Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:4331

Proces-verbaal mondelinge uitspraak in procedure tot het treffen van een voorlopige voorziening naar aanleiding van een door het college verleende omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Verzoekster heeft in de gronden onder andere gewezen op de vaste rechtspraak van de AbRS over de beoordeling van bouwplannen als geheel. Een bouwplan kan alleen gesplitst worden beoordeeld als het bestaat ...

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:4331 text/xml public 2026-05-28T18:00:36 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-11 BRE 26/469, 26/470 en 26/1905 Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4331 text/html public 2026-05-27T14:24:10 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4331 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-05-2026 / BRE 26/469, 26/470 en 26/1905
Proces-verbaal mondelinge uitspraak in procedure tot het treffen van een voorlopige voorziening naar aanleiding van een door het college verleende omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Verzoekster heeft in de gronden onder andere gewezen op de vaste rechtspraak van de AbRS over de beoordeling van bouwplannen als geheel. Een bouwplan kan alleen gesplitst worden beoordeeld als het bestaat uit onderdelen die in functioneel en bouwkundige opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden. Partijen zijn het er over eens dat dit niet het geval is. Uitgaand van een beoordeling van het bouwplan als een geheel is het bouwplan in strijd met het omgevingsplan. De omgevingsvergunning had dan ook niet vergund kunnen worden. Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter herroept de verleende omgevingsvergunning. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 26/469, 26/470 en 26/1905
<?linebreak?>proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
<?linebreak?> [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,
gemachtigde: mr. J.H.D. Elings,

en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, college.
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghouders] uit [woonplaats] , vergunninghouders,

gemachtigde: mr. drs. C.R. Jansen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de aan vergunninghouders verleende omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit aan de [adres] te [woonplaats] (perceel).
1.1.
Vergunninghouders hebben op 1 september 2025 en 11 september 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd voor respectievelijk een technische bouwactiviteit en een omgevingsplanactiviteit voor een uitbreiding van de woning op het perceel (opa). Het college heeft bij besluiten van 7 oktober 2025 de aangevraagde omgevingsvergunningen verleend. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen beide verleende omgevingsvergunningen. Gedurende de bezwaarschriftprocedure heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Voordat dit verzoek op zitting behandeld werd, heeft het college het bestreden besluit van

12 maart 2026 op het bezwaar van verzoekster genomen. In het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en heeft het college de verleende omgevingsvergunningen in stand gelaten. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb heeft de voorzieningenrechter verzoekster in de gelegenheid gesteld om beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Dat heeft verzoekster ook gedaan; het in bezwaar ingediende verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening is daarmee van rechtswege gelijkgesteld aan een in beroep ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouders hebben ook schriftelijk gereageerd.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Verzoekster en haar gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen. Het college is vertegenwoordigd door mr. S.N. van den Heijkant en mr. R.S. Vonk. Ook vergunninghouders hebben aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door hun gemachtigde.
1.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekster daartegen.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoekster heeft tijdens de zitting het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit (BRE 26/469) ingetrokken. De voorzieningenrechter beoordeelt dan ook alleen of het college op goede gronden in het bestreden besluit de verleende opa in stand heeft gelaten. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van verzoekster.

