Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBROT:2026:8940

Afstamming, omgang, informatie-en consultatieregeling. Belang van statusvoorlichting voor de minderjarige. De behandeling van de zaak is voor korte duur aangehouden om de vrouw in de gelegenheid te stellen voor 24 juni 2026 statusvoorlichting te geven aan de minderjarige.

Rechtbank Rotterdam 30 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBROT:2026:8940 text/xml public 2026-07-30T17:02:26 2026-07-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-18 C/10/605970 / FA RK 20-7956 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8940 text/html public 2026-07-30T17:01:14 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:8940 Rechtbank Rotterdam , 18-03-2026 / C/10/605970 / FA RK 20-7956
Afstamming, omgang, informatie-en consultatieregeling. Belang van statusvoorlichting voor de minderjarige. De behandeling van de zaak is voor korte duur aangehouden om de vrouw in de gelegenheid te stellen voor 24 juni 2026 statusvoorlichting te geven aan de minderjarige.
Rechtbank Rotterdam
Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/605970 / FA RK 20-7956

Beschikking van 18 maart 2026 over de omgangsregeling en de informatie- en consultatieregeling

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. M.A. Ossentjuk te Leiden,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht.

Deze zaak heeft betrekking op de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .

In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:

[naam 1] , advocaat te Rotterdam, hierna te noemen de bijzondere curator.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:

de beschikking van de beschikking van 5 december 2024;

de herstelbeschikking van 5 maart 2025;

het aanvullend verzoek van de man tot het treffen van voorlopige voorzieningen als in artikel 223 Rv, ingekomen op 18 december 2024;

het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht van 23 oktober 2025;

het bericht van de vrouw van 27 oktober 2025;

het bericht met bijlagen, tevens houdende aanvullende verzoeken, van de man van 18 november 2025;

het bericht van de vrouw van 14 januari 2026;

het bericht van de man van 15 januari 2026;

het verweerschrift van de vrouw tegen het verzoek om benoeming van een bijzondere curator, ingekomen op 27 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 2] .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.
<nr>2</nr>De (verder) vaststaande feiten 2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2021 is [naam 1] benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] , om de minderjarige te vertegenwoordigen en is de behandeling aangehouden in afwachting van het schriftelijk verslag van de bijzondere curator.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 juli 2021 is een deskundigenonderzoek, te weten een DNA-onderzoek, bevolen ter beantwoording van de vraag of de man de biologische vader van de minderjarige kan zijn en met welke mate van waarschijnlijkheid. De behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van het deskundigenbericht.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 30 november 2022 is:

de vrouw bevolen mee te werken aan het bij beschikking van 16 juli 2021 bevolen DNA-onderzoek;

de vrouw veroordeeld tot betaling van een dwangsom aan de man van € 250,- per dag, dat zij vanaf 15 december 2022 in gebreke blijft haar medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 15.000,-. Hierbij geldt dat op dagen waarop Verilabs gesloten is, geen dwangsommen worden verbeurd;

bepaald dat, indien de vrouw na het verbeuren van het maximum aan dwangsommen in gebreke blijft haar medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek, een dag na betekening van deze beschikking, ten aanzien van haar lijfsdwang kan worden toegepast, in eerste instantie voor een periode van maximaal 12 uren in de eerste week, 24 uren in de tweede week, 36 uren in de derde week, 48 uren in de vierde week, 60 uren in de vijfde week, 72 uren in de zesde week en verdere weken, totdat de vrouw haar medewerking heeft verleend aan het DNA-onderzoek.

De behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van het deskundigenbericht en bericht van partijen over de stand van zaken.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 januari 2023 is voormelde beschikking hersteld, waarbij onder meer is toegevoegd dat deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
2.5.
Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 31 maart 2023 is de onmiddellijke werking geschorst van voormelde beschikking van 30 november 2022, zoals hersteld bij beschikking van 16 januari 2023, totdat het hof heeft beslist in de hoofdzaak.
2.6.
Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 17 april 2024 is de beschikking van 30 november 2022 vernietigd, en opnieuw beschikkende, de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn aanvullend verzoek van 3 maart 2022.
2.7.
Bij beschikking van deze rechtbank van 5 december 2024:

is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van het ouderschap;

is de man vervangende toestemming verleend voor erkenning van de minderjarige;

is de vrouw veroordeeld de vrouw in de kosten van het deskundigenbericht, zijnde een bedrag van € 120,-, welk bedrag aan zij aan het Landelijk Diensten Centrum voor de Rechtspraak moet voldoen en waarvan zij op korte termijn een nota met de benodigde kenmerken zal ontvangen.

