Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:5378

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing (zonder horen)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:5378 text/xml public 2026-07-08T11:57:18 2026-06-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-19 C/02/448330 / JE RK 26-866 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5378 text/html public 2026-07-08T11:57:01 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:5378 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-05-2026 / C/02/448330 / JE RK 26-866
Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing (zonder horen)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448330 / JE RK 26-866

Datum uitspraak: 19 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

hierna te noemen: de Raad,

over de minderjarige

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

[de stiefvader] ,

hierna te noemen: de stiefvader,

wonende in [woonplaats 2] .
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

het op 19 mei 2026 mondeling gedane verzoek van de Raad;

de schriftelijke bevestiging van voormeld verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 20 mei 2026.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De moeder en de stiefvader zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] heeft in de afgelopen periode wisselende verblijfplaatsen gehad. Sinds september 2025 verbleef [minderjarige] bij de stiefvader. In de nacht van 17 mei 2026 heeft de moeder haar bij hem opgehaald en meegenomen. [minderjarige] verblijft sindsdien feitelijk bij haar moeder.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De Raad verzoekt om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering, gevestigd te Utrecht, hierna te noemen: de GI, voor de duur van drie maanden.
3.2.
De Raad verzoekt daarnaast om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, in dit geval bij de moeder, te verlenen voor de duur van drie maanden.
3.3.
De Raad verzoekt om deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
De Raad heeft tot slot mondeling verzocht om onmiddellijk te beslissen op voormelde verzoeken, oftewel zonder de belanghebbenden en [minderjarige] daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om hun mening daarover te geven.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een voorlopige ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
4.2.
Uit artikel 1:257, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
4.3.
Uit de mondelinge onderbouwing van het verzoek en uit de overgelegde stukken blijkt, samengevat, onder meer het volgende.

In de opvoedsituaties van zowel de moeder als de stiefvader zijn er zorgen over de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] . De zorgen over de situatie bij de moeder zien op de fysieke bejegening, opsluiting en het verlies van autonomie van [minderjarige] . Daarnaast zijn er recente signalen dat [minderjarige] zich bij haar moeder niet veilig zou voelen.

De zorgen over de situatie bij de vader zien op de opvoedsituatie en over (het gebrek aan diens) toezicht. Bovendien heeft [minderjarige] tijdens gesprekken met de Raad voor de Kinderbescherming zorgwekkende uitspraken gedaan over de stiefvader met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag richting haar. Deze zorgen zijn nog niet verder geduid maar vereisen, gezien de aard en de ernst daarvan, wel direct nadere duiding.

Daarnaast is er sprake van een ernstig verstoorde en conflictueuze ouderrelatie tussen de moeder en de stiefvader. Als gevolg hiervan zit [minderjarige] structureel klem tussen haar ouders en wordt zij belast door volwassenenproblematiek en loyaliteitsconflicten. Over [minderjarige] zijn er tot slot zorgen nu zij mogelijk in een loverboycircuit verkeert. Nu er sprake is geweest van wegloopgedrag en van een mogelijke beïnvloeding, wordt haar kwetsbaarheid voor uitbuiting en manipulatie door de Raad als verhoogd ingeschat. Beide ouders zijn als gezaghebbende ouders van [minderjarige] in ieder geval onvoldoende in staat gebleken om gezamenlijk de veiligheid van [minderjarige] voldoende te waarborgen. Daarbij komt dat beide gezaghebbende ouders beperkt samenwerken met de hulpverlening en zij niet in staat zijn om gezamenlijk tot overeenstemming en beslissingen te komen. De vrijwillige hulpverlening die in de afgelopen periode is ingezet, is dan ook ontoereikend gebleken voor het wegnemen dan wel het voorkomen van (het verergeren van) bovengenoemde zorgen. Tot slot is het, naar de mening van de Raad, vanwege de acute veiligheidsrisico’s nu noodzakelijk dat er direct strakke regievoering wordt ingezet.
4.4.
Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter vast dat er sprake is van een situatie waarin de mondelinge behandeling van de verzoeken niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Gelet daarop wordt zonder de belanghebbenden te horen op de verzoeken beslist.
4.5.
De kinderrechter is, gelet op het voorgaande, bovendien van oordeel dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld zoals neergelegd in artikel 1:255 BW. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] zal daarom op grond van artikel 1:257 BW voorlopig onder toezicht gesteld worden van de GI, vooralsnog voor een termijn van twee weken, met ingang van 19 mei 2026 tot 2 juni 2026. De beslissing op de verzoeken zal voor het overige worden aangehouden tot de hierna te noemen dag en tijdstip waarop de zitting zal plaatsvinden.
4.6.
Over het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] overweegt de kinderrechter als volgt. Uit de mondelinge onderbouwing van het verzoek en uit de overgelegde stukken blijkt, samengevat, dat de Raad een plaatsing van [minderjarige] bij haar moeder, onder de strikte voorwaarde dat er direct passende en intensieve hulpverlening en regievoering ambulant wordt ingezet, op dit moment het meest passend en in het belang van [minderjarige] acht.

