haar vorige werkgever en heeft Bilfinger zich vervolgens bereid verklaard die studieschuld over te nemen. Bilfinger heeft daarna de afspraken over het overnemen van de studieschuld schriftelijk vastgelegd, waarna [persoon A] de schriftelijke regeling voor akkoord heeft ondertekend. Niet gesteld of gebleken is dat Bilfinger voorafgaand aan het ondertekenen van de studiekostenregeling aan [persoon A] heeft uitgelegd dat, ook als haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege zou eindigen, zij de studiekosten zou moeten terugbetalen.
2.11.
Bilfinger stelt zich op het standpunt dat onder een ‘beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever niet mede kan worden verstaan een beëindiging van rechtswege. Volgens haar wist [persoon A] , gelet op haar opleidingsniveau, heel goed dat dat zo was. Ook als het zo zou zijn dat de uitleg die Bilfinger geeft aan de betreffende zinsnede in het juridisch taalgebruik het meest gangbaar is, dan zou dat nog niet betekenen dat van [persoon A] , die geen jurist is, in redelijkheid zonder meer verwacht mocht worden dat zij de studiekostenregeling op dezelfde manier zou uitleggen. [persoon A] heeft ook aangevoerd dat, als zij wél zou hebben begrepen dat dit was wat Bilfinger met de betreffende bepaling bedoelde, zij de studiekostenregeling niet zou zijn aangegaan en mogelijk zelfs niet bij Bilfinger in dienst zou zijn getreden.
2.12.
[persoon A] had er wellicht verstandig aan gedaan om voor het ondertekenen van het betreffende beding juridisch advies in te winnen. Dat heeft zij niet gedaan. Naar het oordeel van de kantonrechter weegt in dit geval echter zwaarder dat de studiekostenregeling is opgesteld door Bilfinger en het op haar weg had gelegen [persoon A] duidelijk uit te leggen dat met het beding beoogd werd dat ook bij een einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege de studiekosten zouden moeten worden terugbetaald. Dit geldt temeer omdat deze beoogde strekking niet duidelijk en expliciet uit de tekst van de studiekostenregeling bleek. Bilfinger heeft dat niet gedaan. Onder die omstandigheden mocht [persoon A] redelijkerwijze veronderstellen dat de studiekosten niet geheel of gedeeltelijk zouden worden teruggevorderd als Bilfinger zou besluiten om de arbeidsovereenkomst niet voort te zetten.
2.13.
Omdat niet gebleken is dat Bilfinger duidelijk aan [persoon A] heeft uitgelegd wat zij met de studiekostenregeling beoogde en ook niet gebleken is dat zij [persoon A] duidelijk heeft gewezen op de risico’s die daaraan volgens Bilfinger verbonden waren, kan Bilfinger aan die studiekostenregeling niet het recht ontlenen de studiekosten terug te vorderen bij het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst van [persoon A] . Alleen om die reden al kan de eis van Bilfinger om [persoon A] te veroordelen (een deel van) de studiekosten terug te betalen niet worden toegewezen. In het midden kan daarom blijven of het dienstverband met [persoon A] niet is voortgezet vanwege onvoldoende functioneren van [persoon A] , zoals Bilfinger stelt.
2.14.
Omdat [persoon A] geen studiekosten terug hoeft te betalen, bestaat er ook geen aanleiding om [persoon A] te veroordelen om de studiekostenregeling na te komen. Ook de gevorderde verklaring voor recht dat [persoon A] jegens Bilfinger wanprestatie heeft gepleegd (toerekenbaar tekort is geschoten) wordt afgewezen. Bilfinger heeft die vordering niet onderbouwd. Voor zover Bilfinger heeft bedoeld dat [persoon A] tekort is geschoten in de nakoming van de studiekostenregeling, kan dit op grond van het bovenstaande al geen stand houden.

