Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBROT:2026:7914

Officier van justitie ontvankelijk in de vervolging: geen schending ne bis in idem beginsel na eerdere vervolging in België. De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte in 2020 samen met anderen heeft geprobeerd om personen te bewegen om het slachtoffer zwaar te mishandelen. Daarnaast is bewezen dat de verdachte in 2019 en 2020 samen met anderen vier partijen cocaïne met een totaalgewicht v...

Rechtbank Rotterdam 6 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBROT:2026:7914 text/xml public 2026-07-06T11:57:14 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-21 71-399555-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7914 text/html public 2026-07-06T11:54:13 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:7914 Rechtbank Rotterdam , 21-04-2026 / 71-399555-24
Officier van justitie ontvankelijk in de vervolging: geen schending ne bis in idem beginsel na eerdere vervolging in België. De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte in 2020 samen met anderen heeft geprobeerd om personen te bewegen om het slachtoffer zwaar te mishandelen. Daarnaast is bewezen dat de verdachte in 2019 en 2020 samen met anderen vier partijen cocaïne met een totaalgewicht van ruim 1.700 kilogram heeft ingevoerd in Nederland. De verdachte had een faciliterende rol bij de invoer van deze partijen cocaïne. De verdachte wordt vrijgesproken van betrokkenheid bij voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de invoer van cocaïne in 2025. De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf op van 56 maanden met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft in strafmatigende zin rekening gehouden met de ouderdom van de bewezen feiten en de veroordeling van de verdachte in België voor soortgelijke feiten. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 71-399555-24

Datum uitspraak: 21 april 2026

Datum zitting: 7 april 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres van de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] : [detentieadres] , [postcode] [detentieplaats] .

Advocaten van de verdachte: mrs. S. Weening en T.T.M. Bekx

Officier van justitie: mr. M. van Nes

Benadeelde partij: [benadeelde]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. M.R.M. Schaap

Leeswijzer

De officier van justitie beschuldigt de verdachte - samengevat - van betrokkenheid in 2020 bij een poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachten rade, subsidiair uitlokking van bedreiging en meer subsidiair van bedreiging, telkens van het slachtoffer [slachtoffer] (feit 1). Daarnaast wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij in 2019 en 2020 als mededader betrokken is geweest bij de invoer van vier grote partijen cocaïne met een totaalgewicht van ruim 1.700 kilogram, subsidiair dat hij betrokken is geweest bij de voorbereiding en bevordering van die invoer (feiten 3 tot en met 6) en dat hij zich in 2025 heeft beziggehouden met voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de invoer van cocaïne (feit 2). De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1.

De officier van justitie mag de verdachte vervolgen. Deze beslissing wordt in hoofdstuk 2 uitgelegd.

De feiten 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 zijn bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren

staan in hoofdstuk 3. Een overzicht van de bewijsmiddelen staat in bijlage 1.

Feit 2 is niet bewezen. De argumenten die tot vrijspraak van dit feit hebben geleid staan ook in hoofdstuk 3.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 4.

De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 56 maanden. In hoofdstuk 5 wordt uitgelegd waarom deze straf wordt opgelegd.

In hoofdstuk 6 staan de beslissingen over de inbeslaggenomen goederen.

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De vordering wordt deels toegewezen. In hoofdstuk 7 wordt deze beslissing uitgelegd.

In hoofdstuk 9 staan alle beslissingen in het kort.
<nr>1</nr>Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

feit 1 primair

de verdachte in of omstreeks de periode van 13 april 2020 tot en met 15 april 2020, te Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen, te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] en met dat opzet voornoemde personen meermalen heeft benaderd om dit strafbare feit te plegen, althans te laten plegen en/of die personen

daartoe de:

* adresgegevens en/of

* een signalement en/of een foto van [slachtoffer] en/of

* informatie over het voertuig van [slachtoffer] en/of

* informatie over het leefpatroon van [slachtoffer]

heeft verstrekt;

feit 1 subsidiair

de verdachte in of omstreeks de periode van 13 april 2020 tot en met 15 april 2020, te Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen, heeft bewogen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [slachtoffer] , door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] :