De Raad betrekt hierbij dat [minderjarige] momenteel feitelijk bij haar moeder verblijft, dat er geen direct uitvoerbaar alternatief in het netwerk beschikbaar is, dat er nog veel onduidelijkheid bestaat over de (opvoed)situatie bij de vader en dat het van belang is dat [minderjarige] stabiliteit en continuïteit in haar verblijf ervaart, om verdere escalaties te voorkomen. Bovendien heeft [minderjarige] op dit moment stellig aangegeven dat zij bij haar moeder wil blijven en dat zij niet wil terugkeren naar haar stiefvader.
4.7.
De kinderrechter overweegt, gezien het voorgaande, dat de moeder en de stiefvader gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige] , maar dat het hoofdverblijf van [minderjarige] niet formeel bij één van hen is bepaald. De kinderrechter vindt het, gezien het voorgaande, dringend en onverwijld in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk dat zij vooralsnog bij de moeder kan blijven. Nu [minderjarige] in de afgelopen maanden feitelijk bij haar stiefvader heeft verbleven en de stiefvader met gezag niet kan instemmen met een plaatsing van [minderjarige] bij de moeder, zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder verlenen (op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW). De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, in dit geval bij de moeder, zal eveneens worden verleend voor de duur van twee weken, met ingang van 19 mei 2026 tot 2 juni 2026, onder de aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de hierna te noemen zitting.
4.8.
De kinderrechter zal de beslissing tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , gelet op de aard van die maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat betekent dat die beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
4.9.
Bij het opstellen van deze beschikking is gebleken dat het niet mogelijk is om direct een advocaat aan de stiefvader toe te voegen als zijnde de hoofdverzorgende ouder van [minderjarige] in de afgelopen maanden. Daarom zal tijdig voorafgaand aan de zitting alsnog een advocaat worden toegevoegd aan de stiefvader.
4.10.
Verdere beslissingen op de beide resterende verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
<nr>5</nr>De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 19 mei 2026 tot 2 juni 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, in dit geval bij de moeder, met ingang van 19 mei 2026 tot 2 juni 2026;
5.3.
verklaart de beslissing tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de beslissing over het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting op [datum] 2026 om [uur], bij de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in de persoon van mr. Phillips, in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10, 4815 GW;
5.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder, de stiefvader, de Raad en de GI;
5.6.
bepaalt dat [minderjarige] , die vanwege haar leeftijd het recht heeft om haar mening in deze zaak te geven, in de gelegenheid wordt gesteld om haar mening schriftelijk of tijdens een gesprek met de kinderrechter kenbaar te maken, waarbij het gesprek op een ander moment zal plaatsvinden dan de zitting;
5.7.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.

Deze beslissing is mondeling gegeven op 19 mei 2026 door mr. Bogaert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken, schriftelijk vastgesteld en ondertekend op 20 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel delen