Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:5041

Het gaat in deze zaak om een dakrenovatie. Bij verwijdering van alle dakpannen bleek het dakbeschot rot en opdrachtnemer heeft een meerwerkofferte verstrekt voor nieuw dakbeschot. Opdrachtgever is daarmee akkoord gegaan. Opdrachtgever laat de gevorderde meerwerkfactuur onbetaald en voert primair aan dat zij de meerwerkfactuur niet verschuldigd is omdat opdrachtnemer niet aan zijn waarschuwingsp...

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:5041 text/xml public 2026-07-02T12:00:26 2026-06-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-13 11513399 CV EXPL 25-503 Uitspraak Bodemzaak NL Tilburg Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5041 text/html public 2026-07-02T12:00:20 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:5041 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-05-2026 / 11513399 CV EXPL 25-503
Het gaat in deze zaak om een dakrenovatie. Bij verwijdering van alle dakpannen bleek het dakbeschot rot en opdrachtnemer heeft een meerwerkofferte verstrekt voor nieuw dakbeschot. Opdrachtgever is daarmee akkoord gegaan. Opdrachtgever laat de gevorderde meerwerkfactuur onbetaald en voert primair aan dat zij de meerwerkfactuur niet verschuldigd is omdat opdrachtnemer niet aan zijn waarschuwingsplicht heeft voldaan. Subsidiair voert opdrachtgever aan dat de meerwerkovereenkomst is gesloten onder misbruik van omstandigheden en dat daarom de gevolgen van de meerwerkovereenkomst dienen te worden gewijzigd. Daarnaast beroept opdrachtgever zich op verrekening met door opdrachtnemer veroorzaakte schade. De kantonrechter oordeelt dat het subsidiaire verweer slaagt en stelt voor het meerwerk een redelijke prijs vast. Na verrekening met schade is de vordering van opdrachtnemer teniet gegaan.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 11513399 CV EXPL 25-503

Vonnis van 13 mei 2026

in de zaak van

[opdrachtnemer] H.O.D.N. [bedrijf],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie,verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [opdrachtnemer] ,

gemachtigde: [gemachtigde] , vader van [opdrachtnemer] ,

tegen

[opdrachtgever] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,eiseres in reconventie,

hierna te noemen: [opdrachtgever] ,

procederend in persoon.
<nr>1</nr>De zaak in het kort 1.1.
Het gaat in deze zaak om een door [opdrachtnemer] verrichte renovatie van het dak van [opdrachtgever] . Bij verwijdering van alle dakpannen bleek [opdrachtnemer] dat het dakbeschot rot was en [opdrachtnemer] heeft voor plaatsing van nieuw dakbeschot over het oude dakbeschot een meerwerkofferte verstrekt waarmee [opdrachtgever] akkoord is gegaan. [opdrachtgever] voert als verweer primair aan dat zij de meerwerkfactuur niet verschuldigd is omdat [opdrachtnemer] niet aan zijn waarschuwingsplicht heeft voldaan. Subsidiair voert [opdrachtgever] aan dat de meerwerkovereenkomst is gesloten onder misbruik van omstandigheden door [opdrachtnemer] en dat daarom de gevolgen van de meerwerkovereenkomst dienen te worden gewijzigd. Daarnaast beroept [opdrachtgever] zich op verrekening met door [opdrachtnemer] veroorzaakte schade.
1.2.
De kantonrechter oordeelt dat het subsidiaire verweer van [opdrachtgever] slaagt en stelt voor het meerwerk een redelijke prijs vast. Na verrekening van de nog openstaande aanneemsom met de door [opdrachtnemer] verschuldigde schadevergoeding is de vordering in conventie teniet gegaan. De vordering in conventie wordt daarom afgewezen. In reconventie wordt een bedrag aan schadevergoeding toegewezen.
<nr>2</nr>De procedure 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 september 2025 en de daarin genoemde processtukken;

- de door [opdrachtnemer] ingediende conclusie van dupliek in reconventie met producties;

- de mondelinge behandeling van 26 maart 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>3</nr>De verdere beoordeling in conventie
Aanneemsom
3.1.
[opdrachtnemer] heeft ter zitting erkend dat hij voor het verrichten van een dakrenovatie en nokrenovatie met isolatiefolie een bedrag van totaal € 15.000,00 inclusief btw met [opdrachtgever] overeen is gekomen. De kantonrechter zal dan ook uitgaan van die aanneemsom.