* de adresgegevens en/of

* een signalement en/of een foto van [slachtoffer] en/of

* informatie over het voertuig van [slachtoffer] en/of

* informatie over het leefpatroon van [slachtoffer] te verstrekken;

feit 1 meer subsidiair

de verdachte op of omstreeks 15 april 2020 te Ridderkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] te richten en/of (vervolgens) meermalen, althans éénmaal, de trekker van een/dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) over te halen en/of de slede van een/dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp)naar achter te halen;

feit 2

de verdachte in of omstreeks de periode van 6 januari 2025 tot en met 10 januari 2025 te Barendrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of

- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

door met een telefoon chatberichten te sturen en te communiceren over:

* bedrijven die producten importeren vanuit Ghana en/of

* het kunnen importeren van machines en/of onderdelen en/of

* 'groene' lijnen en/of lopende lijnen

* het 'zwanger' maken van een bestaande lijn en/of

* het beschikbaar hebben van een Duits en/of Nederlands bedrijf en/of

* het importeren van hogedruk onderdelen vanuit China en/of

* machines met een stash erin;

feit 3 primair

de verdachte in of omstreeks de periode van 2 oktober 2019 tot en met 22 februari 2020 via de Westerschelde en/of de Nederlandse territoriale wateren en/of te Antwerpen, in elk geval in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 259 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 3 subsidiair

de verdachte in of omstreeks de periode van 31 januari 2020 tot en met 10 februari 2020 te Barendrecht en/of Antwerpen, althans in Nederland en/of België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst T, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van ongeveer 259 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid cocaïne,

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:

* een loods ter beschikking te stellen, en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:

* gereedschap en/of machines (vorkheftruck) en/of één of meerdere voertuigen;

feit 4 primair

de verdachte in of omstreeks de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 maart 2020 via de Westerschelde en/of de Nederlandse territoriale wateren en/of te Antwerpen, in elk geval in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 781,6 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 4 subsidiair

de verdachte in of omstreeks de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 maart 2020 te Barendrecht en/of Antwerpen, althans in Nederland en/of België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van ongeveer 781,6 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid cocaïne,

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:

* een loods ter beschikking te stellen, en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:

* gereedschap en/of machines (vorkheftruck) en/of één of meerdere voertuigen;

feit 5 primair

de verdachte in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 3 april 2020 via de Westerschelde en/of de Nederlandse territoriale wateren en/of te Antwerpen, in elk geval in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 489,7 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 5 subsidiair

de verdachte in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 7 april 2020 te Barendrecht en/of Antwerpen, althans in Nederland en/of België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst T, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van ongeveer 489,7 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid cocaïne,

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:

* een loods ter beschikking te stellen, en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:

* gereedschap en/of machines (vorkheftruck) en/of één of meerdere voertuigen;

feit 6

de verdachte op of omstreeks 12 maart 2020, te Breda en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
<nr>2</nr>Ontvankelijkheid van de officier van justitie 2.1.
Standpunt van de verdediging

Voor de feiten 3 tot en met 6 is de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. Er is sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat de feiten 3 tot en met 6 in het tegen de verdachte gewezen Belgische vonnis van 17 juni 2021 al zijn gebruikt voor de bewijsconstructie van de in dat vonnis bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie. Als de rechtbank dit standpunt van de verdediging niet volgt, wordt verzocht om de officier van justitie opdracht te geven het Belgische strafdossier bij de stukken te voegen, zodat duidelijk wordt op welke feiten de Belgische strafzaak zag.
2.2.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. De beschuldiging in feiten 3 tot en met 6 ziet op andere strafbare feiten dan waarvoor de verdachte in België is veroordeeld. Er kan niet worden vastgesteld dat er samenhang bestaat tussen de feiten 3 tot en met 6 en de bewezenverklaring in het Belgische vonnis.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Voorwaardelijk verzoek

Toevoeging van het Belgische procesdossier vindt de rechtbank niet noodzakelijk. Het Belgische vonnis maakt deel uit van het dossier. Voor de rechtbank is voldoende duidelijk uit dit vonnis gebleken welke informatie de Belgische rechter aan zijn beslissingen ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank acht zich daarmee voldoende ingelicht. Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt afgewezen.
2.3.2.
Geen schending ne bis in idem beginsel

