Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:3685

Kort geding, voorlopige zorgregeling

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:3685 text/xml public 2026-05-22T08:58:48 2026-05-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-02 C/02/444790 / KG ZA 26-63 Uitspraak Kort geding NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3685 text/html public 2026-05-22T08:58:18 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3685 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-04-2026 / C/02/444790 / KG ZA 26-63
Kort geding, voorlopige zorgregeling

vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

zaaknummer: C/02/444790 / KG ZA 26-63

Vonnis in kort geding van 2 april 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

wonende te [plaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. B. Krijnen te Waalwijk,

tegen

[vrouw] ,

hierna te noemen de man

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: mr. R. Joosen te Oosterhout.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting op 18 maart 2026 zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Partijen zijn op [datum 1] 2018 te [plaats 2] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 2] 2023 is het geregistreerd partnerschap tussen partijen ontbonden.
2.2.
Uit dit geregistreerd partnerschap zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2018;

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2019;

- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2022.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.4.
De minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.5.
Bij de voorgenoemde beschikking van deze rechtbank d.d. [datum 2] 2023 is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en het ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. In het ouderschapsplan zijn partijen de navolgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeengekomen:

- De kinderen zullen een weekend per 14 dagen van vrijdag uit school/opvang tot zondag 18.00 uur bij de vader zijn;

- [minderjarige 1] zal iedere zaterdag van 11.00 uur tot 18.00 uur bij de vader zijn;

- De zomervakantie wordt 50/50 verdeeld: in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste drie weken bij de moeder en in de even jaren de laatste drie weken;

- De overige vakanties worden in beginsel ook 50/50 in onderling overleg verdeeld en worden afgestemd op de werksituatie van beide ouders;

- Eerste kerstdag zullen de kinderen altijd bij de vader zijn en tweede kerstdag steeds bij de moeder;

- De kinderen zullen beide paasdagen bij de moeder zijn;

- De overige feestdagen worden in onderling overleg verdeeld;

- Sinterklaas wordt in beginsel samen met de kinderen gevierd, tenzij in onderling overleg iets anders wordt afgesproken;

- De verjaardagen van de kinderen worden in beginsel ook samen met de kinderen gevierd, tenzij in onderling overleg iets anders wordt afgesproken;

- Vaderdag zijn de kinderen bij de vader

- Moederdag zijn de kinderen bij de moeder

- in ieder geval zolang de moeder geen eigen auto heeft, zal de vader de kinderen ophalen en weer terugbrengen,
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 10 juli 2025 zijn partijen doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod (hierna UHA). Tevens is bepaald dat de man en de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar als volgt:

- in de zomervakantie, vanaf het weekend van 5 juli 2025, zullen de kinderen de eerste drie weken bij de vrouw verblijven. De drie daaropvolgende weken verblijven de kinderen bij de man;

- de man laat de maandag vóór het weekend dat de kinderen bij de man zijn weten waar de man dat weekend zal verblijven met de kinderen, namelijk bij zijn moeder of bij zijn oma;

- in het weekend dat de kinderen bij de man zijn worden de kinderen gedoucht, trekken de kinderen schone kleding aan, poetsen zij hun tanden en slapen zij in een eigen bed;

- de man draagt er tijdens de weekenden dat [minderjarige 1] bij hem is zorg voor dat [minderjarige 1] op de juiste manier zijn medicatie inneemt;

- de ouders overleggen om de week op woensdagochtend om 10 uur telefonisch over de kinderen en wat er bij hen speelt;

- in de vakantie is [minderjarige 1] in de weken dat [minderjarige 1] bij de moeder is, namelijk de eerste drie weken van de zomervakantie, niet op de zaterdagen bij de man.
2.7.
Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 23 oktober 2025 is, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de man zijn op 15 oktober 2025 van 11.00 uur tot 18.00 uur. Daarnaast is bepaald dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de kerstvakantie bij de man zullen zijn:

- vanaf maandag 22 december 2025, 10.00 uur tot vrijdag 26 december 2025, 10.00 uur;