Bilfinger moet de transitievergoeding, met rente, aan [persoon A] betalen
2.15.
[persoon A] heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan (artikel 7:673 lid 1 BW). Bilfinger heeft ook niet betwist dat zij een transitievergoeding aan [persoon A] verschuldigd was, maar zij heeft die vergoeding verrekend met het bedrag aan studiekosten dat bij [persoon A] in rekening is gebracht. Omdat [persoon A] de studiekosten niet aan Bilfinger hoeft terug te betalen, had Bilfinger de transitievergoeding echter niet mogen verrekenen. Daarom moet Bilfinger de transitievergoeding alsnog aan [persoon A] betalen. Partijen zijn het er over eens dat [persoon A] recht heeft op een transitievergoeding van € 1.360,01 netto. Bilfinger wordt dan ook veroordeeld dat bedrag aan [persoon A] te betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a BW).
2.16.
[persoon A] eist ook betaling van de wettelijke verhoging over de transitievergoeding.

Die eis wordt afgewezen. De wettelijke verhoging is namelijk alleen verschuldigd over het loon (artikel 7:625 BW). De transitievergoeding is een vergoeding die bedoeld is als compensatie voor ontslag en om de overgang naar ander betaald werk te vergemakkelijken. Dit is dus geen ‘in geld vastgesteld loon’ in de zin van artikel 7:625 BW.

Bilfinger hoeft geen gecorrigeerde eindafrekening aan [persoon A] verstrekken
2.17.
Ondanks dat Bilfinger ten onrechte de transitievergoeding heeft verrekend met de studiekosten, hoeft zij geen gecorrigeerde eindafrekening aan [persoon A] te verstrekken. In de overgelegde eindafrekening, die Bilfinger door middel van haar brief van 23 juni 2025 aan [persoon A] heeft toegestuurd, is de onterechte verrekening namelijk niet opgenomen. Daarin is alleen de verschuldigde transitievergoeding van € 1.360,01 netto opgenomen. Het is daarom niet nodig om die eindafrekening te corrigeren.

Bilfinger moet een bonus van € 2.143,75 bruto aan [persoon A] betalen
2.18.
[persoon A] eist dat Bilfinger wordt veroordeeld een bonus over het jaar 2024 aan haar te betalen, berekend over de periode waarin zij in dat jaar bij Bilfinger in dienst was. Over de bonus is in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…) 4. (…) De werknemer krijgt ten hoogste een halve bruto maandsalaris exclusief vakantietoeslag indien de individuele targets zijn behaald. De individuele targets worden jaarlijks met de werknemer overeengekomen. Indien de werknemer gedurende het desbetreffende jaar in dienst is getreden, wordt de bonus pro rato uitbetaald gelijk aan het aantal maanden dat de werknemer in dienst is.

(…)

6. De directie heeft het recht geen 13e maand / bonus, dan wel slechts een deel daarvan uit te keren (…) indien de werknemer niet functioneert zoals van hem verwacht mag worden.(…)”
2.19.
Bilfinger heeft aangevoerd dat [persoon A] geen recht heeft op een bonus, omdat er geen persoonlijke doelstellingen (targets) met haar zijn afgesproken en omdat [persoon A] niet functioneerde zoals van haar mocht worden verwacht. De kantonrechter volgt Bilfinger hierin niet. Bilfinger heeft er namelijk zelf voor gekozen bij aanvang van het dienstverband geen persoonlijke targets met [persoon A] af te spreken. Dat is een eigen keuze van Bilfinger geweest en die ligt in haar risicosfeer als werkgever. Dat er geen targets zijn afgesproken betekent dan ook niet dat [persoon A] geen recht heeft op een bonus. Daarbij komt dat de kantonrechter tijdens de zitting expliciet aan Bilfinger heeft gevraagd of andere werknemers, die net als [persoon A] pas in de loop van 2024 in een vergelijkbare functie in dienst zijn getreden en met wie ook geen targets zijn afgesproken, ook geen bonus hebben gekregen. Dat kon Bilfinger niet bevestigen. Sterker nog, Bilfinger heeft ter zitting verklaard dat die andere werknemers onder bepaalde omstandigheden juist wél aanspraak konden maken op een bonus, bijvoorbeeld als zij goed gefunctioneerd hadden.
2.20.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Bilfinger daarnaast onvoldoende onderbouwd dat [persoon A] niet functioneerde zoals van haar mocht worden verwacht. Vast staat dat er op 13 februari 2025 een evaluatiegesprek heeft plaatsgevonden waarbij het functioneren van [persoon A] aan de orde is gekomen. Los van het feit dat [persoon A] de juistheid van het van dat gesprek opgemaakte verslag heeft betwist, blijkt uit niets dat eerder dan 13 februari 2025 met [persoon A] is gesproken over de mate waarin haar functioneren aan de verwachtingen voldoet. Bilfinger heeft ter zitting weliswaar gesteld dat er eerder ‘in eerdere bila’s’ met [persoon A] is besproken dat zij niet naar behoren functioneerde, maar dat is door [persoon A] betwist en door Bilfinger verder niet meer onderbouwd. Bilfinger heeft in dat verband bovendien verklaard dat er van die eerdere besprekingen geen verslagen of aantekeningen zijn gemaakt.
2.21.
De kantonrechter is van oordeel dat van Bilfinger als werkgever wel had mogen worden verwacht dat zij haar stelling dat [persoon A] onvoldoende functioneerde deugdelijk zou onderbouwen, bijvoorbeeld door middel van gesprekverslagen en aantekeningen in het personeelsdossier. Voor [persoon A] hangen er immers direct financiële consequenties (het mislopen van de bonus) aan vast als er inderdaad sprake is van onvoldoende functioneren. Dat zij, behalve het gespreksverslag van 13 februari 2025, niets over het functioneren van [persoon A] heeft vastgelegd, komt in de gegeven omstandigheden dan ook voor rekening en risico van Bilfinger.
2.22.
Tussen Bilfinger en [persoon A] staat niet ter discussie dat de bonussen eind februari 2025 aan de andere werknemers van Bilfinger zijn uitbetaald. Omdat niet gebleken is dat Bilfinger eerder dan 13 februari 2025 met [persoon A] over haar (gebrekkige) functioneren is gesproken, heeft [persoon A] daardoor bovendien geen reële mogelijkheid gehad haar functioneren te verbeteren.
2.23.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat [persoon A] terecht aanspraak maakt op een bonus over 2024. Volgens [persoon A] heeft zij recht op een bonus van € 2.143,75 bruto. Bilfinger heeft de hoogte van dat bedrag niet betwist. Zij wordt daarom veroordeeld een bonus van € 2.143,75 bruto aan [persoon A] te betalen.

