Gemengde overeenkomst; koop en plaatsing veranda; non-conformiteit; vervangende schadevergoeding
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:4851
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-06-2026
Datum publicatie
25-06-2026
Zaaknummer
11811107 CV EXPL 25-2476 (E)
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
ECLI:NL:RBZWB:2026:4851text/xmlpublic2026-06-25T15:02:422026-06-01Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-03-1111811107 CV EXPL 25-2476 (E)UitspraakBodemzaakNLBergen op ZoomCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4851text/htmlpublic2026-06-25T12:32:442026-06-25Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:4851 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-03-2026 / 11811107 CV EXPL 25-2476 (E) Gemengde overeenkomst; koop en plaatsing veranda; non-conformiteit; vervangende schadevergoeding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom zaak/rolnr.: 11811107 / CV EXPL 25-2476 vonnis d.d. 11 maart 2026 in de zaak van
[eisende partij]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., tegen
[gedaagde partij] B.V.,
gevestigd te Roosendaal ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon. 1De procedure1.1. De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. de dagvaarding van 23 mei 2025 met producties;
b. de conclusie van antwoord met producties;
c. het tussenvonnis van 23 juli 2025;
d. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de mondelinge behandeling van
12 februari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten2.1. Partijen hebben op 6 maart 2021 een overeenkomst gesloten voor de plaatsing van een veranda in de achtertuin van [eisende partij] voor € 5.000,00. 2.2.
[eisende partij] heeft op 11 mei 2021 een aantal gebreken aan [gedaagde partij] gemeld. In de periode tussen mei en december 2021 is [gedaagde partij] drie keer langs geweest om herstelwerkzaamheden uit te voeren en heeft [eisende partij] herhaaldelijk om herstel gevraagd. Op 8 december 2021 heeft de gemachtigde van [eisende partij] een ingebrekestelling gestuurd met het verzoek het werk te herstellen. Door [gedaagde partij] zijn de op dat moment openstaande punten op 14 december 2021 hersteld. 2.3. Er hebben zich sinds begin 2024 nieuwe gebreken voorgedaan. Er zijn sindsdien een aantal keer werknemers van [gedaagde partij] langs geweest. 2.4. De gemachtigde van [eisende partij] heeft op 7 augustus 2024 een aangetekende brief en e-mail naar [gedaagde partij] gestuurd met het verzoek om de gebreken binnen 21 dagen te herstellen. [gedaagde partij] heeft hier niet op gereageerd. 2.5.
[eisende partij] heeft een deskundige, [deskundige] , ingeschakeld om vast te stellen of er sprake is van een gebrek en om een kostenraming te maken. [deskundige] heeft op 27 september 2024 een onderzoek uitgevoerd en daarvan is op 14 november 2024 een rapport opgesteld. De totale herstelkosten zijn beraamd op € 13.991,68 inclusief BTW vanwege gebreken aan de fundering, beschadigingen aan de sandwichpanelen, lekkage door het kitwerk en ondeugdelijke afdichting van de polycarbonaat ramen. 2.6. Op 18 november 2024 heeft de gemachtigde van [eisende partij] een e-mailbericht en aangetekende brief naar [gedaagde partij] gestuurd waarin de vordering tot nakoming wordt omgezet naar een vordering van vervangende schadevergoeding. 3Het geschil3.1.
[eisende partij] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van:
Primair:
1. € 20.658,88, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2024 of vanaf de dag van de dagvaarding;
Subsidiair:
2. € 13.991,68, € 13.991,68, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2024 of vanaf de dag van de dagvaarding;
en zowel primair als subsidiair: 3. € 1.815,00, € 1.815,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;
3. € 1.815,00, de buitengerechtelijke kosten. 3.2.
