Gedaagde niet gebonden aan contract. Geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid.
Rechtbank Rotterdam 8 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:7461
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2026
Datum publicatie
08-07-2026
Zaaknummer
11426273 CV EXPL 24-29911
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBROT:2026:7461text/xmlpublic2026-07-08T09:04:172026-06-26Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Rotterdam2026-06-2611426273 CV EXPL 24-29911UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLRotterdamCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7461text/htmlpublic2026-07-08T09:03:082026-07-08Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:7461 Rechtbank Rotterdam , 26-06-2026 / 11426273 CV EXPL 24-29911 Gedaagde niet gebonden aan contract. Geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid.
RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11426273 CV EXPL 24-29911 datum uitspraak: 26 juni 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van
[bedrijf 1] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. G.H. Kroon, tegen
[bedrijf 2] B.V., tevens handelend onder de naam [handelsnaam],
vestigingsplaats: [plaats 2] ,
gedaagde,
voormalig gemachtigde: mr. I. Rhodes. De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1De procedure1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 7 november 2024, met bijlagen 1 t/m 9; het antwoord; de brief van 18 februari 2026 van mr. Rhodes, waarbij hij zich als gemachtigde van [gedaagde] onttrekt; de brief van 15 mei 2026 met bijlage 10 van de kant van [eiseres] . 1.2. Op 28 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [persoon A] (directeur van [eiseres] ) en mr. Kroon aanwezig. Ook [gedaagde] was voor de zitting uitgenodigd, maar van haar kant is niemand verschenen zonder enig bericht. 2De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1.
[eiseres] eist € 12.500,00 van [gedaagde] . [eiseres] baseert die eis op een contract dat zij heeft gesloten op 19 januari 2024. Volgens [eiseres] is [gedaagde] gebonden aan het in dat contract opgenomen relatiebeding en dient zij op grond daarvan te worden veroordeeld tot betaling van een boete en bijkomende kosten. [gedaagde] betwist dat. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk en wijst de eis af.
[gedaagde] is niet gebonden aan het contract van [eiseres] 2.2.
[eiseres] kan [gedaagde] niet aanspreken op basis van het contract. In de weg staat dat het contract niet door [gedaagde] is gesloten en, voor zover het contract zou zijn gesloten in naam van [gedaagde] , er geen sprake is van de schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid. Dat wordt hierna uitgelegd. 2.3. Het contract waar [eiseres] de eis op baseert, is volgens de tekst die in de kop van het contract staat, gesloten met: “ [opdrachtnemer] , kantoorhoudende te [plaats 2] ( [postcode] ) aan de
[adres] ,dezen handelend onder de naam [handelsnaam]
ingeschreven in het handelsregister onder nummer KVK : [kvk-nummer] hierna te noemen ‘opdrachtnemer’.” Het KvK-nummer is van [gedaagde] , maar de handelsnaam is onjuist. De geregistreerde handelsnaam van [gedaagde] is ‘ [bedrijf 2] ’. Ook het adres dat wordt genoemd, is niet het adres van [gedaagde] dat in het handelsregister staat geregistreerd. Uit het handelsregister blijkt evenmin dat [opdrachtnemer] bevoegd was [gedaagde] te vertegenwoordigen.
De bepalingen van het contract duiden er daarnaast op dat [opdrachtnemer] werkzaam is als zelfstandige op het gebied van beveiliging en dat [eiseres] hem inhuurt om als zelfstandige beveiligingswerkzaamheden te doen. De directeur van [eiseres] heeft tijdens de zitting ook bevestigd dat hij [opdrachtnemer] als zelfstandige wilde inhuren. Weliswaar stelt [eiseres] dat zij [opdrachtnemer] heeft willen inhuren als zelfstandige onder zijn bedrijfsnaam – daarmee kennelijk doelend op “ [handelsnaam] ” – maar die bedrijfsnaam is niet dezelfde als de handelsnaam van [gedaagde] . De kantonrechter houdt het er daarom voor dat het contract is gesloten door [opdrachtnemer] en niet door [gedaagde] . 2.4. Voor zover aan het voorgaande voorbij zou moeten worden gegaan en het ervoor zou moeten worden gehouden dat het contract in naam van [gedaagde] is gesloten door [opdrachtnemer] , is [gedaagde] niet gebonden aan het contract. Er is namelijk geen sprake van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 BW). Enig handelen van [gedaagde] als pseudo-volmachtgever op basis waarvan [eiseres] erop heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen, ontbreekt namelijk. [eiseres] stelt weliswaar terecht dat ook in een niet-doen van de pseudo-volmachtgever een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid besloten kan liggen, maar in dit geval is dat niet voldoende. Nergens blijkt namelijk uit dat [gedaagde] ervan op de hoogte was, laat staan dat zij ermee instemde, dat [opdrachtnemer] een contract met [eiseres] sloot in haar naam. [eiseres] heeft het in de dagvaarding wel over mailberichten van [eiseres] aan [gedaagde] waarop [gedaagde] geen rectificatie of reactie heeft gestuurd, maar die mails zitten niet in het dossier en ook heeft [eiseres] niet uitgelegd wat voor mails het betreft. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om die mails in de procedure te overleggen, maar dat is niet gebeurd. Dat [opdrachtnemer] een mailadres van [gedaagde] heeft gebruikt om een mail te sturen naar een opdrachtgever van [eiseres] is ook onvoldoende voor het aannemen van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Niet alleen betreft het slechts een handelen van de pseudo-gevolmachtigde zelf en niet van de pseudo-volmachtgever, ook betreft het geen mail aan [eiseres] . Dat [opdrachtnemer] het mailadres heeft gebruikt, laat zich mogelijk verklaren door de stelling van [eiseres] dat [opdrachtnemer] een relatie heeft (gehad) met de eigenaar van [gedaagde] , maar ook dat is onvoldoende om te kunnen oordelen dat [eiseres] er op heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen. De eisen worden afgewezen 2.5. De gevorderde contractuele boete is niet toewijsbaar, omdat [eiseres] [gedaagde] niet kan aanspreken op basis van het contract. De daarbij gevorderde rente en incassokosten zijn daarom ook niet toewijsbaar.
[eiseres] moet de proceskosten betalen 2.6. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 432,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 432,00), omdat de voormalige gemachtigde van [gedaagde] het antwoord heeft ingediend voordat die zich heeft onttrokken. Bij deze kosten kan nog een bedrag komen als dit vonnis wordt betekend. 3De beslissing De kantonrechter: 3.1. wijst de eis af; 3.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 432,00; 3.3. wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.