De verdachte is door de Belgische rechter veroordeeld voor de invoer, de uitvoer en het vervoer van 2 partijen cocaïne van respectievelijk 1842,4 kilogram en 2316,8 kilogram en voorts voor deelneming aan een criminele organisatie. De bewezenverklaring van deze feiten door de Belgische rechter is gebaseerd op de resultaten van de observaties en doorzoekingen op 22 en 23 april 2020 in onder meer (en voor zover relevant) de loods die de verdachte in Antwerpen huurde en (overige) bevindingen van de Belgische opsporingsdiensten en douane met betrekking tot deze 2 partijen cocaïne. De feiten 3 tot en met 6 waarvan de verdachte thans wordt beschuldigd hebben samenhang met de bewezenverklaring in het Belgische vonnis, omdat de verdenking ziet op nagenoeg dezelfde periode en ook de loods van de verdachte bij de verdenking een prominente plaats in neemt, evenals in de Belgische zaak. Dat betekent echter nog niet dat de vervolging voor de feiten 3 tot en met 6 in strijd is met het ne bis in idem-beginsel. Dat is alleen in bijzondere omstandigheden het geval. Daarvan is hier geen sprake. Uit het Belgische vonnis kan niets anders worden afgeleid dan dat ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard dat hij deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die naast de invoer, uitvoer en het vervoer van de 2 eerdergenoemde partijen cocaïne, een duplicaatcontainer met een lading inktvis heeft aangeboden. De drugstransporten die de verdachte thans als feiten 3 tot en met 6 worden verweten, worden niet concreet in het Belgische vonnis genoemd. Ook anderszins kan niet uit het Belgische vonnis worden afgeleid dat de vervolging van de verdachte in België ook het begaan van de feiten 3 tot en met 6 omvatte. Er is dus geen sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel door de officier van justitie met de vervolging van de verdachte voor de feiten 3 tot en met 6.

De conclusie is dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte voor de feiten 3 tot en met 6.
<nr>3</nr>Bewijs 3.1.
Vordering van de officier van justitie

De feiten 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 kunnen worden bewezen verklaard. Het standpunt van de officier van justitie zal verder, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
3.2.
Conclusie van de verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2. De verdediging refereert zich ten aanzien van feit 1 subsidiair aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, indien nodig, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 2

Volgens de officier van justitie heeft de verdachte in januari 2025 voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet gepleegd door met [persoon A] Signal-berichten uit te wisselen die zien op het opzetten van transportlijnen voor de invoer van verdovende middelen.

De verdediging heeft niet betwist dat de verdachte degene is geweest die de Signal-berichten heeft uitgewisseld met [persoon A] . Volgens de verdediging waren het echter slechts globale gesprekken op een abstract niveau en kunnen deze berichten geen strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet opleveren.

De rechtbank is van oordeel dat uit de Signal-chatberichten die door de verdachte zijn verstuurd tussen 6 tot en met 10 januari 2025 onmiskenbaar volgt dat wordt gesproken over invoer van verdovende middelen, zoals cocaïne. De rechtbank is evenwel van oordeel dat met het wisselen van deze chatberichten nog geen sprake is geweest van strafbare voorbereiding van de invoer van cocaïne. De berichten zijn onvoldoende concreet om te kunnen spreken van daadwerkelijke voorbereidingshandelingen en lijken een meer oriënterend karakter te hebben. Er wordt gesproken over potentiële landen van waaruit invoer kan plaatsvinden. De verdachte benoemt dat hij een Duits en een Nederlands bedrijf heeft en dat hij goederen exporteert uit China. In de berichten wordt enkel in zijn algemeenheid gesproken over producten die via die bedrijven besteld kunnen worden en over wat voor soort producten verhandeld worden. Tenslotte schrijft de verdachte dat hij mogelijk een kennis heeft die naar Ghana gaat, en dat hij bij iemand heeft nagevraagd of hij of zij openstaat voor handel vanuit Ghana, maar ook hieruit blijkt niets concreets. Er is sprake van kennis- en informatieuitwisseling, waardoor men blijft hangen in het voorstadium van strafbare voorbereiding.

