Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:5534

Parkeerbelasting, ongegrond

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:5534 text/xml public 2026-06-30T08:53:29 2026-06-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-23 AWB-25_2288 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5534 text/html public 2026-06-30T08:53:05 2026-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:5534 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-06-2026 / AWB-25_2288
Parkeerbelasting, ongegrond

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/2288
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 april 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
1.4.
Bij het sluiten van het onderzoek heeft de rechtbank aangekondigd na zes weken uitspraak te doen. Deze termijn is niet haalbaar gebleken.
Feiten
2. De auto met kenteken [kenteken] (de auto) stond op 31 januari 2025 omstreeks 17:34 uur geparkeerd aan [straat] te [plaats] . Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is (door parkeercontroleurs) geconstateerd dat daarvoor geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende op dezelfde dag een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd voor een totaalbedrag van € 79,60.
2.2.
Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Oisterwijk (de Verordening) luidt:“Onder de naam “parkeerbelastingen” worden de volgende belastingen geheven:a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;”
2.3.
Artikel 9 van de Verordening luidt: “De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 77,45.”
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

4. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?

5. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 31 januari 2025 geparkeerd stond aan [straat] te [plaats] en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
5.1.
Belanghebbende voert aan dat hij de parkeerbelasting in beginsel wilde voldoen via de parkeerapp ‘Flitsmeister’, maar dat dit niet mogelijk was in de gemeente [plaats] . Vervolgens is belanghebbende naar een parkeerautomaat gelopen, maar deze was defect. Toen belanghebbende vanuit een restaurant naar een andere parkeerautomaat wilde lopen, zag belanghebbende de parkeercontroleur. De parkeercontroleur gaf aan dat de naheffingsaanslag op dat moment niet meer teruggedraaid kon worden en heeft belanghebbende aangeraden om in bezwaar te gaan, aldus belanghebbende. Belanghebbende voert aan dat hij vanaf het moment van parkeren tot en met bekeurd worden bezig was met het trachten te betalen van de parkeerbelasting, dit betrof een tijd van 6 minuten. Volgens de heffingsambtenaar is de naheffingsaanslag terecht opgelegd: het willen betalen met een niet-werkende applicatie is voor risico van belanghebbende en uit de feiten volgt niet dat de nabijgelegen parkeerautomaat defect was.
5.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zichzelf op de hoogte stelt van het op de parkeerlocatie geldende parkeerregime. Deze onderzoeksplicht is ook van toepassing indien gebruik wordt gemaakt van een parkeerapp. Dat brengt ook mee dat een parkeerder controleert of de parkeerapp van zijn keuze werkt op de plaats waar geparkeerd wordt. Indien dat niet het geval is, dient een parkeerder zich (verder) in te spannen om de parkeerbelasting te voldoen. Een defecte parkeerautomaat leidt er niet toe dat de parkeerder niet hoeft te betalen of dat de heffingsambtenaar moet afzien van het opleggen van een naheffingsaanslag. Daarbij geldt dat van de parkeerder enige inspanning mag worden verwacht om de parkeerbelasting alsnog te voldoen bij een andere parkeerautomaat in dezelfde straat of omliggende straten, of elders te parkeren. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet met bewijs aannemelijk heeft gemaakt dat de nabijgelegen parkeerautomaat defect was. Aangezien dit feit niet aannemelijk is gemaakt, kan niet de conclusie worden getrokken dat belanghebbende doorlopend en onverwijld uitvoeringshandelingen heeft verricht. Immers valt dan niet in te zien waarom belanghebbende niet direct bij de dichtstbijzijnde parkeerautomaat heeft betaald.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. De uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag blijven in stand. Er is geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.M.C. Oomen, griffier, op 23 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

griffier

rechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

vgl. Hoge Raad, 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3117.

Artikel delen