Meerwerk
3.2.
In geschil is tussen partijen of [opdrachtgever] de overeengekomen meerwerkprijs van € 8.651,50 inclusief btw voor vervanging van het dakbeschot verschuldigd is. [opdrachtgever] betwist dit namelijk en zij beroept zich erop dat [opdrachtnemer] zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden bij het verstrekken van de offerte dan wel misbruik van omstandigheden heeft gemaakt bij de meerwerkofferte.

Waarschuwingsplicht geschonden ?
3.3.
[opdrachtgever] voert aan dat [opdrachtnemer] bij het verstrekken van de offerte op 8 augustus 2024 had moeten waarschuwen voor mogelijk meerwerk van het dakbeschot en als professionele partij een grondige inspectie had moeten doen voorafgaand aan de werkzaamheden. [opdrachtnemer] betwist dat hij bij de offerte had moeten waarschuwen omdat hij bij de inspectie met een ladder niet alle dakpannen had verwijderd en pas na verwijdering van alle dakpannen zichtbaar was dat het dakbeschot in slechte staat verkeerde.
3.4.
De aannemer is bij het aangaan of uitvoeren van de overeenkomst verplicht de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht, voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen (artikel 7:754 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).
3.5.
De kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtnemer] geen waarschuwingsplicht heeft geschonden. [opdrachtnemer] heeft bij de uitgevoerde dakinspectie namelijk slechts hier en daar onder de dakpannen gekeken omdat hij met een ladder niet alle dakpannen kon verwijderen. [opdrachtnemer] stelt dat zo’n inspectie voor een lokale indicatie van het houtbeschot gebruikelijk is en dat hier en daar vochtplekken in een dak nog niet betekenen dat het hele dakbeschot slecht is, hetgeen [opdrachtgever] niet (althans onvoldoende) betwist. Daarom wordt ervan uitgegaan dat [opdrachtnemer] bij de inspectie voor het uitbrengen van de offerte niet heeft gezien en ook niet hoefde te zien dat het hele dakbeschot in slechte staat was. Hierdoor komt niet vast te staan dat [opdrachtnemer] de op hem rustende waarschuwingsplicht heeft geschonden.