Omdat dus niet kan worden bewezen dat de verdachte strafbare voorbereidingshandelingen heeft gepleegd en evenmin dat sprake is geweest van strafbare bevorderingshandelingen, wordt de verdachte vrijgesproken van feit 2.
3.3.2.
Bewezenverklaring feiten 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6

Bewezen is dat de verdachte:

feit 1 primair

in de periode van 13 april 2020 tot en met 15 april 2020 te Barendrecht, tezamen en in vereniging met anderen, heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , door het verschaffen van inlichtingen, te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] en met dat opzet voornoemde personen meermalen heeft benaderd om dit strafbare feit te plegen, althans te laten plegen en die personen daartoe de:

* adresgegevens en

* een foto van [slachtoffer] en

* informatie over het voertuig van [slachtoffer] en

* informatie over het leefpatroon van [slachtoffer] heeft verstrekt;

feit 3 primair

in de periode van 2 oktober 2019 tot en met 22 februari 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 259 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 4 primair

in de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 maart 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 781,6 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 5 primair

in de periode van 2 april 2020 tot en met 3 april 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 489,7 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 6

op 12 maart 2020, te Breda en Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3.3.3.
Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 1 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande nadere bewijsmotivering.
3.3.4.
Nadere bewijsmotivering feit 1 primair

Op 15 april 2020 is [slachtoffer] voor zijn woning benaderd door een onbekende man met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp. Op 15 september 2020 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door de rechtbank veroordeeld voor hun betrokkenheid bij dit feit. De rechtbank heeft vastgesteld dat [medeverdachte 1] degene is geweest die het (nep)vuurwapen op [slachtoffer] heeft gericht en hem met het wapen op zijn hoofd heeft geslagen en dat [medeverdachte 2] de vluchtauto bestuurde. In het vonnis tegen [medeverdachte 1] is bewezenverklaard dat hij zich hiermee heeft schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. [medeverdachte 2] is veroordeeld voor medeplichtigheid aan deze bedreiging.

Later zijn in de telefoon van de verdachte SkyECC-berichten aangetroffen die betrekking hebben op dit incident. De verdachte heeft bekend dat hij deze berichten heeft verstuurd en dat hij met anderen communiceerde via het SkyECC-account [accountnaam 1] .

De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geprobeerd met deze berichten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit te lokken om het slachtoffer zwaar te mishandelen, zoals is tenlastegelegd. Volgens de verdediging was de opzet van de verdachte alleen gericht op het bedreigen van het slachtoffer.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te bewegen om het slachtoffer zwaar te mishandelen met voorbedachten rade. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Het incident vond plaats op 15 april 2020, omstreeks 6.10 uur. In de dagen daaraan voorafgaand communiceerde de verdachte via zijn SkyECC-account in een chatgroep waar, naast de verdachte, ook de medeverdachte [medeverdachte 3] en een andere onbekend gebleven SkyECC-gebruiker [accountnaam 2] aan deelnamen. Uit de berichten die [accountnaam 2] in de chatgroep zette, kan worden afgeleid dat hij (buiten de chatgroep) in direct contact stond met de uitvoerders. In deze chatgroep gaf de verdachte op 13 april 2020 aanvankelijk de opdracht om het slachtoffer “goed bang te maken” en “ervoor te zorgen dat hij weggaat bij zijn huidige baas”. Op de vraag van [accountnaam 2] wat er moest gebeuren, berichtte [medeverdachte 3] : “slopen, breek beide knieen ofs”. Daarna zette de verdachte desgevraagd een foto van [slachtoffer] in de chatgroep. Door [accountnaam 2] werd vervolgens gevraagd of er nog iets tegen [slachtoffer] gezegd moest worden, waarop [medeverdachte 3] negatief antwoordde en zei: “gwn total loss te slaan” en “beide benen te breken”. In berichten later die middag zette de verdachte nadere informatie over de honden en de auto van het slachtoffer in de chatgroep. Een dag later wisselden de deelnemers aan de chatgroep ook berichten over het slachtoffer uit, onder meer over waar hij zich die dag bevond en hoe laat hij naar zijn werk ging. De verdachte drong daarbij aan op actie, onder meer door in de chatgroep te berichtten: “dan wordt het vandaag eind van de dag ff langs zijn huis rijden broer”. In de vroege ochtend van 15 april 2020 werden de deelnemers aan de chatgroep door [accountnaam 2] ervan op de hoogte gesteld dat de uitvoerders klaarstonden.