- op zaterdag 27 december 2025 vanaf 10.00 uur tot zondag 28 december 2025, 18.00 uur;

- op woensdag 31 december 2025 vanaf 10.00 uur tot donderdag 1 januari 2026, 11.00 uur;

Tevens is de man veroordeeld om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,- voor

iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de voorgenoemde regelingen voldoet, en bepaalt dat in totaal maximaal € 5.000,- aan dwangsommen kan worden verbeurd.
2.8.
Op 12 maart 2025 heeft de vrouw een bodemprocedure aanhangig gemaakt, bekend onder zaaknummer C/02/433095 / FA RK 25-1368), strekkende tot wijziging van de zorgregeling. Partijen zijn in deze bodemprocedure bij beschikking van 10 juli 2025 doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod (UHA).
<nr>3</nr>Het geschil in conventie en reconventie
Standpunt van de vrouw
3.1.
De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen, zoals opgenomen in het door partijen op 15 mei 2023 ondertekende ouderschapsplan en welke deel uitmaakt van de beschikking van deze rechtbank van [datum 2] 2023, inhoudende een weekend per veertien

dagen van vrijdag uit school/opvang tot zondag 18:00 uur en voor [minderjarige 1] iedere zaterdag van 11:00 uur tot 18:00 uur, wordt geschorst in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure;

II. althans een zodanige voorziening te treffen die U als Voorzieningenrechter redelijk en

juist acht.
3.2.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. In de bodemprocedure zijn partijen doorverwezen naar het UHA en is een voorlopige zorgregeling vastgesteld. Toch is er discussie ontstaan over de zomervakantie, waarna de man de kinderen niet is komen halen. Na de zomervakantie is de voorlopige zorgregeling hervat. Er zijn met het Team Coördinatie en Veiligheid aanvullende afspraken vastgesteld tussen partijen. De man kwam deze afspraken niet na. Ook heeft de man het vonnis van 23 oktober 2025 niet nageleefd en heeft de dwangsom geen effect gehad. Via het UHA zijn partijen een traject gestart bij [hulpverlening] . Dit traject had vertraging opgelopen, doordat de man afspraken had afgezegd. De vrouw weet nog steeds regelmatig niet waar de man verblijft. Ook schort het nog aan de verzorging en hygiëne van de kinderen en krijgt zij kleding niet terug. De kleding die zij wel terugkrijgt is zo vies, dat zij de indruk heeft dat de kinderen deze het hele weekend dragen, inclusief het ondergoed. Daarnaast lopen de overdrachtsmomenten regelmatig uit de hand.
3.2.
Op 1 februari 2026 is de situatie geëscaleerd tussen partijen. De kinderen verbleven bij de man en de man zou de bril van [minderjarige 2] zijn vergeten, waardoor hij te laat zou zijn voor de overdracht. De vrouw is toen enorm boos geworden, waarop de moeder van de vrouw de politie heeft gebeld uit angst dat de overdracht uit de hand zou lopen. De man is samen met de kinderen weggereden vanuit de straat van de vrouw, nadat hem geadviseerd was door het crisisteam om de kinderen een nacht langer bij hem te laten blijven. De volgende dag waren de kinderen niet op school, hoewel de hulpverlening had aangegeven dat de man de kinderen naar school moest brengen. De man heeft dit niet gedaan. Toen de vrouw de kinderen ophaalde, zagen zij er niet verzorgd uit. Ook had [minderjarige 2] haar bril gewoon op, wat de vrouw doet afvragen of de bril überhaupt kwijt was. Verder zegt de man dat de vieze kleding/onderbroekjes van [minderjarige 3] te maken hebben met haar zindelijkheidstraining. Maar [minderjarige 3] is al zindelijk, dus is het zorgelijk dat zij dat bij de man niet zou zijn.
3.3.
Op 4 februari 2026 heeft de vrouw kenbaar gemaakt dat zij de contactregeling per direct zal schorsen. Het lukt de man niet om zich aan afspraken te houden en de vrouw trekt dat niet meer. De situatie doet veel met de kinderen en een contactregeling tussen de man en de kinderen is schadelijk. De kinderen zijn uit hun doen, nadat zij contact hebben gehad met de man. [minderjarige 1] heeft een ASS, een verstandelijke beperking, een ontwikkelingsachterstand en ADHD. De man geeft de medicatie daarvoor niet altijd. Het is niet in het belang van [minderjarige 1] dat de man telkens veranderingen aanbrengt in de gemaakte afspraken. Ook willen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] regelmatig niet naar de man. De kinderen vroegen zich telkens af of de man wel zou komen. Het spoedeisend belang is dat de vrouw het niet verantwoord acht om de zorgregeling voort te zetten. Momenteel is het een stuk rustiger voor de kinderen en voor de vrouw. De afgelopen periode wilde de man niet bellen met de kinderen. Wel wilde hij de kinderen zien met zijn verjaardag. De vrouw heeft verder geen enkel vertrouwen meer in het UHA. [hulpverlening] geeft aan dat er niet aan de doelen van de hulpverlening kan worden gewerkt, omdat er veel spanning en onrust is binnen het gezin. Ook is er geen zicht op de mogelijkheden van de man. De vrouw acht daarom een onderzoek door de Raad passend. Indien het contact tussen de man en de kinderen moet worden hervat, is de oplegging van een dwangsom aan de vrouw niet nodig, omdat zij heeft laten zien dat zij altijd meewerkt.