Misbruik van omstandigheden?
3.6.
[opdrachtgever] voert aan dat zij onder onacceptabele druk akkoord is gegaan met het meerwerk en dat zij geen gelegenheid heeft gehad om een weloverwogen beslissing te nemen. Daarmee beroept [opdrachtgever] zich op misbruik van omstandigheden en zij beoogt daarmee de gevolgen van het overeengekomen meerwerk te wijzigen (op grond van artikel 6:230 lid 2 BW). Dit ter opheffing van het nadeel dat [opdrachtgever] lijdt bij instandhouding van de meerwerkovereenkomst.
3.7.
[opdrachtnemer] betwist dat hij misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden bij het sluiten van de meerwerkovereenkomst. [opdrachtnemer] stelt dat de meerprijs is opgemaakt op basis van zijn calculatiesysteem en dat het een redelijke prijs is.
3.8.
Van misbruik van omstandigheden is hier sprake als [opdrachtnemer] wist van bijzondere omstandigheden bij [opdrachtgever] , zoals een noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, en die haar bewogen heeft tot het aangaan van de rechtshandeling en hij haar daarvan had moeten weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW).
3.9.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [opdrachtgever] op misbruik van omstandigheden slaagt. Er is sprake van bijzondere omstandigheden omdat sprake was van een situatie waarin [opdrachtnemer] alle dakpannen van het dak had afgehaald waardoor het hele dak open lag, alle materialen aan straat stonden en er regen was voorspeld. Daarnaast werd [opdrachtgever] geconfronteerd met de mededeling van [opdrachtnemer] dat hij niet verder kon met het werk wegens de noodzaak tot meerwerk. Daarmee verkeerde [opdrachtgever] in een noodtoestand. [opdrachtnemer] wist van die bijzondere omstandigheden en dat die gevolgen hadden voor de besluitvorming van [opdrachtgever] om met de meerwerkofferte akkoord te gaan. [opdrachtgever] heeft vervolgens voldoende onderbouwd dat het meerwerkbedrag nadelig is voor haar en onredelijk hoog is. [opdrachtgever] heeft namelijk een eigen berekening voor het meerwerk gegeven (onder nummer 12 van de conclusie van antwoord in conventie) die aanzienlijk lager uitkomt dan de meerwerkprijs van [opdrachtnemer] . Daarnaast heeft [opdrachtgever] aangevoerd dat [opdrachtnemer] alle werkzaamheden in hetzelfde tijdsbestek heeft verricht als aanvankelijk gepland was, hetgeen [opdrachtnemer] niet (of onvoldoende) betwist. De meerwerkprijs leidt ertoe dat [opdrachtgever] meer dan de helft van de aanneemsom dient bij te betalen. [opdrachtnemer] betwist weliswaar dat hij een onredelijke prijs heeft berekend voor het meerwerk, maar hij heeft dit onvoldoende onderbouwd en ten onrechte ermee volstaan slechts te verwijzen naar zijn calculatiesysteem. Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van een onredelijk hoge meerwerkprijs. [opdrachtnemer] had gelet op het bezwaar van [opdrachtgever] moeten zorgen voor een redelijke prijs en niet voor een maximale prijs. Dit heeft [opdrachtnemer] niet gedaan en hij heeft daardoor misbruik gemaakt van de afhankelijkheidspositie van [opdrachtgever] . [opdrachtnemer] heeft bovendien bevorderd dat [opdrachtgever] akkoord ging met de hoge meerwerkprijs. Dit door de mededeling dat als [opdrachtgever] niet meteen akkoord zou gaan er dan sprake zou zijn van stagnatie, met kosten tot gevolg.
3.10.
Op grond van het voorgaande zal de kantonrechter de meerwerkovereenkomst in stand laten, maar de gevolgen van die overeenkomst wijzigen en de prijs aanpassen. Vastgesteld dient te worden wat een redelijke prijs is.
3.11.
[opdrachtgever] rekent volgens het gestelde onder nummer 12 van haar conclusie van antwoord in conventie voor de 16 underlayment platen € 33,99 inclusief btw per stuk. [opdrachtnemer] heeft die hoeveelheid van 16 platen niet betwist en evenmin de door [opdrachtgever] in productie 4 van dagvaarding genoemde afmetingen van die underlayment platen (122x244x18 mm). Ter zitting heeft [opdrachtnemer] slechts gesteld dat de door hem geplaatste platen van andere kwaliteit zijn en daarom de prijs per underlayment plaat hoger is, maar dit is verder niet onderbouwd door [opdrachtnemer] , zodat daaraan voorbij wordt gegaan. De kantonrechter gaat ervan uit dat de door [opdrachtgever] genoemde prijs voor de underlayment platen redelijk is. Dat komt neer op € 543,84 inclusief btw. Daarnaast rekent [opdrachtgever] 3,5 mandagen voor plaatsing van het dakbeschot (dus 28 uur) met een uurloon van € 37,50 te vermeerderen met 21% btw, dus totaal € 1.270,50 inclusief btw. Dit uurtarief van € 37,50 te vermeerderen met btw, komt de kantonrechter redelijk voor. Het voorgaande komt dan neer op totaal € 1.814,34 (€ 543,84 + € 1.270,50).
3.12.
Daarnaast ziet de kantonrechter op basis van de door [opdrachtnemer] overgelegde specificatie (als productie 21) aanleiding om de daarop vermelde bevestigingsmaterialen van € 125,00 en het overig klein materiaal van € 59,50 als meerwerkkosten te beschouwen. Die twee posten komen vermeerderd met btw neer op € 223,25 ((€ 125,00 + € 59,50) x 21% btw). Ten aanzien van andere posten genoemd op de door [opdrachtnemer] overgelegde specificatie is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt bij het meerwerk.
3.13.
Op grond van het voorgaande komt het meerwerk neer op totaal € 2.037,59 (€ 1.814,34 + € 223,25) en vermeerderd met de door [opdrachtnemer] genoemde marge van 10% (in zijn specificatie) komt dat neer op € 2.241,34. De kantonrechter zal de gevolgen van het overeengekomen meerwerk wijzigen en de prijs voor het meerwerk naar redelijkheid vaststellen op afgerond € 2.250,00 inclusief btw.