Bilfinger hoeft geen schadevergoeding aan [persoon A] te betalen
2.24.
[persoon A] eist dat Bilfinger een immateriële schadevergoeding van in totaal

€ 10.000,- aan haar betaalt, omdat Bilfinger zich schuldig heeft gemaakt aan smaad. Volgens [persoon A] heeft Bilfinger haar doelbewust in een kwaad daglicht gesteld en haar reputatie geschaad door het opstellen van een eenzijdig geschreven verslag van het gesprek op 13 februari 2025 en diverse e-mails met onwaarheden. De kantonrechter is van oordeel dat [persoon A] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat [persoon A] het niet eens is met de inhoud van het gesprekverslag en de e-mails betekent nog niet dat Bilfinger zich op onjuiste wijze heeft uitgelaten en ook niet dat sprake is van een al dan niet opzettelijke aantasting van de eer of goede naam van [persoon A] door Bilfinger. Voor rectificatie van onjuiste uitlatingen, zoals door [persoon A] is geëist, bestaat dan ook geen aanleiding.
2.25.
Verder is niet gebleken dat [persoon A] (op andere wijze) in haar persoon is aangetast. Om dit aan te kunnen nemen is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen, maar geldt als uitgangspunt dat er sprake moet zijn van geestelijk letsel. [persoon A] heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om dat aan te kunnen nemen. Dat betekent dat er geen aanleiding bestaat om een immateriële schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:106 BW aan [persoon A] toe te kennen.
2.26.
Het voorgaande geldt ook voor de door [persoon A] geëiste immateriële schadevergoeding van € 5.000,-. [persoon A] heeft aan die eis ten grondslag gelegd dat Bilfinger in strijd heeft gehandeld met het beginsel van goed werkgeverschap door het weigeren van een verzoek tot het opnemen van ouderschapsverlof. Ook ten aanzien van dit punt heeft [persoon A] echter niet onderbouwd dat zij op enige wijze in haar persoon is aangetast. Los daarvan heeft zij ook onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat Bilfinger ten onrechte heeft haar verzoek heeft geweigerd.
2.27.
Het bovenstaande leidt er toe dat de eis van [persoon A] om Bilfinger te veroordelen een immateriële schadevergoeding aan haar te betalen wordt afgewezen. Ook de geëiste verklaringen voor recht dat zich schuldig heeft gemaakt aan smaad en in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht/de beginselen van goed werkgeverschap worden afgewezen.