Uit de inhoud van de chatberichten en het verloop daarvan volgt dat het aanvankelijk geopperde plan om het slachtoffer bang te maken is verlaten en dat de chatberichten uiteindelijk gericht waren op het zwaar mishandelen van [slachtoffer] en dat met voorbedachten rade. Anders dan de verdediging, vindt de rechtbank dat ook de opzet van de verdachte op dit misdrijf gericht is geweest. [medeverdachte 3] heeft steeds gezegd wat er concreet moest gebeuren met het slachtoffer en de verdachte heeft daaraan in ruime mate bijgedragen. Enerzijds door dat niet te weerspreken en anderzijds door actief informatie over [slachtoffer] te blijven verschaffen en aan te dringen op het realiseren van de plannen. Dat uiteindelijk een ander misdrijf is gepleegd door de uitvoerders, maakt dat de handelwijze van de verdachte en zijn medeverdachten moet worden gezien als een poging tot uitlokking.
<nr>4</nr>Kwalificatie en strafbaarheid 4.1.
Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair

medeplegen van poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachten rade;

feit 3 primair

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4 primair

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 5 primair

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 6

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
4.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
<nr>5</nr>Straf 5.1.
Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet aan de verdachte een geldboete worden opgelegd van € 260.000,-, waarvan € 200.000,- als afroomboete en € 60.000,- als boete met een punitief karakter. De afroomboete is gebaseerd op de verdiensten die de verdachte zelf zegt te hebben ontvangen. Als rekening wordt gehouden met de Belgische veroordeling van de verdachte, dan heeft de verdachte weliswaar een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd gekregen, maar daarvan heeft hij niet meer dan drie jaar vastgezeten in België.
5.2.
Standpunt van de verdediging

Voor feit 1 zou, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, hooguit een gevangenisstraf van acht maanden opgelegd kunnen worden. Ten aanzien van feiten 3 tot en met 6 moet toepassing worden gegeven aan artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en zou hooguit een gevangenisstraf van twee jaren opgelegd moeten worden. Aan de verdachte moet geen geldboete worden opgelegd. De afroomboete is niet op feiten gebaseerd. De verdachte heeft een ruwe schatting van zijn verdiensten gemaakt, toen hij daar door de officier van justitie naar werd gevraagd op de zitting. Dit dient in een ontnemingsprocedure verder aan de orde te komen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
5.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft in 2020 samen met anderen geprobeerd om personen te bewegen om het slachtoffer [slachtoffer] zwaar te mishandelen. De verdachte en het slachtoffer hadden een zakelijk conflict over de hoogte van het geldbedrag dat de verdachte het slachtoffer schuldig was. In de aangetroffen chatberichten wordt aan de uitvoerders de opdracht gegeven om het slachtoffer ‘total loss’ te slaan, en zijn benen of knieën te breken. Een van de uitvoerders is met een (nep)vuurwapen naar de woning van het slachtoffer gegaan en heeft de trekker meerdere malen overgehaald. Bij een worsteling die daarna is ontstaan tussen de uitvoerder en het slachtoffer heeft het slachtoffer een hoofdwond opgelopen. Hierdoor is op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de het slachtoffer en zijn gevoel van veiligheid. Uit de verklaring van het slachtoffer en de door hem ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat het gebeuren veel impact op hem en zijn gezin heeft gehad. Het gevoel van veiligheid dat iedereen in en rond zijn eigen huis moet hebben, is hierdoor ook ernstig geschaad. Dergelijke feiten veroorzaken veelal ook gevoelens van onrust in de directe omgeving en in de maatschappij in het algemeen. De verdachte heeft zich totaal niet bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer. Het kennelijke gemak waarmee de verdachte samen met anderen via de chatberichten heeft aangedrongen op het plegen van zwaar geweld is zeer verontrustend.

