ECLI:NL:RBZWB:2026:3457
Bestuursverbod, 106a Fw.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 May 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBZWB:2026:3457
text/xml
public
2026-05-27T08:56:27
2026-04-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-22
C/02/421689 / HA ZA 24-204 (E)
Uitspraak
Bodemzaak
NL
Breda
Civiel recht; Insolventierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3457
text/html
public
2026-05-27T08:56:10
2026-05-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:3457 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-04-2026 / C/02/421689 / HA ZA 24-204 (E)
Bestuursverbod, 106a Fw.
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/421689 / HA ZA 24-204
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
MR. [curator], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [eisende partij] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. D.T.M. Daamen,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,3. [gedaagde 3],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] ,
advocaat: mr. J.P.M. Dexters.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 24 december 2025 en de daarin genoemde stukken;
– de zienswijze van [gedaagde 2] namens [bedrijf] B.V.;– de akte van de curator;– de akte van [gedaagde partijen]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij bovengenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank [bedrijf] B.V. overeenkomstig artikel 106c lid 2 Fw in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze te geven op het door de curator gevorderde bestuursverbod en de mogelijke gevolgen daarvan. [bedrijf] B.V. heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt. Partijen hebben bij akte op de zienswijze gereageerd.
2.2.
[bedrijf] B.V., in de persoon van haar bestuurder [gedaagde 2] , heeft de rechtbank primair verzocht om het bestuursverbod af te wijzen en subsidiair om het bestuursverbod te beperken tot maximaal één jaar. Zij wijst er op dat zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 3] en [gedaagde 1] sinds 2020 tot en met juli 2028 in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister zijn opgenomen. Daarmee is feitelijk sprake van een uitsluiting van deelname aan het financiële systeem. Deze registratie is in feitelijke zin aanzienlijk zwaarder en verstrekkender dan een civielrechtelijk bestuursverbod en daarmee wordt het beschermingsdoel van het civielrechtelijk bestuursverbod al gerealiseerd. Het daarnaast opleggen van een bestuursverbod leidt tot een feitelijke uitsluiting van deelname aan het economisch verkeer van in totaal circa 13 jaar. Het opleggen van een civielrechtelijk bestuursverbod is volgens [bedrijf] B.V. niet proportioneel en niet noodzakelijk.
2.3.
[gedaagde partijen] sluiten zich aan bij de zienswijze van [bedrijf] B.V. Daarnaast stellen [gedaagde partijen] dat de curator niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet is gebleken dat dat de curator beschikt over een specifieke machtiging van de rechter-commissaris. Verder wijzen [gedaagde partijen] er op dat het opleggen van een bestuursverbod geen automatisme is, maar een discretionaire bevoegdheid. Volgens hen heeft de curator materieel geen gronden aangevoerd die een bestuursverbod kunnen dragen. Toekomstige fraude is niet te verwachten. [gedaagde 1] vervult ook al geruime tijd geen bestuurdersrol meer binnen het zorgdomein. Subsidiair vragen [gedaagde partijen] om het bestuursverbod voorwaardelijk op te leggen en meer subsidiair stellen zij zich op het standpunt dat een duur van vijf jaar disproportioneel is.
2.4.
De curator stelt zich op het standpunt dat een bestuursverbod gelet op de ernst van het vastgestelde onbehoorlijke bestuur passend is. Voor het overige refereert de curator zich aan het oordeel van de rechtbank.
2.5.
Het verweer van [gedaagde partijen] dat de curator niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van een specifieke machtiging slaagt niet. In randnummer 103 van de dagvaarding stelt de curator dat de rechter-commissaris hem een machtiging heeft verleend voor het aanhangig maken van deze procedure. Deze machtiging omvat naar het oordeel van de rechtbank ook de door de curator ingestelde vorderingen, waaronder het gevorderde bestuursverbod. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het ontbreken van een machtiging niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, gelet op artikel 72 Fw.
2.6.
De rechtbank kan op verzoek van de curator een bestuursverbod opleggen aan een bestuurder die – zoals in het onderhavige geval – op grond van onbehoorlijk bestuur aansprakelijk is voor het tekort van de boedel. [gedaagde partijen] stelt terecht dat het opleggen van een bestuursverbod geen automatisme is, maar een discretionaire bevoegdheid van de rechter. De in de aanhef van artikel 106a lid 1 Fw opgenomen zinsnede “kan de rechtbank een bestuursverbod uitspreken” laat de rechter de ruimte om alle omstandigheden van het geval mee te wegen. Ter onderbouwing van het gevorderde bestuursverbod, heeft de curator verwezen naar de door hem aangevoerde materiële gronden voor de aansprakelijkheid van de bestuurders wegens onbehoorlijk bestuur. Volgens de curator zijn de bestuurders aansprakelijk omdat [eisende partij] meer zorg heeft gedeclareerd dan er daadwerkelijk aan zorg is geleverd.