[persoon A] moet de boete van de leasemaatschappij van € 138,97 aan Bilfinger betalen
2.28.
Bilfinger maakt aanspraak op vergoeding door [persoon A] van een verkeersboete van

€ 138,97. Volgens Bilfinger is deze verkeersboete opgelegd op het moment dat [persoon A] de auto in gebruik had. [persoon A] heeft dat niet betwist. Zij heeft wel verzocht de boete te matigen, in die zin dat zij alleen het originele boete bedrag zonder aanmaningskosten wil betalen. Van een verhoging van de boete met aanmaningskosten is echter geen sprake. Het bedrag van € 138,97 bestaat alleen uit de bekeuring van € 130,50 en € 7,- aan administratiekosten. Die administratiekosten worden echter standaard in rekening gebracht bij het opleggen van een boete. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding het boetebedrag te matigen. [persoon A] wordt daarom veroordeeld het bedrag van € 138,97 aan Bilfinger te betalen.

De eis tot vergoeding van advocaatkosten wordt over en weer afgewezen
2.29.
Bilfinger eist dat [persoon A] wordt veroordeeld € 6.400,- aan advocaatkosten te betalen. Daaraan legt Bilfinger ten grondslag dat [persoon A] wanprestatie heeft gepleegd. Hiervoor bij 2.14 is echter al geoordeeld dat van wanprestatie door [persoon A] niet gebleken is. Er bestaat dan ook geen aanleiding [persoon A] op die grond in de advocaatkosten van Bilfinger te veroordelen. Daarnaast kan de eis tot vergoeding van door Bilfinger gemaakte werkelijke proceskosten alleen worden toegewezen als sprake is van buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht. Dit kan niet snel worden aangenomen. In dit geval zijn er niet zulke buitengewone omstandigheden.
2.30.
Voor zover Bilfinger zich op het standpunt stelt dat een deel van de advocaatkosten als buitengerechtelijke incassokosten moeten worden aangemerkt, geldt dat zij onvoldoende heeft onderbouwd om welk deel van de kosten het daarbij gaat. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat Bilfinger aan [persoon A] een brief heeft gestuurd waarin [persoon A] de kans is gegeven om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). Deze eis van Bilfinger wordt dan ook afgewezen.
2.31.
Ook [persoon A] maakt aanspraak op vergoeding van de door haar gemaakte advocaatkosten van € 224,46. Zij heeft daarvoor echter geen enkele grondslag gesteld. Los daarvan kan ook deze eis niet worden toegewezen omdat er geen buitengewone omstandigheden zijn, op basis waarvan er aanleiding bestaat Bilfinger te veroordelen tot betaling van de door [persoon A] gemaakte werkelijke kosten.

Partijen dragen ieder de eigen proceskosten
2.32.
Omdat Bilfinger en [persoon A] allebei op bepaalde punten ongelijk hebben gekregen ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat Bilfinger en [persoon A] ieder de eigen kosten dragen en geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij voor deze rechtszaak heeft gemaakt.

Dit vonnis is, voor wat betreft de veroordeling in conventie, uitvoerbaar bij voorraad
2.33.
Dit vonnis wordt, voor wat betreft de veroordeling in conventie, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Bilfinger dat eist en [persoon A] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis op dat punt meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
<nr>3</nr>De beslissing
De kantonrechter:

in conventie
3.1.
veroordeelt [persoon A] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de boete van de leasemaatschappij van € 138,97 aan Bilfinger te betalen;
3.2.
bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af;

in reconventie
3.5.
veroordeelt Bilfinger om aan [persoon A] een transitievergoeding van € 1.360,01 netto te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag dat volledig is betaald;
3.6.
veroordeelt Bilfinger om aan [persoon A] een bonus van € 2.143,75 bruto te betalen;
3.7.
bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;
3.8.
wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.

44487

Artikel 7:611a BW en Hoge Raad 10 juni 1983, ECLI:NL:PHR:1983:AC2816, NJ 1983, 796 (Muller/Van Opzeeland)

Gerechtshof Den Haag 27 juni 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1529

Hoge Raad 3 maart 1981, NJ 1981, 63 (Haviltex)

Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1934, 3.3

Artikel delen