3. De voorzieningenrechter heeft tijdens de zitting mondeling uitspraak gedaan en het beroep gegrond verklaard en de verzochte voorlopige voorziening (BRE 26/470) afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4. Op het perceel is het Omgevingsplan gemeente Tilburg (omgevingsplan) van toepassing. Op grond van artikel 2.4 in samenhang met artikel 22.1, sub a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, sub g, van de Invoeringswet Omgevingswet is het tot 1 januari 2024 geldende bestemmingsplan (bestemmingsplan ‘Oude Stad Zuidwest 2016’ (bestemmingsplan) onderdeel van het omgevingsplan. Op het perceel rust onder andere de bestemming ‘Wonen’.
4.1.
De voorzieningenrechter maakt uit het dossier op dat de opa inhoudt dat de huidige woning op het perceel – het hoofdgebouw – aan de achterkant tot aan de grens van het bouwvlak wordt uitgebreid met twee bouwlagen. De keuken komt aan de achterzijde van de woning, tegen het einde van het bouwvlak, en loopt door in de op het erf te realiseren uitbreiding van de woning. De uitbreiding betreft een aanbouw van één bouwlaag met aansluitend daaraan de realisatie van een pergola. Ter zitting hebben alle partijen aangegeven dat er bouwkundig en functioneel sprake is van één geheel.
4.2.
Verzoekster heeft in de gronden onder andere gewezen op de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) over de beoordeling van bouwplannen als een geheel. De rechtbank verwijst voor deze procedure naar de uitspraak van de AbRS van 2 april 2025, waarin de AbRS heeft overwogen dat splitsing van een bouwplan dat uit verschillende onderdelen bestaat in beginsel niet mogelijk is. Het bouwplan moet als één geheel worden beschouwd en kan alleen worden gesplitst indien het bestaat uit onderdelen die in functioneel én bouwkundig opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden. Deze voorwaarden gelden cumulatief.
4.3.
Het college heeft tijdens de zitting deze rechtspraak bevestigd, maar aangegeven dat het college er in de beoordeling vanuit is gegaan dat zowel de uitbreiding van het hoofdgebouw als de aanbouw mogelijk zijn als deze na elkaar worden gebouwd. Daarom vindt het college dat de verlening van de opa op deze wijze mogelijk is. Het college erkent ook dat er in deze kwestie sprake is van één aanvraag en dat – als de uitbreiding van het hoofdgebouw en de aanbouw tezamen als een geheel worden beoordeeld – het bouwplan in strijd is met het omgevingsplan.
4.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de opa niet op de juiste manier beoordeeld. Uitgaande van een beoordeling van het bouwplan als één geheel is het bouwplan in strijd met het omgevingsplan, zoals ook door het college is erkend. De opa had dan ook niet als zodanig vergund kunnen worden en er is dan ook geen sprake van een gebonden beschikking.
4.5.
Aan het bestreden besluit heeft het college onder andere ten grondslag gelegd dat de opa welstandsvrij is. Die veronderstelling is gebaseerd op de toegepaste gesplitste beoordeling van de aanvraag en de conclusie dat de opa aan het omgevingsplan voldoet. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de toegepaste splitsing en de daarop gebaseerde conclusie geen stand kunnen houden. Als het college het bouwplan in afwijking van het omgevingsplan wil vergunnen, zal het college alsnog moeten beoordelen of dit aan de welstandseisen voldoet. Het college heeft tijdens de zitting ook aangegeven dit in dat geval te zullen doen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond omdat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat het bouwplan past in het omgevingsplan door dit in onderdelen te splitsen. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om ook de verleende opa te herroepen. Omdat het beroep gegrond is en de voorzieningenrechter de opa heeft herroepen, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Aan vergunninghouders is tijdens de zitting aangegeven dat zij de achterkant van woning met zeil wind- en waterdicht mogen maken, maar dat zij verder geen gebruik meer mogen maken van de opa. Omdat de voorzieningenrechter deze heeft herroepen, dient het college alsnog een besluit op de aanvraag te nemen. Het college dient hierbij de in de wet opgenomen termijnen in acht te nemen.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet college het griffierecht aan verzoekster vergoeden en krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag per proceshandeling vergoed. Verzoekster heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,00. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. Omdat de zaak een neutraal gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1,0 toegepast. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,00.

Voor het indienen van het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening kent de voorzieningenrechter geen proceskostenvergoeding of griffierecht toe, omdat dit verzoek wordt afgewezen vanwege de uitspraak op het beroep.

6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de bij besluit van 7 oktober 2025 verleende opa;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening (BRE 26/470) af;

- bepaalt dat college het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt college tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026 door mr. T.I. van Term, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Artikel 16 van het bestemmingsplan.

AbRS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1446.

Artikel delen