Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:4995

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:4995 text/xml public 2026-07-02T15:00:46 2026-06-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-08 C/02/446874 / JE RK 26-605 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4995 text/html public 2026-07-02T14:49:36 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4995 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-05-2026 / C/02/446874 / JE RK 26-605
Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummers: C/02/446874 / JE RK 26-605

C/02/447593 / JE RK 26-723

Datum uitspraak: 8 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te Etten-Leur,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. N. van Vliet uit Breda.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 april 2026.

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 april 2026;

de op 4 mei 2026 ontvangen stukken van de advocaat van de vader.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI.

De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 mei 2025 [minderjarige]

onder toezicht gesteld tot 13 mei 2026. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter ook een

machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot

13 februari 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 februari 2026 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 13 mei 2026.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
<nr>4</nr>De standpunten 4.1.
De GI heeft ter toelichting op het verzoek naar voren gebracht dat het perspectief van [minderjarige] is gelegen in het pleeggezin. De kinderrechter heeft deze beslissing getoetst. [minderjarige] is een jonge jongen die zich goed ontwikkelt in het pleeggezin. In dit pleeggezin wordt hem een warme en liefdevolle opvoedingsomgeving geboden. De ouders van [minderjarige] zijn niet in staat om voor [minderjarige] te zorgen. De moeder kampt met verslavingsproblematiek en het gaat niet goed met haar. Zij is eind februari van dit jaar haar woning kwijtgeraakt. Nadat zij in de daklozenopvang heeft verbleven, is zij gedetineerd geraakt. Er zijn veel zorgen over de situatie van de moeder. Ook komt zij de afspraken met betrekking tot het bezoek aan [minderjarige] niet na. De GI heeft momenteel alleen met de begeleiding van de moeder contact, maar niet met haar zelf. Ten aanzien van de vader heeft de GI aangegeven dat hij zich momenteel meewerkend opstelt. Er zijn afspraken gemaakt dat de GI de vader eenmaal per zes weken informatie over [minderjarige] zal toesturen. Het is voor de vader momenteel niet geheel duidelijk wat hij wel en wat hij niet kan doen. De GI hoopt door de vader te faciliteren dat hij ook een actievere houding kan aannemen ten aanzien van [minderjarige] . De contactmomenten tussen [minderjarige] en zijn vader zijn de laatste drie keer goed gegaan. Voor die tijd kwam de vader onverwacht vast te zitten in detentie. Ook in het verleden is vaker sprake geweest van een terugval. Als de situatie van de vader verder stabiliseert dan kan worden gekeken naar de contactregeling. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat zijn ouders beschikbaar zijn en blijven voor hem.
4.2.
Door en namens de vader is aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen toewijzing van de verzoeken van de GI. De vader wil daarbij wel benoemen dat de GI geen informatie met hem heeft gedeeld en ook niet in de stukken over de medische situatie van de pleegvader. Als gevolg van de medische toestand van de pleegvader neemt de pleegmoeder in de praktijk alle zorgtaken van [minderjarige] op zich. De vader had van de GI verwacht dat zij hem hierover zouden informeren. Hij heeft verder aangegeven dat hij hard werkt aan zijn eigen situatie. Hij staat open voor hulpverlening. Er is bewind en begeleiding door de reclassering. Op dit moment is het vinden van een woning prioriteit voor de vader. Hij wil graag een rol in het leven van [minderjarige] hebben en ter ondersteuning zijn van de pleegmoeder als zijn situatie verder stabiliseert. Ook hoopt hij dat de contacten met [minderjarige] uitgebreid kunnen worden. De vader is bereid om de resultaten van urinecontroles met de GI te delen als dit nodig is om te komen tot uitbreiding van de contacten.
<nr>5</nr>De beoordeling 5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) is voldaan. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) is voldaan.
5.2.
De kinderrechter overweegt dat de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] zoals deze zijn genoemd in de beschikkingen van 9 mei 2025 en 17 februari 2026 nog steeds aanwezig zijn. Bij de moeder is nog steeds sprake van middelengebruik en haar situatie is zeer zorgelijk. Zij heeft geen vaste woon- en verblijfplaats en zij leidt momenteel een zwervend bestaan. De moeder is niet in contact met de GI. Zij is ook niet in staat om de verantwoordelijkheid als ouder op zich te nemen en op die wijze een rol in het leven van [minderjarige] te vervullen. Ook de vader kampt met persoonlijke problematiek. Hij werkt hard om zijn leven verder op orde te krijgen en werkt momenteel mee met de hulpverlening. Hoewel gezien wordt dat de vader zich inzet om zijn leven op orde te krijgen, is deze ontwikkeling nog redelijk pril en heeft hij kort geleden nog in detentie gezeten. Voor [minderjarige] is het vooral van belang dat de vader de afspraken met betrekking tot de contactregeling zal blijven nakomen. Zoals eerder door de kinderrechter is geoordeeld, ligt het perspectief van [minderjarige] niet meer bij zijn ouders, maar in het pleeggezin. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin en daar wordt hem een veilige opvoedingssituatie geboden. Nu het perspectief van [minderjarige] is bepaald, is het van belang dat de ouders een goede plek krijgen in het leven van [minderjarige] . De kinderrechter onderschrijft dan ook het belang van het contact van [minderjarige] met zijn vader. Om dit contact veilig en voorspelbaar te laten verlopen is het dan ook van belang dat de vader laat zien dat zijn situatie verder stabiliseert en hij betrouwbaar is in het nakomen van de afspraken.
5.3.
Gelet op deze omstandigheden is het niet mogelijk om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen met vrijwillige hulpverlening. Het kader van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk om de hulpverlening en de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin te waarborgen.
5.4.
Nu aan de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan zullen deze maatregelen worden verlengd voor de duur van een jaar.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>6</nr>De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 13 mei 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 13 mei 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Boink als griffier, en op schrift gesteld op 22 mei 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel delen