Standpunt van de man
3.3.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.
3.4.
In reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

II. de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorg- en contactregeling zoals is neergelegd in het door partijen overeengekomen ouderschapsplan van 15 mei 2023, hetgeen

onderdeel uitmaakt van de beschikking van [datum 2] 2023 , dan wel een regeling zoals uw rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen, met onmiddellijke ingang;

III. zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat de vrouw weigert de hiervoor bedoelde zorgregeling op de bepaalde dagen na te komen, dit

met een maximum aan eventueel te verbeuren dwangsommen van € 10.000,-;

IV. zulks met machtiging aan de man om het in dezen te wijzen vonnis ten uitvoer te leggen

met behulp van de sterke arm, nadat de vrouw in gebreke blijft om aan het in dezen te

wijzen vonnis te voldoen.
3.5.
De man vordert in conventie en in reconventie de vrouw te veroordelen in alle kosten van dit geding.
3.6.
Ter onderbouwing van zijn verweer en vorderingen voert de man, kort samengevat, het navolgende aan. De man heeft nog steeds geen vaste woon- of verblijfplaats. Voorafgaand aan het laatste omgangsweekend is de man de reguliere omgangsmomenten nagekomen en zijn de momenten goed verlopen. Wegens problemen in de communicatie tussen partijen is er met Oud en Nieuw geen omgang geweest. Op 1 februari 2026 is de situatie geëscaleerd. De vrouw is zo boos geworden dat de moeder van de vrouw de politie heeft ingeschakeld. De man werd bij de woning van de vrouw tegengehouden door de politie. De kinderen hebben dat meegekregen. Na overleg met de politie is besloten dat de man voor de rust de kinderen mee terug zou nemen naar de vakantiewoning waar zij dat weekend hadden verbleven. Zo kon de man de bril van [minderjarige 2] opnieuw gaan zoeken. Verder zou er overlegd worden met [hulpverlening] . De man heeft dit zo gedaan. De man verzorgt de kinderen verder zo goed als mogelijk, maar mogelijk kan de betrokken hulpverlening hulp bieden. De man is bezig met het zindelijk maken van [minderjarige 3] . Ook krijgt de man de kleding niet tijdig gewassen om de kleding aan de vrouw mee te geven. Wel heeft hij eigen setjes kleding die de kinderen bij hem dragen. Het lukt partijen verder niet om met elkaar te communiceren over de kinderen.
3.7.
De vrouw heeft sinds 3 februari de zorgregeling eenzijdig stopgezet. Op 14 februari 2026 heeft de man met [minderjarige 1] gebeld, waarbij de vrouw dingen influisterde bij [minderjarige 1] . Verder heeft de man [minderjarige 1] en [minderjarige 3] enkel nog gezien op zijn verjaardag. De vrouw dient zich te houden aan de afspraken uit het ouderschapsplan. Volgens de man is geen sprake van een ontzeggingsgrond ex art. 1:377a lid 3 BW en is er geen sprake van contra-indicaties. Het kan daarom niet zo zijn dat de zorgregeling voor onbepaalde tijd wordt opgeschort door de vrouw. De hulpverlening heeft niet geconstateerd dat sprake is van een onveilige situatie bij de man. De man heeft verder zijn medewerking verleend aan het traject bij het UHA. De man is van mening dat partijen gebaat zijn bij het traject en dat partijen het nog een kans moeten geven, omdat er