Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 May 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:3681
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-05-2026
Datum publicatie
22-05-2026
Zaaknummer
C/02/445113 / JE RK 26-266
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
ECLI:NL:RBZWB:2026:3681text/xmlpublic2026-05-22T09:00:182026-05-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-04-02C/02/445113 / JE RK 26-266UitspraakBeschikkingNLBredaCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3681text/htmlpublic2026-05-22T08:59:542026-05-22Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:3681 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-04-2026 / C/02/445113 / JE RK 26-266 Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/445113 / JE RK 26-266
Datum uitspraak: 2 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] . 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 februari 2026; de brief van de GI van 12 maart 2026, met bijlagen. 1.2. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. 2De feiten2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij beschikking van 27 maart 2025 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 6 april 2025 tot 6 april 2026. 2.3. Op grond van die machtiging verblijft [minderjarige] sinds kort op een woongroep van [accommodatie] . 3Het verzoek3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De beoordeling4.1. Bij brieven/digitaal bericht van 9 maart 2026 zijn de vader, de moeder en de GI voor de behandeling van het verzoek opgeroepen voor de zitting met gesloten deuren op
24 maart 2026. 4.2. Bij voormelde brief van 12 maart 2026 heeft de GI verzocht om de verzoeken schriftelijk af te doen. De GI stelt daartoe dat op het moment van de zitting met beide ouders en de hulpverlening een evaluatie plaatsvindt. Daarnaast hebben beide ouders aangegeven akkoord te zijn met de verzoeken. [minderjarige] heeft bij de GI aangegeven dat hij wel graag gebruik wil maken van het kindgesprek. 4.3. Gelet op de overgelegde stukken stelt de kinderrechter vast dat beide ouders het eens zijn met het verzoek van de GI en dat zij een behandeling van het verzoek ter zitting niet nodig vinden. Zoals hiervoor onder 1.2. is opgenomen heeft [minderjarige] een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige] heeft goed uitgelegd hoe het met hem gaat en wat belangrijk is voor hem. Dat vindt de kinderrechter erg knap van [minderjarige] .
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de zaak verder schriftelijk afdoen. 4.4. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 4.5. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] ontwikkelde zich positief. In de afgelopen periode is hierin echter een stagnerend beeld zichtbaar. Er is bij [minderjarige] sprake van oplopende spanningen en provocerend gedrag met soms fysieke escalaties. Hij wordt sneller overspoeld door negatieve emoties die hij niet kan reguleren en hij herkent grenzen van zichzelf en anderen niet goed. [minderjarige] lijkt veel boosheid en verdriet te ervaren. Er zijn conflicten met groepsgenoten en hij doet ongepaste uitspraken. [minderjarige] laat veel weerstand zien richting begeleiding. De fors ingezette extra begeleidingsuren zijn niet toereikend om zijn ontwikkeling positief te keren. Daarbij komt dat de terugkeer van broertjes [persoon 1] en [persoon 2] thuis bij de moeder veel invloed heeft gehad op [minderjarige] . Hij is veel gaan nadenken over (onverwerkte) zaken uit het verleden. Traumabehandeling is op dit moment nog niet haalbaar vanwege de instabiele situatie. Tot die tijd heeft [minderjarige] gesprekken met een psycholoog.
Sinds enkele maanden is [minderjarige] gestart met antidepressiva. Recent heeft hij een suïcidale uitspraak gedaan en hierbij een mes gepakt. Hij zit echter op de maximale dosering waardoor de medicatie niet kan worden aangepast.
Ondanks de zorgen die er nu zijn zet [minderjarige] ook positieve stappen. Zo is hij het contact met zijn moeder en broertjes weer aan het opbouwen. 4.6. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. [minderjarige] is zeer kwetsbaar. De kinderrechter deelt met de GI de zorgen over de gemoedstoestand en de recente suïcidale uitspraak van [minderjarige] . Het is van belang dat hiervoor ruim aandacht is. Zolang nog niet ingezet kan worden op traumabehandeling dienen de gesprekken met een psycholoog te worden voortgezet en dient er zicht te blijven bestaan op de medicatie.
Er moet daarnaast duidelijkheid komen over het woonperspectief van [minderjarige] . De zeer recente verhuizing naar [accommodatie] is volgens [minderjarige] goed verlopen. Ook is tijdens het gesprek met de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] een goede klik heeft met zijn nieuwe begeleider. Toch is het van groot belang dat er aandacht is voor de mogelijke impact die de verhuizing op [minderjarige] heeft. Ook blijft ondersteuning nodig voor [minderjarige] en de moeder in hun complexe relatie. Voor de vader is regievoering nodig om zich aan gemaakte afspraken rondom de omgang te houden. 4.7. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, zoals verzocht. 4.8. Ook is de kinderrechter van oordeel, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter wenst [minderjarige] veel succes op zijn nieuwe woonplek. 4.9. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 5De beslissing De kinderrechter: 5.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 6 april 2026 tot 6 april 2027; 5.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 april 2026 tot 6 april 2027; 5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026, in aanwezigheid van Dekkers als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.