Schade

Schroeven
3.14.
[opdrachtgever] stelt dat [opdrachtnemer] schade heeft veroorzaakt aan de binnenzijde op de eerste verdieping van haar woning omdat tientallen schroeven 3 of 4 cm door de schuine zijde steken. [opdrachtgever] stelt aan dat zij kennissen in de bouw gevraagd heeft om te kijken wat de kosten van herstel van de wanden zijn (waardoor de schroeven niet meer zichtbaar zijn) en dat die hebben aangegeven dat het rond de € 1.500,00 zou kosten.
3.15.
[opdrachtnemer] voert als verweer tegen de gestelde schade aan dat hij heeft aangeboden de schade te herstellen, maar [opdrachtgever] hem daartoe niet in de gelegenheid heeft gesteld.
3.16.
De kantonrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de doorstekende schroeven aan de binnenzijde van het schuine dak van de woning van [opdrachtgever] een tekortkoming van [opdrachtnemer] is. Nakoming van de herstelverplichting door [opdrachtnemer] was niet onmogelijk. [opdrachtgever] diende [opdrachtnemer] daarom gelegenheid te geven tot herstel. Dat heeft ze gedaan bij brief van 6 september 2024 (productie 7 conclusie van antwoord) en daarin heeft zij een termijn van 14 dagen gegeven om de ontstane schade door de doorstekende schroeven te herstellen. Binnen die termijn had [opdrachtnemer] dan ook daadwerkelijk tot herstel moeten overgaan en dus een afspraak met [opdrachtgever] voor werkelijk herstel moeten maken. De enkele stelling van [opdrachtnemer] dat hij bereid was om het op te lossen, is onvoldoende. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat tussen partijen een misverstand is ontstaan over wie van hen moest opdraaien voor de kosten van het herstel van de schade. Dat misverstand had [opdrachtnemer] er echter niet van mogen weerhouden over te gaan tot het uitvoeren van het herstel. Dat het herstel mogelijk mede door het misverstand achterwege is gebleven, komt dan ook voor zijn risico. [opdrachtnemer] verkeert daarom in verzuim en is gehouden de door [opdrachtgever] geleden schade te vergoeden. De stelling van [opdrachtnemer] dat [opdrachtgever] van plan was om de zolder te renoveren, heeft [opdrachtgever] betwist, maar is niet relevant voor het recht op schadevergoeding. Omdat [opdrachtnemer] de gestelde hoogte van de schade van € 1.500,00 voor herstel niet betwist en de kantonrechter dit bedrag niet onredelijke hoog voorkomt, is het bedrag van € 1.500,00 toewijsbaar.