tot nu toe enkel individuele gesprekken hebben plaatsgevonden. Mogelijk dient een ondertoezichtstelling van de kinderen overwogen te worden, nu de vrouw niet mee wil werken aan het UHA. De man vindt echter dat een onderzoek door de Raad niet kan worden afgewacht, omdat de wachttijden voor een onderzoek door de Raad momenteel zes tot negen maanden bedragen. De man wil dat de omgang zo snel mogelijk wordt hervat, indien nodig met begeleiding, bijvoorbeeld door de moeder van de vrouw. Vanwege de moeizame verhouding tussen partijen en een zo spoedig mogelijke hervatting van de omgang, zal er een dwangsom aan de vrouw moeten worden opgelegd. Het is namelijk de vraag of de vrouw zal meewerken aan de uitvoering van de zorgregeling. Het spoedeisend belang is dat de man de kinderen al enige tijd niet heeft gezien, omdat de vrouw niet meewerkt aan de uitvoering van de zorgregeling. Verder trekt de man de vordering onder IV in.
3.8.
Op de overige stellingen van partijen en het advies van de Raad wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling in conventie en in reconventie
Spoedeisend belang
4.1.
In kort geding is het uitgangspunt dat de zorgregeling die de rechtbank bij beschikking van [datum 2] 2023 heeft vastgesteld moet worden nagekomen. Partijen hebben zich in beginsel aan die zorgregeling te houden, waarbij alleen wijzigingen in onderling overleg mogelijk zijn waarover zij het eens zijn. Dit is slechts anders als zwaarwegende belangen van de kinderen zich daartegen verzetten. Uitgangspunt is verder dat het in het belang van de kinderen is dat er naast contact met de vrouw ook contact met de man is. Het spoedeisend belang is gegeven, nu de vrouw stelt dat de vastgestelde zorgregeling niet langer in het belang van de kinderen is en geschorst moet worden.

Standpunt van de Raad
4.2.
Namens de Raad is samengevat naar voren gebracht dat de Raad geen onderzoek zal doen zonder een negatieve terugkoppeling vanuit het UHA. Op dit moment zal de Raad deze casus bij een negatieve terugkoppeling teruggeven aan [hulpverlening] , omdat de Raad geen zicht heeft op wat er tot nu toe is ingezet vanuit het UHA. Er zal daarom veel tijd verloren gaan indien partijen zich nu niet meer inzetten voor de hulpverlening vanuit het UHA en de Raad acht dit niet in het belang van de kinderen. Partijen dienen daarom aan de slag te gaan met de hulpverlening vanuit het UHA. De Raad acht het in het belang van de kinderen om via het UHA te kijken hoe het contact tussen de man en de kinderen kan worden hersteld. Daarbij adviseert de Raad om de zorgregeling te wijzigen in die zin dat de kinderen een keer in de twee weken in het weekend van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen haalt en brengt. Verder dienen er afspraken gemaakt te worden tussen partijen en dienen partijen zich daar beide aan te houden. Zo dienen de vrouw en de kinderen van tevoren te weten waar de man gaat verblijven met de kinderen. Indien de man op de maandag vóór het weekend dat de kinderen bij de man zijn niet vóór 18.00 uur heeft laten weten waar de man dat weekend zal verblijven met de kinderen, zal de omgang dat weekend niet plaatsvinden. Indien de man de kinderen te laat terugbrengt, gaat de omgang het volgende weekend niet door.

