Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:5791

NTB ZW

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:5791 text/xml public 2026-07-06T09:00:24 2026-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-26 BRE 26/2614 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5791 text/html public 2026-07-03T10:45:24 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:5791 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-06-2026 / BRE 26/2614
NTB ZW

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/2614
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. I.T.A. Duijs),

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
het UWV.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 8 augustus 2025 tegen het besluit van 15 juli 2025 waarmee eisers Ziektewetuitkering beëindigd wordt per 16 augustus 2025.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Is het beroep kennelijk gegrond?

3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 8 augustus 2025. Het UWV moet binnen zeventien weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is.Het UWV heeft de termijn verlengd met zes weken. Het UWV had dus uiterlijk op 3 februari 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft het UWV op 6 februari 2026 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 9 februari 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Op basis van de ingebrekestelling van 9 februari 2026 heeft het UWV op 11 mei 2026 een dwangsombeschikking afgegeven waarbij het de bestuurlijke dwangsom heeft bepaald op het maximale bedrag van € 1.442,-.

Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?

4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift van 26 mei 2026 heeft het UWV uitgelegd dat vanwege het tekort aan verzekeringsartsen nog geen beoordeling van het bezwaar van eiser heeft plaatsgevonden. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer het een besluit kan nemen. Het UWV vraagt om een beslistermijn op te leggen van 30 weken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen, en verwijst naar twee uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank gaat niet mee in het verzoek van het UWV om een (nog) langere beslistermijn op te leggen. Verder gaat de rechtbank niet mee in het verzoek van eiser om een kortere beslistermijn op te leggen. Voor zover eiser, vanwege het eindigen van zijn WW-uitkering en ondanks het inkomen van zijn partner, onder het sociaal minimum zou komen, kan eiser een aanvraag voor een bijstandsuitkering doen.

Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?

5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?

6. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het UWV de hoogte van de dwangsom juist heeft vastgesteld, op het maximum bedrag van € 1.442,-, in de dwangsombeschikking van 11 mei 2026.
6.2.
Eiser vraagt om wettelijke rente. De rechtbank wijst dit toe voor zover het UWV in verzuim is (geweest). Het UWV moest de dwangsom uiterlijk op 20 april 2026 vaststellen en uiterlijk op 1 juni 2026 aan eiser betalen. Voor zover het UWV dit niet heeft gedaan, is het in verzuim en moet het vanaf 2 juni 2026 tot de datum waarop alles is betaald wettelijke rente aan eiser betalen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. Verder wijst de rechtbank het verzoek om de wettelijke rente over de bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- toe voor zover het UWV in verzuim is (geweest).
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;

- bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;

- veroordeelt het UWV voor zover het UWV in verzuim is (geweest) om de wettelijke rente over de bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- aan eiser te betalen, vanaf 2 juni 2026 tot de dag waarop het gehele bedrag is betaald;

bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;

veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

Dit staat in artikel 73a, eerste lid, van de Ziektewet.

Op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb.

ECLI:NL:RBROT:2025:9224 en ECLI:NL:RBROT:2025:9226.

Dit staat in artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.

Op grond van artikel 4:87, eerste lid en artikel 4:100 van de Awb.

Artikel delen