Vloerbedekking
3.17.
[opdrachtgever] stelt dat [opdrachtnemer] het onafgewerkte dak onvoldoende heeft beschermd tegen de regen die op 2 en 3 september 2024 viel waardoor er schade is ontstaan aan de vloerbedekking en de kosten van het reinigen van de vloerbedekking € 140,00 bedraagt. [opdrachtnemer] betwist dat hij schade aan de vloerbedekking heeft veroorzaakt omdat [opdrachtgever] al jarenlang last had van lekkages. De kantonrechter is van oordeel dat het na de betwisting van [opdrachtnemer] op de weg van [opdrachtgever] lag om de gestelde schade te onderbouwen. Dit heeft zij niet voldoende gedaan. De enkele niet verder toegelichte stelling van [opdrachtgever] dat de lekkage op een plek was waar nooit eerder lekkages was, is onvoldoende. De gestelde schade aan de vloerbedekking zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

Conclusie
3.18.
Op grond van het voorgaande leidt de volgende berekening tot een door [opdrachtnemer] aan [opdrachtgever] te betalen bedrag van € 1.190,00.

Aanneemsom € 15.000,00

Meerwerk € 2.250,00

Totale aanneemsom € 17.250,00

Betaling d.d. 3-09-2024 € 7.500,00 -/-

Betaling d.d. 14-09-2024 € 9.440,00 -/-

Te betalen restantaanneemsom € 310,00Schadevergoeding schroeven € 1.500,00 -/-

Te ontvangen door [opdrachtgever] € 1.190,00 -
3.19.
Het voorgaande betekent dat wegens verrekening door [opdrachtgever] met schadevergoeding er geen vordering van [opdrachtnemer] meer resteert. De vordering van [opdrachtnemer] in conventie wordt daarom geheel afgewezen. Ook zal de vordering van [opdrachtgever] in reconventie om [opdrachtnemer] te veroordelen tot terugbetaling van het teveel betaalde uit de aanneemovereenkomst worden afgewezen.
3.20.
De vorderingen van [opdrachtgever] in reconventie om vast te stellen dat er een overeenkomst is gesloten voor € 15.000,00 voor een volledige dakrenovatie en dat meerwerk volledig voor rekening en risico van [opdrachtnemer] komt, worden afgewezen. [opdrachtgever] heeft daar geen belang bij en meerwerk komt niet geheel voor rekening en risico van [opdrachtnemer] .
3.21.
Aan de door [opdrachtnemer] aan [opdrachtgever] verschuldigde schadevergoeding verminderd met het te weinig betaalde bedrag aan aanneemsom van € 310,00 is een bedrag van € 1.190,00 in reconventie toewijsbaar. De wettelijke rente hierover is toewijsbaar vanaf 26 februari 2025 (zijnde de datum van de conclusie van eis in reconventie) omdat niet gesteld of gebleken is dat [opdrachtnemer] eerder in verzuim was met betaling.

Proceskosten
3.22.
[opdrachtnemer] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [opdrachtgever] betalen. In zaken waarin partijen in persoon procederen wordt op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door de kantonrechter een vergoeding toegekend voor de noodzakelijke reis- en verblijfkosten en kan de kantonrechter een door hem te bepalen bedrag voor noodzakelijke verletkosten toekennen. De genoemde kosten kunnen worden toegewezen voor zover zij betrekking hebben op zittingen. Omdat [opdrachtgever] op de mondelinge behandeling is verschenen, wijst de kantonrechter een bedrag van € 50,00 aan verletkosten toe.
3.23.
Omdat [opdrachtgever] terecht de procedure in reconventie is gestart, zal [opdrachtnemer] worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. Deze kosten worden begroot op nihil omdat [opdrachtgever] in persoon heeft geprocedeerd en verletkosten voor de zitting al in conventie zijn toegewezen.
<nr>4</nr>De beslissing
De kantonrechter

In conventie
4.1.
wijst de vordering af,
4.2.
veroordeelt [opdrachtnemer] tot betaling van de proceskosten van [opdrachtgever] begroot op € 50,00 aan verletkosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.

In reconventie
4.3.
veroordeelt [opdrachtnemer] om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 1.190,00 vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW hierover vanaf 26 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt [opdrachtnemer] tot betaling van de proceskosten van [opdrachtgever] begroot op nihil,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Artikel delen