Daarnaast heeft de verdachte zich eind 2019 en de eerste maanden van 2020 samen met anderen beziggehouden met de internationale handel in cocaïne. Hij heeft bijgedragen aan de invoer van drie grote partijen cocaïne met een gewicht van in totaal ruim 1.500 kilogram. Hij heeft deze cocaïne in containers via de Westerschelde ons land binnengebracht en deze vervolgens naar de haven van Antwerpen laten doorvoeren. Twee containers waarin de cocaïne was vervoerd, zijn aangetroffen in Antwerpen in de loods van de verdachte. Verder heeft de verdachte, ook in 2020, samen met anderen 200 kilogram cocaïne met auto’s vanuit België naar Nederland gebracht. De verdachte had een faciliterende rol bij de invoer van deze partijen cocaïne. Hij huurde in Antwerpen een loods waar de containers naartoe werden gebracht en de cocaïne eruit zou worden gehaald. Hij had daarvoor diverse machines (zoals een heftruck) en gereedschappen gekocht. Ook regelde hij mensen voor het lossen van de containers en was hij daarbij zelf ook veelal aanwezig. Tevens onderhield hij de contacten met zijn opdrachtgevers. Met zijn handelen is de verdachte dus een belangrijke schakel in de keten geweest om cocaïne in te voeren en op de illegale markt te brengen.

Door de invoer van meerdere grote partijen cocaïne, wat ook nog in een vrij korte periode plaatsvond, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Harddrugs vormen een bedreiging voor de volksgezondheid en de handel daarin gaat vaak gepaard met andere vormen van ernstige (gewelds)criminaliteit. Hiermee wordt schade toegebracht aan de veiligheid van de maatschappij en het gevoel van veiligheid van burgers. De verdachte heeft hiervoor geen oog gehad en was enkel uit op eigen financieel gewin.
5.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten in Nederland. Wel is de verdachte in 2021 in België veroordeeld, waarop hieronder zal worden ingegaan.

Overige persoonlijke omstandigheden

De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Hij heeft last van mentale klachten vanwege zijn aanhouding in deze zaak. Zijn detentie valt hem zwaar. De verdachte is van plan om na zijn detentie weer te werken voor zijn eigen bedrijf. Zijn compagnon heeft voorlopig de leiding van het bedrijf op zich genomen.
5.3.3.
Oplegging straf

Gelet op de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan wordt rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Ook is rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten.

De rechtbank heeft zich afgevraagd welke straf passend zou zijn geweest als de feiten – per soort – afzonderlijk van elkaar aan de rechtbank zouden zijn voorgelegd. Voor het medeplegen van de poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachten rade (feit 1) vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de LOVS oriëntatiepunten voor artikel 302 Sr, meer specifiek de categorie onder d, namelijk: ‘het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel, zonder gebruik te maken van een wapen’. De rechtbank heeft daarbij niet alleen rekening gehouden met wat de afgesproken plannen waren, maar ook met wat er uiteindelijk is gebeurd, namelijk dat het slachtoffer ernstig is bedreigd met een wapen en een hoofdwond heeft opgelopen, wat een enorme impact op het slachtoffer heeft gehad. Dat het in dit geval bij een poging is gebleven, is vanwege omstandigheden die niet aan de verdachte te danken zijn. Hierin wordt dus geen reden gezien om aan de verdachte een lagere straf op te leggen. Als het aan de verdachte had gelegen was het slachtoffer zwaar mishandeld.

Voor de invoer van de vier partijen cocaïne van in totaal ruim 1.700 kilogram (feiten 3 tot en met 6) zou op zichzelf beschouwd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden passend zijn, gelet op de LOVS oriëntatiepunten en de ondersteunende rol van de verdachte in het geheel. De rechtbank ziet redenen om in het voordeel van de verdachte af te wijken van de oriëntatiepunten, gelet op de ouderdom van de bewezen feiten.

Verder is van belang dat de verdachte op 17 juni 2021 in België is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en een geldboete van € 32.000,- voor soortgelijke feiten. De rechtbank zal gelet hierop en gezien de overeenkomende aard van de feiten waarvoor de verdachte in België is veroordeeld, in strafmatigende zin rekening houden met deze veroordeling. Daarom vindt de rechtbank voor de feiten 3 tot en met 6 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden passend. Beperking van de gevangenisstraf tot twee jaar, zoals de verdediging heeft verzocht, doet onvoldoende recht aan de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden.