[eisende partij] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen zoals deze voortvloeien uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. De tekortkoming van [gedaagde partij] bestaat uit het niet of op een gebrekkige wijze uitvoeren van de verschillende werkzaamheden ter realisatie van de veranda. Hierdoor is ook aanvullende schade ontstaan. Uit het deskundigenrapport volgt dat de (herstel)werkzaamheden door [gedaagde partij] gebrekkig zijn uitgevoerd. Uit de foto’s die bij het rapport zijn gevoegd en uit het feit dat de veranda (grotendeels) moet worden afgebroken om vervolgens op een deugdelijke manier te worden opgebouwd, volgt dat de door [eisende partij] geleden schade een direct gevolg is van de tekortkoming van [gedaagde partij] . [gedaagde partij] is daar volgens [eisende partij] aansprakelijk voor en [eisende partij] vordert een vervangende schadevergoeding. 3.3.
[gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vordering. Zij stelt zich op het standpunt dat de veranda naar behoren en volgens de geldende montagevoorschriften binnen de branche is gemonteerd en dat [gedaagde partij] meerdere malen bij [eisende partij] op locatie is geweest voor controle en herstel. Daarbij is de funderingsbalk op uitdrukkelijk verzoek van [eisende partij] direct op zandgrond geplaatst. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] vooraf gewezen op de risico’s hiervan. Ook zijn volgens [gedaagde partij] de verzochte herstelkosten disproportioneel. 4De beoordeling Tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst 4.1. In het rapport van [deskundige] van 14 november 2024 is vastgesteld dat er meerdere gebreken zijn. [deskundige] heeft geconstateerd dat er verzakking is van de fundering, beschadigingen van de sandwichpanelen, lekkage doordat het kitwerk ten onrechte aan de binnenkant is aangebracht en ondeugdelijke afdichting van de polycarbonaat ramen. Het betoog van [gedaagde partij] dat zij de veranda naar behoren en volgens de geldende montagevoorschriften binnen de branche heeft gemonteerd, is niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een tegenrapport waaruit blijkt dat de conclusies van het rapport van [deskundige] onjuist zijn. 4.2. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde partij] een beroep doet op haar waarschuwingsplicht. [gedaagde partij] heeft in haar conclusie van antwoord naar voren gebracht dat het feit dat de funderingsbalk direct op de zandgrond is geplaatst, gedaan is op uitdrukkelijk verzoek van [eisende partij] en dat [gedaagde partij] [eisende partij] vooraf heeft gewezen op de risico’s hiervan. [gedaagde partij] heeft die stelling niet onderbouwd, terwijl [eisende partij] tijdens de mondelinge behandeling heeft betwist dat zij de funderingsbalk graag op deze manier geplaatst wilde zien. Ook heeft zij betwist dat [gedaagde partij] heeft gewezen op eventuele risico’s vanwege deze wijze van plaatsing. Gelet op deze betwisting had het op de weg van [gedaagde partij] gelegen om haar stelling nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Daarmee is niet komen vast te staan dat [gedaagde partij] [eisende partij] heeft gewaarschuwd voor het feit dat de ondergrond ongeschikt was om daarop de funderingsbalk te plaatsen. [gedaagde partij] ’s beroep op de waarschuwingsplicht slaagt dus niet. 4.3. Het voorgaande betekent dat [gedaagde partij] het rapport van [deskundige] , en daarmee ook de onderbouwde stelling van [eisende partij] dat sprake is van gebrekkige werkzaamheden ten aanzien van de veranda, onvoldoende heeft weersproken. De kantonrechter gaat dan ook uit van de conclusies uit het rapport van [deskundige] . Vastgesteld wordt dan ook dat [gedaagde partij] ondeugdelijk werk heeft geleverd en tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst met [eisende partij] . Vervangende schadevergoeding 4.4. Dat [gedaagde partij] tekort is geschoten brengt in beginsel met zich dat [eisende partij] aanspraak kan maken op herstel. [eisende partij] vordert echter geen herstel, maar een vervangende schadevergoeding. De tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [gedaagde partij] is in dit geval niet blijvend onmogelijk en dat betekent dat de verbintenis tot nakoming alleen omgezet kan worden in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding wanneer [gedaagde partij] in verzuim is. Vast staat dat [gedaagde partij] bij brief van de gemachtigde van [eisende partij] van 7 augustus 2024 in gebreke is gesteld en een redelijke termijn heeft gekregen van 21 dagen om tot herstel over te gaan en dat daarop niet is gereageerd. [gedaagde partij] is hierdoor op 28 augustus 2024 in verzuim geraakt. Vervolgens heeft [eisende partij] de verbintenis omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding en daartoe was zij ook gerechtigd. [gedaagde partij] moet de door [eisende partij] geleden schade dan ook vergoeden. 4.5.