2.7.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat [eisende partij] meer zorg heeft gedeclareerd dan er daadwerkelijk aan zorg is geleverd. Dit levert zorgfraude op, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot het faillissement van [eisende partij] . Door dit faillissement is een groot aantal crediteuren benadeeld. De rechtbank acht het handelen van de [gedaagde partijen] als bestuurders van [eisende partij] dermate ernstig verwijtbaar, dat het opleggen van een bestuursverbod voor de duur van vijf jaar gerechtvaardigd is. Zorgfraude is een ernstige vorm van fraude die niet alleen aanzienlijke financiële gevolgen heeft, waaronder stijgende zorgkosten en daarmee stijgende zorgpremies, maar ook gevolgen heeft voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg. Daar komt bij dat de bestuurders door hun handelen het vertrouwen hebben beschaamd van hun cliënten, die voor hun zorg afhankelijk zijn van de diensten van [eisende partij] .
2.8.
In het feit dat [gedaagde partijen] ook zijn opgenomen in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister ziet de rechtbank geen aanleiding om geen bestuursverbod meer op te leggen. Registratie in een Incidentenregister vindt plaats wanneer mensen misbruik maken van financiële instellingen, waaronder banken en verzekeraars. Een Incidentenregister wordt door individuele financiële instellingen bijgehouden. Aan de Incidentenregisters is een Extern Verwijzingsregister gekoppeld waarin alleen verwijzingsgegevens zijn opgenomen afkomstig van de desbetreffende financiële instellingen. Het bijhouden van een Incidentenregister en een Extern Verwijzingsregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en integriteit van de financiële sector en het voorkomen en bestrijden van misbruik van het financiële stelsel. Het Extern Verwijzingsregister is alleen bestemd voor gebruik door (de organisaties van) de deelnemers aan dit register. Het civielrechtelijk bestuursverbod heeft tot doel om faillissementsfraude en onregelmatigheden in of rondom een faillissement effectiever te kunnen bestrijden en om te voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten via allerlei omwegen en met nieuwe rechtspersonen ongehinderd kunnen voortzetten. Om dit doel te kunnen bereiken heeft het bestuursverbod onder andere tot gevolg dat de bestuurder niet langer zijn taak als bestuurder kan uitoefenen bij de failliete rechtspersoon en eventuele andere rechtspersonen waar hij bestuurder van is. Ook kan de betrokken bestuurder niet opnieuw tot bestuurder of commissaris worden benoemd voor de duur van het opgelegde verbod. Doordat het bestuursverbod wordt geregistreerd in het Handelsregister is het eenvoudig vast te stellen of een (rechts)persoon een bestuursverbod heeft. Een eventuele inschrijving in het Handelsregister van de betrokkene als bestuurder zal worden geweigerd. Daarnaast kan hij ook niet in een akte van oprichting als bestuurder worden benoemd. Gelet op het verschil in doelstelling en de ruimere mogelijkheden om toegang te krijgen tot de registratie in het Handelsregister, is de rechtbank van oordeel dat het civielrechtelijk bestuursverbod ten aanzien van het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister een belangrijke toegevoegde waarde heeft.
2.9.
Het bestuursverbod zal worden opgelegd aan [gedaagde 1] op grond van artikel 106a lid 1 Fw, aan [gedaagde 2] op grond van artikel 106a lid 2 Fw en aan [gedaagde 3] als feitelijk beleidsbepaler op grond van artikel 106d lid 1 Fw. Uit artikel 106b lid 6 Fw volgt dat het bestuursverbod niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.
2.10.
Het bestuursverbod zal op grond van artikel 106a lid 1 onder a en artikel 106b lid 1 Fw pas ingaan op het moment dat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Zodra deze uitspraak onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank de griffier opdragen deze uitspraak met bekwame spoed naar de Kamer van Koophandel te sturen, zodat die kan overgaan tot registratie van het bestuursverbod. Om de griffier hiertoe in staat te stellen, ligt het op de weg van de curator om de rechtbank schriftelijk te informeren over het moment waarop het vonnis onherroepelijk is geworden.
2.11.
De curator vordert [gedaagde partijen] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 1.195,61 voor kosten deurwaardersexploten, € 320,00 voor griffierecht en € 4.631,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 4.631,00), totaal € 6.146,61.
2.12.
[gedaagde partijen] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
140,92
- griffierecht
€
2.306,00
- salaris advocaat
€
11.577,50
(2,5 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
14.213,42
2.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.14.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden in het faillissement van [eisende partij] voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan,
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk tot betaling van het boedeltekort, op te maken bij staat,
3.3.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk tot betaling van een voorschot op de veroordeling onder 3.2 ter hoogte van € 400.000,00,
3.4.
legt aan [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] een bestuursverbod op als bedoeld in 106a Fw voor de duur van vijf jaar vanaf de dag dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan,
3.5.
draagt de griffier op grond van artikel 106b lid 3 Fw op om deze uitspraak zodra deze onherroepelijk is geworden, met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel te sturen, zodat die kan overgaan tot uitschrijving van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als bestuurder uit het Handelregister en tot registratie van het bestuursverbod gedurende de duur waarvoor het is opgelegd, te weten: vijf jaar vanaf het moment dat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan,
3.6.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 6.146,61, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
3.7.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de proceskosten van € 14.213,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.8.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2, 3.3, 3.6, 3.7 en 3.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, onder de voorwaarde dat de curator zekerheid stelt tot een bedrag van € 400.000,00 door het stellen ten gunste van [gedaagde partijen] van een bankgarantie overeenkomstig het NVB-model,
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans, mr. Luijks en mr. Vogelzang en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
Zie ook HR 19 maart 1936, ECLI:NL:HR:1936:173, NJ 1936/447.