In totaal komt de rechtbank dan uit op een gevangenisstraf van 56 maanden met aftrek van voorarrest. De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 9 jaar vindt de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, te hoog. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

De gevorderde geldboete vindt de rechtbank niet op zijn plaats. De verklaring van de verdachte op de zitting biedt onvoldoende concrete handvatten om de hoogte van de verdiensten van de verdachte vast te kunnen stellen. Het bepalen van de hoogte van een daarop gebaseerde geldboete wordt daarmee in zekere zin willekeurig. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om naast een gevangenisstraf van langere duur, ook nog een geldboete op te leggen. Daarbij weegt ook mee dat de verdachte in zijn financiële positie is getroffen door de veroordeling in België, omdat hij daar wel is veroordeeld tot een geldboete. Ten slotte weegt hierbij mee dat de officier van justitie voor het afnemen van de criminele verdiensten een ontnemingsvordering kan indienen, omdat hij deze op de zitting heeft aangekondigd.

Met de officier van justitie ziet de rechtbank op dit moment geen noodzaak om aan de verdachte een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] op te leggen, gelet op de duur van de gevangenisstraf die de verdachte moet ondergaan. Indien nodig kan een contactverbod eventueel worden opgelegd als voorwaarde in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
<nr>6</nr>In beslag genomen voorwerpen 6.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen OMIX-telefoon wordt verbeurd verklaard en dat de crypto-ledger van het merk Nano S. wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende, omdat (nog) niet vastgesteld is dat de ledger van de verdachte is.
6.2.
Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om teruggave van de crypto-ledger van het merk Nano S aan de verdachte.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
6.3.1.
Teruggave

De rechtbank zal de teruggave van de in beslag genomen OMIX-telefoon (nummer 7) aan de verdachte gelasten, gelet op de vrijspraak van feit 2.

De rechtbank zal ook de teruggave van de in beslag genomen crypto-ledger van het merk Nano S (nummer 9) aan de verdachte gelasten. Deze crypto-ledger is in de woning van de verdachte aangetroffen. De officier van justitie heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de crypto-ledger niet zou toebehoren aan de verdachte.
<nr>7</nr>Vordering van de benadeelde partij 7.1.
Vordering [benadeelde]

heeft als benadeelde partij voor feit 1 schadevergoeding gevorderd. De vordering ziet op bedragen van € 6.505,- voor verhuiskosten, € 5.437,50 voor notariskosten, € 544,50 voor makelaarskosten en € 346,50 voor reiskosten, als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij is aangevoerd dat de benadeelde partij voor zijn huis is aangevallen en dat de daders zijn adres wisten, waardoor hij zich niet meer veilig voelde in zijn huis. Hij heeft het huis daarom in oktober 2021 in de verkoop gezet en in de zomer van 2022 is hij verhuisd. De hiermee samenhangende kosten zijn te zien als schade die in direct verband tot het strafbare feit staat. Ook heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel door het strafbare feit opgelopen en heeft hij geestelijke gevolgen door het strafbare feit ondervonden. Hij is uiteindelijk in augustus en september 2025 uitgevallen op zijn werk, waarna hij zich heeft gemeld voor therapie. Hij heeft psychologische hulp gekregen voor PTSS-klachten die zijn ontstaan door het strafbare feit. Het gevoel van veiligheid van de benadeelde partij is aangetast. Hij heeft de reiskosten moeten maken in verband met de therapiesessies. Ter onderbouwing van de vordering is namens de benadeelde partij gewezen op vergelijkbare zaken.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3.
Standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor de gevorderde reiskosten. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering van de met de verhuizing samenhangende kosten, omdat onvoldoende is gebleken van causaal verband tussen de verhuizing en het strafbare feit. Niet is gebleken dat de benadeelde partij zich uit angst voor de verdachte genoodzaakt zag om te verhuizen. Enerzijds omdat uit verschillende berichten en uitlatingen van de benadeelde partij blijkt dat hij niet bang was voor de verdachte. Anderzijds omdat er chatberichten in het dossier zitten dat de benadeelde partij al vóór het strafbare feit bezig was met de aankoop van een nieuwe woning, zodat de wens om te verhuizen er al was. De vordering tot vergoeding van immateriële schade is onvoldoende onderbouwd dan wel bovenmatig. De diagnose PTSS is niet bij de benadeelde partij gesteld. Dat de benadeelde klachten ervaart die passen bij PTSS kan niet worden gelijkgesteld met een vastgestelde stoornis. Daarnaast is in de strafzaken tegen twee andere verdachten een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- toegewezen, terwijl er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die rechtvaardigen dat de verdachte een hogere vergoeding dient te betalen. De vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RBLIM:2023:7380) waarnaar is verwezen, komt niet overeen met deze zaak. Verzocht wordt hoofdelijke veroordeling voor het immateriële deel van de vordering, zodat de verdachte deze schadevergoeding samen met de andere verdachten moet voldoen.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
7.4.1.
Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden bestaande uit reiskosten als gevolg van het onder 1 genoemde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering op dit punt niet betwist. De gevorderde reiskosten komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom voor dit deel toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 346,50 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade in de vorm van makelaars-, notaris en verhuiskosten. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij met argumenten betwist. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dus niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
7.4.2.
Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een hoofdwond. Voorts heeft het strafbare feit psychische gevolgen voor de benadeelde partij gehad.

Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.000,-. De benadeelde partij is door het handelen van de verdachte niet alleen aangetast in zijn lichamelijke integriteit, maar ook in zijn persoonlijke levenssfeer omdat het strafbare feit plaatsvond bij zijn woonadres. Voor wat betreft de aard en ernst van het letsel houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de overgelegde medische informatie volgt dat sprake is geweest van oppervlakkig letsel aan het hoofd en dat de verdachte gezondheidsproblemen heeft die vallen onder de noemer PTSS, waardoor de benadeelde partij in 2025 voor een periode van twee maanden is uitgevallen op het werk. Dat deze klachten enkele jaren na het incident (in ernstigere mate) aanwezig zijn, is, gezien het verloop van de strafzaak, begrijpelijk. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de begroting van de schade die de uitvoerders aan de benadeelde partij hebben moeten vergoeden. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

De verdachte heeft getracht anderen uit te lokken om de benadeelde partij zwaar te mishandelen. Daarmee heeft de verdachte zelf, dus los van aan die anderen te maken verwijten, onrechtmatig jegens de benadeelde partij gehandeld, zodat geen plaats is voor hoofdelijke veroordeling met de uitvoerders, zoals door de verdediging is verzocht.
7.4.3.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 15 april 2020, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden. Wat de reiskosten betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt vanaf 1 oktober 2025 gedurende een periode van 6 maanden, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode, te weten vanaf 1 januari 2026, zal worden toegewezen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 13 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
<nr>8</nr>Wettelijke voorschriften
De oplegging van de straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 46a, 47, 57 en 303 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
<nr>9</nr>Beslissingen
De rechtbank:

Voorvragen

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 primair, feit 3 primair, feit 4 primair, feit 5 primair en feit 6, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 56 (zesenvijftig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

In beslag genomen voorwerpen

beveelt de teruggave van de OMIX-telefoon (nummer 7) en de crypto-ledger van het merk Nano S. (nummer 9) aan de verdachte;

Vordering benadeelde partij [benadeelde]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] (feit 1 primair), te betalen een bedrag van € 1.346,50, bestaande uit € 346,50 als vergoeding van materiële schade en € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over het materiële schadebedrag vanaf 1 januari 2026 en de wettelijke rente over het immateriële schadebedrag vanaf 15 april 2020 tot de dag van volledige betaling;

wijst af de vordering van het resterende deel van de immateriële schade;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering van de materiële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 primair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat € 1.346,50 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade van € 346,50 vanaf 1 januari 2026 en de wettelijke rente over de immateriële schade van € 1.000,- vanaf 15 april 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 13 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
<nr>10</nr>Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.J. de Veld, voorzitter,

en mrs. M.K. Asscheman-Versluis en M.S. Polet, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 21 april 2026.

Mr. Polet is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Vonnis Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen 17 juni 2021, pagina 41 e.v. van het zaaksdossier [dossiernaam] .

HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:387, r.o. 3.3.1.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.

Artikel delen