De raad is verzocht om onderzoek of andere bemoeienis over de omgangsregeling en de informatie- en consultatieregeling en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling en de informatie-en consultatieregeling is aangehouden.
2.8.
Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 11 juni 2025 is de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek te bepalen dat geen raadsonderzoek dient te worden gelast naar een omgangsregeling en een informatie-en consultatieregeling. De bestreden beschikking is bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
2.9.
De man heeft de minderjarige op 15 juli 2025 erkend.
<nr>3</nr>De verdere beoordeling 3.1.
Bijzondere curator
3.1.1.
In de beschikking van 5 december 2024 is onder 2.4.22. overwogen dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd, maar deze beslissing is niet opgenomen in het dictum. De rechtbank zal dit nu alsnog doen.
3.2.
Nog voorliggende verzoeken
3.2.1.
Ter beoordeling aan de rechtbank liggen nog voor de volgende verzoeken van de man in de bodemprocedure:

te bepalen dat de vrouw de man op de hoogte stelt omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige, door maandelijkse digitale toezending aan de man van een recente goedgelijkende kleurenfoto van de minderjarige alsook van een verslag van de ontwikkelingen van de minderjarige waaronder onder andere, doch niet uitsluitend, haar (op)groeien en haar gezondheid,

te bepalen dat de vrouw de man raadpleegt omtrent de gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige te nemen beslissingen; althans een zodanige informatie- en consultatieplicht aan de vrouw op te leggen als de rechtbank in het belang van de minderjarige acht;

te bepalen dat een omgangsregeling zal gelden, waarbij de man de minderjarige bij zich heeft één weekend in de twee weken van zaterdag 11:00 uur tot en met zondag 17:00 uur waarbij de vrouw de minderjarige op zaterdag naar de man brengt en de man de minderjarige op zondag naar de vrouw terugbrengt, althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank in het belang van de minderjarige acht;

een bijzondere curator te benoemen met de specifieke opdracht om namens [minderjarige] een dagvaardingsprocedure te starten (kort geding en/of bodemprocedure) waarin wordt gevorderd dat de vrouw dwangsommen verbeurt, dan wel lijfsdwang moet ondergaan, indien zij niet alsnog meewerkt aan haar door de rechtbank opgelegde verplichting om mee te werken aan DNA-onderzoek;

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.2.
Tevens is nog niet beslist op het verzoek van de man tot het treffen van voorlopige voorzieningen als in artikel 223 Rv. De man verzoekt om voorlopig, totdat in de bodemprocedure omtrent de door de man gevraagde omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] definitief is beslist:

1. te bepalen dat tussen de man en [minderjarige] een omgangsregeling zal gelden, inhoudende dat de man en [minderjarige] gedurende één uur per maand begeleide omgang met elkaar hebben onder onderstaande voorwaarden/bepalingen:

primair, onder de voorwaarde dat dit binnen een maand na de te geven beschikking kan worden gerealiseerd: onder begeleiding van een derde (zoals een omgangshuis) op een door een derde (bijvoorbeeld een omgangshuis) te bepalen locatie;

subsidiair: onder begeleiding van de vrouw in een van de restaurants van McDonald's;

meer subsidiair: onder begeleiding van een persoon/instantie door de rechtbank te bepalen, op een door de rechtbank te bepalen locatie;

2. te bepalen dat de vrouw een aan de man te betalen dwangsom verbeurt van € 10.000,- per keer (per dag) dat de vrouw niet meewerkt aan de door de rechtbank vastgestelde voorlopige omgangsregeling, dit met een maximum van € 250.000,-, danwel een zodanige dwangsom met een zodanig maximum als de rechtbank juist acht;