[eisende partij] heeft drie offertes voor de werkzaamheden aan de veranda overgelegd, namelijk de factuur van [bedrijf 1] ter hoogte van € 18.375,00, de factuur van [bedrijf 2] ter hoogte van € 17.655,95 en de factuur van [bedrijf 3] ter hoogte van
€ 15.823,00. [eisende partij] vordert primair een schadevergoeding gelijk aan de duurste offerte, omdat zij het beste gevoel heeft bij dat bedrijf. Er is echter niet gesteld of gebleken dat aansluiten bij de goedkoopste offerte niet zal leiden tot deugdelijk herstel. De kantonrechter is daarom van oordeel dat er bij het vaststellen van de hoogte van de herstelkosten van de veranda aansluiting gezocht moet worden bij de offerte van [bedrijf 3] voor het bedrag van € 15.823,00. Voorts heeft [eisende partij] gesteld dat het nodig is voor het herstel van de veranda om opnieuw te bestraten aangezien [gedaagde partij] betontegels eruit heeft gehaald en deze betontegels door de verplaatsing van de funderingsbalk niet teruggeplaatst kunnen worden. Dit heeft [gedaagde partij] niet betwist. De hoogte van de gevorderde bestratingskosten is volgens een overgelegde offerte een bedrag van € 2.283,88. De hoogte van deze schade heeft [gedaagde partij] ook niet betwist. 4.6. De stelling van [gedaagde partij] dat de herstelkosten die door [eisende partij] zijn gevorderd disproportioneel zijn, is door [gedaagde partij] niet nader onderbouwd. Er zijn door [gedaagde partij] geen stukken ingebracht waaruit blijkt dat de door [eisende partij] genoemde bedragen buitensporig zijn en het voorgestelde herstel onnodig. De kantonrechter gaat in verband met de onvoldoende gemotiveerde betwisting uit van de juistheid van de offertes en wijst een bedrag van (€ 15.823,00 + € 2.283,88 =) € 18.106,88 toe aan vervangende schadevergoeding. [gedaagde partij] moet ook de wettelijke rente over dit bedrag betalen. Deskundigenkosten 4.7.
[eisende partij] heeft deskundigenkosten gemaakt en gevorderd. Volgens de wet komen redelijke kosten die gemaakt zijn om de schade en aansprakelijkheid vast te stellen, voor vergoeding in aanmerking. De kosten voor het deskundigenrapport van [deskundige] zijn door [eisende partij] in redelijkheid gemaakt. De kantonrechter wijst het gevorderde bedrag van € 1.815,00 toe. [gedaagde partij] moet ook de wettelijke rente over dit bedrag betalen. Buitengerechtelijke incassokosten 4.8. De vordering van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft gesteld dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden, maar zij heeft het bedrag dat zij vordert aan incassokosten niet vermeld in de dagvaarding. De vordering is als onvoldoende bepaald dan ook niet toewijsbaar. Proceskosten 4.9.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden vastgesteld op: - dagvaarding € 147,92
- nakosten € 144,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.887,92 5De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 19.921,88, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over:
- het bedrag van € 18.106,88 aan schadevergoeding, met ingang van 28 augustus 2024,
- het bedrag van € 1.815,00 aan deskundigenkosten, met ingang van 23 mei 2025,telkens tot de dag van volledige betaling; 5.2. veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de proceskosten van € 1.887,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde partij] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde partij] ook de kosten van betekening betalen; 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.