Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:5511

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:5511 text/xml public 2026-07-08T14:57:20 2026-06-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-21 C/02/448408 / JE RK 26-881 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5511 text/html public 2026-07-08T14:57:04 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:5511 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-05-2026 / C/02/448408 / JE RK 26-881
Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/448408 / JE RK 26-881

Datum uitspraak: 21 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats] .
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 mei 2026;

- het telefonisch gesprek van de kinderrechter met de GI op 21 mei 2026.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 juli 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 18 juli 2026.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. De GI verzoekt aansluitend, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van een jaar bij de andere ouder met gezag.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
4.2.
Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
4.3.
De kinderrechter beschouwt de verzoeken van de GI, gezien het bovenstaande, als één verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing, waarbij is verzocht dat ten aanzien van de eerste vier weken wordt beslist zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
4.4.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De GI maakt zich ernstige zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De zorgen betreffen met name het uitblijven van schoolgang, veelvuldig verzuim, gebrek aan structuur, zorgen omtrent de psychische belastbaarheid van de moeder en de beperkte beschikbaarheid in de opvoeding. De GI heeft sinds de start van de ondertoezichtstelling geprobeerd diverse hulpverlening in te zetten maar de moeder weigert iedere medewerking. Sinds oktober 2025 is de moeder uit contact met de GI. Hulpverlening wordt niet toegelaten. Sinds eind vorig jaar houdt de moeder de kinderen bij de vader weg. De kinderen gaan al geruime tijd niet naar school. Tijdens een onaangekondigd huisbezoek op 26 maart 2026 heeft de moeder de GI de toegang tot de woning geweigerd Door omstandigheden is het daaropvolgende verzoek aan de rechtbank tot versnelde behandeling voor een machtiging uithuisplaatsing niet doorgekomen. Op 20 mei 2026 heeft de tante moederszijde huilend contact opgenomen met de GI met de melding dat de kinderen er onverzorgd uit zien, dat het huis vies is, de aanwezige katten onder de vlooien en teken zitten en dat de kinderen onvoldoende te eten krijgen. De kinderen mogen niets tegen derden zeggen, omdat de moeder zich anders op de kinderen afreageert. Het netwerk van de moeder, dat zich eerder terughoudend opstelde, maakt zich ernstig zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast zijn er grote zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder. Deze klachten zijn verergerd na het overlijden van haar jongste kindje. De moeder ervaart heel veel wantrouwen ten opzichte van de hulpverlening. Om die reden onthoudt zij de kinderen ook medicatie wanneer ze deze nodig hebben. De moeder heeft in het verleden de kinderen zonder toestemming meegenomen naar het buitenland en de GI is bang dat de moeder dit opnieuw gaat doen als zij hoort dat de GI van mening is dat de kinderen voorlopig op een andere plaats moeten gaan wonen. Ook vanuit de familie van de moeder zijn signalen geuit dat de moeder voornemens is om naar het buitenland te vertrekken. In die situatie zijn de kinderen volledig uit beeld.
4.5.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.
4.6.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat de kans aanwezig is dat de moeder met de kinderen naar het buitenland vertrekt. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen voor de duur van twee weken.
4.7.
Uit het verzoek van de GI blijkt dat de vader betrokken is bij de verzorging en opvoeding van de kinderen. De vader onderkent het belang van structuur en onderwijs en vormt met zijn nieuwe gezin een stabiele basis voor de kinderen. De opvoedsituatie bij de vader biedt de kinderen structuur, onderwijs, duidelijke grenzen en emotionele beschikbaarheid. De kinderrechter vindt het dan ook in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij bij hun vader worden geplaatst.
4.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.9.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna te noemen zitting. Op die zitting zal ook het verzoek in de procedure met zaak- en rekestnummer C/02/448406 / JE RK 26-880 worden behandeld. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
<nr>5</nr>De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, met ingang van 21 mei 2026 tot 4 juni 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. Van de Merbel op [datum] 2026 om [uur] voor de duur van 60 minuten in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
5.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.6.
bepaalt dat [minderjarige 1] bij aparte brief zal worden opgeroepen voor een kindgesprek.

Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).

Artikel delen