3. de in deze te geven beschikking zoveel mogelijk – gemotiveerd – uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.3.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.3.
Omgangsregeling
3.3.1.
Bij beschikking van 5 december 2024 is de raad verzocht onderzoek te doen naar de omgangsregeling en de informatie- en consultatieregeling.
3.3.2.
De raad kan nog geen antwoord geven op de vraag welke omgangsregeling het meest tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] , omdat zij niet weet wie haar vader is. Er zal eerst gestart moeten worden met statusvoorlichting. De raad vindt het belangrijk dat de vrouw zich aanmeldt bij een wijkteam, zodat het wijkteam de vrouw hierin kan ondersteunen. De raad adviseert het verzoek om vaststelling van een omgangsregeling aan te houden in afwachting van de statusvoorlichting. De raad heeft dit advies tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd en daarbij benadrukt dat het van essentieel belang is voor de minderjarige om te weten van wie zij afstamt. Op de suggestie van de man aan de raad om een ondertoezichtstelling te overwegen, heeft de raad geantwoord dat op dit moment niet te overwegen. Hoewel de raad alleen met de vrouw heeft gesproken en niet met school of de minderjarige zelf, ziet de raad op dit moment geen zorgen zijn over de ontwikkeling van de minderjarige.
3.3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is het advies van de raad uitgebreid met partijen besproken.
3.3.4.
De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de raad. Zoals besproken met partijen houdt de rechtbank de behandeling van de zaak aan tot een nadere mondelinge behandeling op 24 juni 2026 te 9.45 uur in afwachting van de door de vrouw te geven statusvoorlichting aan [minderjarige] .

Statusvoorlichting
3.3.5.
De rechtbank stelt de vrouw in staat om zich te richten op deze eerste stap en ervoor te zorgen dat zij [minderjarige] vóór de mondelinge behandeling van 24 juni 2026 statusvoorlichting heeft gegeven. De vrouw heeft bij monde van haar advocaat ingestemd met het advies van de raad dat gestart moet worden met statusvoorlichting voordat gesproken kan worden welke omgangsregeling het meest tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] . Daarnaar gevraagd heeft de vrouw zich expliciet gecommitteerd aan de opdracht van de rechtbank om [minderjarige] voor 24 juni 2026 statusvoorlichting te geven.

3.3.5.1. Aan deze beslissing legt de rechtbank ten grondslag dat zij het in het belang van de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] acht dat zij onbelast contact kan hebben met haar beide ouders. De man is door de erkenning van de man op 15 juli 2025 juridisch vader van [minderjarige] is geworden. Tussen partijen blijft door de weigerachtige houding van de vrouw onduidelijk of de man ook de biologische vader is. De minderjarige heeft het recht om te weten wie haar vader is. Artikel 7, eerste lid, van het Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK) geeft haar, onder meer, het recht haar ouders te kennen. Op grond van artikel 8 van het IVRK heeft een kind het recht om haar identiteit te kennen. Ook in Europese verdragen, zoals het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie erkennen dit als belangrijk recht voor de minderjarige.

3.3.5.2. Bij de statusvoorlichting gaat het er om dat [minderjarige] op de hoogte wordt gesteld wie haar biologische vader is. In dit verband is van belang dat de vrouw twee personen, waaronder de man, als mogelijke verwekker van [minderjarige] aanwijst, omdat zij in het conceptietijdvak met beiden seksueel verkeer heeft gehad. Dit standpunt van de vrouw is tot op heden niet gewijzigd. De vrouw heeft tot op heden niet meegewerkt aan DNA onderzoek, terwijl dat het aangewezen instrument is om te onderzoeken of de man de verwekker is van [minderjarige] . Dat de vrouw bang is voor het antwoord op dit DNA-onderzoek is onvoldoende om dit niet van de vrouw te kunnen verlangen gelet op het recht en belang van de minderjarige bij beantwoording van deze vraag. Partijen zijn in de beschikking van 5 december 2024 gewezen op artikel 198 lid 3 Rv waaruit volgt dat zij verplicht zijn mee te werken aan het deskundigenonderzoek. De rechter kan, wanneer aan deze verplichting niet wordt voldaan, daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.

3.3.5.3. De rechtbank gaat ervan uit dat de man de biologische vader is van [minderjarige] . De statusvoorlichting dient gericht te zijn op het vaderschap van de man in biologische in juridische zin. De rechtbank leidt dit af uit de weigerachtige houding van de vrouw en omdat de vrouw als enige de sleutel in handen heeft om deze bewijsvoering te leveren. Zolang de vrouw niet door DNA-onderzoek onderbouwt dat de man niet de biologische vader is, houdt de rechtbank het ervoor dat de man de biologische vader van [minderjarige] is.