(Voorlopige) zorgregeling
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Gebleken is dat er sprake is van wantrouwen tussen partijen en dat het hen niet lukt om goed met elkaar te communiceren in het belang van de kinderen. De voorzieningenrechter kan zich voortsellen dat de spanningen tussen partijen, waaronder het incident in februari 2026, impact hebben gehad op de kinderen. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet het stopzetten van het contact tussen de man en de kinderen. De voorzieningenrechter acht het daarom van belang dat het contact tussen de man en de kinderen wordt hersteld. Daarbij acht de voorzieningenrechter het van belang om duidelijke afspraken vast te leggen in de beschikking, zodat voor beide partijen duidelijk is wanneer er contact zal zijn en wanneer niet. De voorzieningenrechter stelt vast dat de vader nu al meerdere keren is aangesproken op het niet voldoende verzorgen van de kinderen en het toedienen van medicatie. Dit is nog altijd niet voldoende op orde. Daarin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de contactregeling te beperken tot één dag in de twee weken. Wanneer de kinderen niet bij de man overnachten, hoeft hij minder te doen voor de verzorging, zodat eventuele tekortkomingen minder groot zullen zijn. Wel hebben de kinderen en de man dan nog steeds contact. Verder volgt de voorzieningenrechter hierbij het advies van de Raad waar het gaat om het vaststellen van strakke, duidelijke afspraken. Dit leidt tot de volgende regeling:

De kinderen en de man hebben voorlopig contact één keer per twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt en weer terugbrengt;

De man dient uiterlijk maandag om 18:00 uur vóór het contactmoment op zaterdag aan de vrouw te laten weten wat hij die dag zal gaan doen met de kinderen en waar zij zullen verblijven;

Als de man niet op tijd laat weten wat hij zal gaan doen en waar zij zullen verblijven, gaat het contactmoment niet door;

Als de man de kinderen te laat ophaalt, gaat het contactmoment niet door;

Als de man de kinderen te laat terugbrengt, gaat het contactmoment twee weken later niet door.

Dit zijn strenge regels, in het belang van de kinderen. Het is aan de man om zijn betrouwbaarheid hierin te tonen.
4.4.
Verder acht de voorzieningenrechter het van belang dat partijen zich blijven inzetten voor de hulpverlening vanuit het UHA, gelet op wat de Raad daarover naar voren heeft gebracht tijdens de zitting. Indien de vrouw niet langer zal meewerken aan de hulpverlening vanuit het UHA, bestaat de kans dat partijen vervolgens alsnog worden terugverwezen naar de hulpverlening vanuit het UHA, waardoor er kostbare tijd verloren gaat. Hetzelfde geldt in het geval de man toch afspraken niet na zou komen met de hulpverlening. Dit acht de voorzieningenrechter niet in het belang van de kinderen. Daarnaast dienen partijen verdere onderlinge afspraken te maken via de hulpverlening, waaronder over hoe het contact tussen de man en de kinderen verder zal verlopen.

Dwangsom
4.5.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom aan de vrouw en zal deze vordering van de man daarom afwijzen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de ouders zich beiden zullen houden aan de voorlopige regeling.
4.6.
Tevens zal de voorzieningenrechter de vordering van de man onder IV afwijzen, nu deze vordering tijdens de zitting is ingetrokken en er daardoor geen belang meer is bij een beoordeling van deze vordering.

Proceskosten
4.7.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.8.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
bepaalt dat de man en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar als volgt:

De kinderen en de man hebben voorlopig contact één keer per twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt en weer terugbrengt;

De man dient uiterlijk maandag om 18:00 uur vóór het contactmoment op zaterdag aan de vrouw te laten weten wat hij die dag zal gaan doen met de kinderen en waar zij zullen verblijven;

Als de man niet op tijd laat weten wat hij zal gaan doen en waar zij zullen verblijven, gaat het contactmoment niet door;

Als de man de kinderen te laat ophaalt, gaat het contactmoment niet door;

Als de man de kinderen te laat terugbrengt, gaat het contactmoment twee weken later niet door.
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot als griffier.




Artikel delen