Beroep tegen een beslissing op bezwaar, waarin een bezwaarschrift tegen de opschorting van openbaarmaking op grond van de Wet open overheid niet-ontvankelijk is verklaard. Geen procesbelang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:5793
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2026
Datum publicatie
07-07-2026
Zaaknummer
BRE 25/4858
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBZWB:2026:5793text/xmlpublic2026-07-07T09:00:202026-06-30Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-06-30BRE 25/4858UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLBredaBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5793text/htmlpublic2026-07-06T08:45:082026-07-07Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:5793 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-06-2026 / BRE 25/4858 Beroep tegen een beslissing op bezwaar, waarin een bezwaarschrift tegen de opschorting van openbaarmaking op grond van de Wet open overheid niet-ontvankelijk is verklaard. Geen procesbelang
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4858 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats] , eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen.Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een beslissing van het college op het bezwaar van eisers tegen de brief van 8 november 2024, waarin de openbaarmaking is opgeschort niet-ontvankelijk is verklaard. Eisers voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bezwaar op goede gronden niet-ontvankelijk is verklaard. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen de opschorting niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop1.2. Eisers hebben gevraagd documenten openbaar te maken over de vergunningaanvraag van hun buren, de vergunninghouders. Het college heeft met het besluit van 3 oktober 2024 de openbaarmaking gedeeltelijk toegewezen. Met de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college dit besluit deels herroepen en besloten meer gegevens openbaar te maken. Eisers en de vergunninghouders hebben ieder beroep ingesteld tegen dit besluit. 1.3. In verband met het bezwaar van vergunninghouders schort het college op 8 november 2024 de openbaarmaking van de documenten op. Eisers maken bezwaar tegen de opschorting van de openbaarmaking. Het college heeft het bezwaar van eisers tegen deze opschorting van de openbaarmaking bij het bestreden besluit van 12 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 8 november 2024 volgens het college niet op rechtsgevolg is gericht en er dus geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers hebben hier beroep tegen ingesteld. 1.4. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld, tegelijkertijd met de beroepen tegen de inhoudelijke beslissing op bezwaar. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, [gemachtigde 1] als gemachtigde van de vergunninghouders en mr. M. Roels, [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] namens van het college. 1.6. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd. Totstandkoming van de bestreden besluiten 2. Eisers dienen op 7 maart 2024 een Woo-verzoek in waarin zij vragen om alle documenten over het vergunningverleningsproces op het adres [adres] te [woonplaats] . Dat betreft de vergunning die vergunninghouders hebben aangevraagd en verkregen. 2.1. Eisers en vergunninghouders wordt om een zienswijze gevraagd. Op 3 oktober 2024 besluit het college de documenten, deels gelakt, openbaar te maken. 2.2. Op 14 oktober 2024 stuurt het college vergunninghouders een mail waarin is aangegeven dat per abuis een verkeerd e-mail adres is gebruikt waardoor zij geen zienswijze in hebben kunnen dienen. 2.3. Op 28 oktober 2024 dienen vergunninghouders een bezwaarschrift in. Op 8 november 2024 stuurt het college een brief aan eisers waarin staat vermeld dat zij door een onjuiste adressering een derde-belanghebbende (vergunninghouders) niet in de gelegenheid hebben gesteld om een zienswijze in te dienen. Gelet hierop schort het college de openbaarmaking van de documenten op tot twee weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar. Eisers hebben de documenten die vrij zijn gegeven al gekregen, maar mogen van het college deze documenten wegens de opschorting van de openbaarmaking niet gebruiken of verspreiden. 2.4. Op 13 november 2024 maken eisers bezwaar tegen het besluit op het Woo-verzoek van 3 oktober 2024. Op 18 december 2024 maken zij ook bezwaar tegen de brief van 8 november 2024 over de opschorting van de feitelijke openbaarmaking. 2.5. Met de beslissingen op bezwaar van 12 augustus 2025 is op de bezwaren van eisers en vergunninghouders beslist. 2.6. Vergunninghouders hebben (evenals eisers) beroep ingesteld tegen dit besluit en daarnaast een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. 2.7. Op 14 oktober 2025 beslist de voorzieningenrechter dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken nadat in de bodemprocedure is beslist. Beoordeling door de rechtbank Inhoudelijke beoordeling van de opschorting 3. Eisers stellen dat het college hun bezwaar tegen de brief waarin is aangegeven dat de openbaarmaking is opgeschort ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze brief bevatte een besluit, want het had als rechtsgevolg dat een aantal documenten niet is ontvangen en zij deze stukken niet in juridische procedures hebben kunnen gebruiken. Door op te schorten is de rechtsbescherming van eisers geschaad. Het gaat daarbij met name (maar niet uitsluitend) om de laatste drie documenten met de nummers 98, 99 en 100. De opschorting duurt voort. 3.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers geen procesbelang meer hebben bij het aanvechten van het opschorten van de openbaarmaking van de documenten. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom dat het doel dat diegene voor ogen staat met het beroep kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Enkel een principieel belang is onvoldoende. 3.2. Uit het voorgaande volgt dat de opschorting van 8 november 2024 gold tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Daarna heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat openbaarmaking niet eerder mag geschieden dan twee weken na de uitspraak in de bodemprocedure. De opschorting van 8 november 2024 door het college heeft dus geen werking meer. Eisers kunnen met deze procedure, gericht tegen de opschorting van de openbaarmaking door het college, niet bereiken dat de stukken openbaar worden gemaakt. Eisers hebben dus geen procesbelang, omdat feitelijke betekenis van deze procedure ontbreekt. 3.3. Het belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit kan ook nog zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel betrokken kan worden bij toekomstige besluitvorming. Dat daarvan sprake is, is echter niet gebleken. Indien iemand stelt schade te hebben geleden door een besluit en dit tot op zekere hoogte aannemelijk maakt kan eveneens sprake zijn van procesbelang. Eisers hebben expliciet gesteld geen verzoek tot schadevergoeding te beogen, zodat dit niet tot procesbelang kan leiden. 3.4. Bovendien geldt voor de stukken 98, 99 en 100 dat de openbaarmaking hiervan niet met het bestreden besluit was opgeschort. De opschorting gaat over de documenten die met het primaire besluit van 3 oktober 2024 openbaar zouden worden gemaakt. Bij die stukken zaten de documenten 98, 99 en 100 nog niet. Deze zijn pas in de bezwaarfase aan de inventarislijst met openbaar te maken documenten toegevoegd. Opschorting van openbaarmaking van deze documenten is uitsluitend het gevolg van het toekennen van de voorlopige voorziening. 3.5. Het beroep van Woo-verzoekers zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep van eisers is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. 4.1. Eisers hebben gevraagd om teruggave van hun griffierecht en een veroordeling van het college in de proceskosten. Omdat het beroep van eisers niet-ontvankelijk is, komen zij hiervoor niet in aanmerking. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Dat zijn de beroepen met de nummers 25/1467 en 25/4856. Het gaat om de beroepen van eisers en vergunninghouders met de nummers 25/1467 en 25/4856. Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237. Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.