3.3.5.4. De rechtbank is zich ervan bewust dat het geven van statusvoorlichting spanningsvol kan zijn voor de vrouw. Het is daarom van belang dat de vrouw zich hierbij laat ondersteunen door professionele hulpverlening. De raad adviseert de vrouw zich hiervoor te wenden tot een wijkteam. Zij kunnen de vrouw adviseren en begeleiden hoe zij [minderjarige] statusvoorlichting kan geven op een manier die past bij haar leeftijd en ontwikkelingsfase. Hoewel de rechtbank het biologisch vaderschap van de man aanneemt, zal statusvoorlichting ook voor de man spanningsvol zijn omdat de man, door de stellingen van de vrouw, vertwijfeld blijft over zijn vaderschap en zijn vurige wens een vader voor [minderjarige] te mogen zijn.

Aanhouding
3.3.6.
Door aanhouding van de verzoeken wil de rechtbank vinger aan de pols houden om verdere vertraging van de procedure te voorkomen. Uit de mondelinge behandeling blijkt dat deze langlopende juridische strijd een zware (emotionele) wissel trekt op alle betrokkenen. De rechtbank heeft primair het belang van de minderjarige voor ogen. Niet onbesproken mag blijven welke impact dit alles heeft op de ontwikkeling van de minderjarige. [minderjarige] is op dit moment zes jaar oud en bevindt zich in een cruciale fase van haar identiteitsontwikkeling. Tot op de dag van vandaag weet [minderjarige] niet wie haar biologische vader is, laat staan dat zij de mogelijkheid heeft om hem te ontmoeten, te leren kennen, boos op hem te zijn, vragen te stellen en hem eventueel een rol in haar leven te laten spelen. [minderjarige] krijgt niet de mogelijkheid om het andere deel van haar identiteit vorm te geven. Feit van algemene bekendheid is dat hoe langer een minderjarige in onwetendheid wordt gelaten over diens afstamming, hoe schadelijker dit is voor de identiteitsontwikkeling. De rechtbank kan op basis van hetgeen hiervoor is overwogen over het vaderschap van de man vergaande juridische beslissingen nemen over [minderjarige] . In het uiterste geval kan dit volgens vaste jurisprudentie zelfs leiden tot kinderbeschermingsmaatregelen om tegemoet te komen aan het fundamentele recht van een minderjarige om te weten van wie zij afstamt en verdere ontwikkelingsschade te voorkomen. Zover is het volgens de raad nu nog niet, maar tegen de achtergrond van deze langdurige juridische strijd, acht de rechtbank het belangrijk dat de vrouw zich bewust is van de impact dat het in stand houden van deze situatie heeft of kan hebben op de ontwikkeling van de minderjarige. Zoals gezegd: alleen de vrouw heeft de sleutel in handen om deze situatie te doorbreken.
3.4.
Overige verzoeken
3.4.1.
Uit het voorgaande volgt dat het van belang is dat de vrouw zich eerst richt op het geven van statusvoorlichting aan de minderjarige. Tijdens de nadere mondelinge behandeling zal vervolgens met partijen verder worden gesproken over de nog voorliggende verzoeken, waaronder het introduceren van de man in het leven van de minderjarige. Ook zal dan worden gesproken over de informatie-en consultatieregeling. De rechtbank acht het niet opportuun om daarover nu een beslissing te nemen. Tot slot ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding een bijzondere curator te benoemen. Met het oog op mogelijk contact en de rol die een bijzondere curator daarin zou kunnen spelen, houdt de rechtbank dit verzoek aan.
3.5.
Proceskosten
3.5.1.
Omdat nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
<nr>4</nr>De beslissing
De rechtbank:
4.1.
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van de datum van deze beschikking als beëindigd;

voordat verder wordt beslist:
4.2.
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling van 24 juni 2026 te 9.45 uur;
4.3.
de zaak zal op laatstgenoemde mondelinge behandeling, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. S. Wierink, rechter tevens kinderrechter;
4.4.
bepaalt dat een kopie van de beschikking geldt als oproep voor de partijen, hun advocaat en de raad voor de kinderbescherming.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Wierink, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K. Willems, griffier, op 18 maart 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Artikel delen