ECLI:NL:RBZWB:2026:5824text/xmlpublic2026-07-07T09:00:152026-06-30Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-06-30BRE 26/1016 VUitspraakEerste aanleg - enkelvoudigVerzetNLBredaBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5824text/htmlpublic2026-07-03T12:19:122026-07-07Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:5824 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-06-2026 / BRE 26/1016 V verzet gegrond; rechtbank onbevoegd
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/1016 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 op het verzet van
[opposante]
, uit [woonplaats] , opposante en uitspraak in de beroepszaak tussen in het geding tussen opposante, tevens eiseres en College van procureurs-generaal, het College.Inleiding en procesverloop 1. Opposante heeft beroep ingesteld omdat het College volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoeken uit de periode van mei tot en met december 2025. 1.1. Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank dat beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. 1.2. Opposante heeft op 26 maart 2026 een verzetschrift tegen de uitspraak ingediend. Opposante heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het verzet op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft opposante deelgenomen en vanuit het college heeft er niemand deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank van het verzet 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 19 maart 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. 2.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De uitspraak van 19 maart 2026
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het verzoek is gericht op het handelen van het Openbaar Ministerie (OM) of de officier van justitie (OvJ) bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten zoals bedoeld in artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb. Gelet op dit artikel zijn onder meer de regels over bezwaar en beroep uit de Awb niet van toepassing. Dit betekent dat tegen een reactie op het verzoek van eiseres, dan wel tegen het uitblijven daarvan, geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. 3.1. Opposante voert – kort samengevat - aan dat de rechtbank het verzoek onterecht heeft gekwalificeerd als strafrechtelijk, aangezien er geen sprake is van een verzoek over de toetsing van opsporing, de beoordeling van vervolgbeslissingen of het ingrijpen in een strafzaak. 3.2. Tijdens de zitting heeft opposante haar verzetschrift toegelicht. Zij heeft aangegeven dat de procedure is beperkt tot het verzoek dat zij doet op grond van artikel 130 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) van 12 december 2025. Opposante stelt dat de rechtbank nooit een procedure heeft gestart en dat de procedure van art. 8:42 van de Awb niet is gevolgd. Er heeft geen debat plaatsgevonden, zodat er geen sprake is geweest van hoor en wederhoor. 3.3. Opposante benadrukt dat zij niet aan de rechtbank heeft gevraagd om iets over een strafzaak te beslissen. Haar verzoek is een bestuurlijk verzoek aan het College om in te grijpen. Opposante vindt dat het een bestuurlijke verantwoordelijkheid van het College betreft, waarop alleen een bestuurder antwoord kan geven. Haar verzoek is een bestuurlijke vraag en geen inhoudelijke vraag, het verzoek ziet namelijk puur op de processen in de strafrechtketen. 3.4. Opposante heeft op zitting verteld over haar ervaringen met het College. Zij heeft aangegeven dat de proceshouding van het College haar zeer frustreert. Met haar verzoek wil opposante de belangen van minderjarigen beschermen in een strafrechtelijk traject. Opposante wil graag een gemotiveerd antwoord krijgen op haar verzoek dat kan leiden tot een open gesprek. In dit gesprek wil opposante bespreken waarom zij dit verzoek bij het College heeft neergelegd. Tot op heden heeft opposante geen reactie gekregen, waardoor zij openheid vanuit het College mist. Het toetsingskader
4. Er is een College van procureurs-generaal. Het College staat aan het hoofd van het OM. Het College kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het OM. 4.1. Dit artikel creëert de vereiste wettelijke grondslag voor het bestaan van het College. Ook wordt er tot uitdrukking gebracht welke plaats het College inneemt: het staat aan het hoofd van het OM. In het vierde lid van het artikel worden de wettelijke instrumenten van het College nader uitgewerkt. Het College krijgt de bevoegdheid toegekend om algemene en bijzondere aanwijzingen te geven betreffende de taken en bevoegdheden van het OM. Deze bevoegdheid is onbeperkt: zij strekt zich uit tot alle taken en bevoegdheden op het terrein van de strafrechtelijke rechtshandhaving, alsmede tot de andere taken waarmee het OM bij of krachtens de wet is belast. Een aanwijzing van het College kan zowel betrekking hebben op beleidsaangelegenheden als op individuele zaken. Zij kan gericht zijn tot alle leden van het OM die de taken en bevoegdheden van het OM uitoefenen. 5. In de Awb is bepaald dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van de Awb niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. 5.1. Dit betekent dat de typisch in de sfeer van de strafvordering en de executie gelegen besluiten en handelingen van de betrokken bestuursorganen niet onder het bereik van de Awb vallen. Gelet op de eigenstandige positie van het (materiële en formele) strafrecht en op het feit dat de strafrechtelijke regelgeving uitputtend is bedoeld, zou dat anders tot een ongewenste vermenging van rechtssferen leiden. 5.2. De strafrechtelijke procedures inzake de opsporing zijn primair neergelegd in het Wetboek van Strafvordering. Zij dienen daarin ook neergelegd te blijven, omdat de opsporing een wezenlijk onderdeel vormt van de strafrechtelijke procedure. Vandaar dat in artikel 1:6 van de Awb de opsporing van strafbare feiten is uitgezonderd van de werking van deze wet. 6. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is. Is artikel 1:6, eerste lid, onder a, van de Awb van toepassing?
7. Opposante is werkzaam als bestuurder van een ziekenhuis. Zij heeft op zitting verteld dat als zij als bestuurder een verzoek of vraag ontvangt, dit verzoek een medisch inhoudelijke en een procedurele kant heeft. Deze twee gebieden kunnen gescheiden van elkaar worden beoordeeld. Opposante wil dat haar verzoek over strafrechtelijke procedures ook gescheiden wordt gezien van het inhoudelijke strafrecht. Daarnaast wil opposante, wanneer de scheiding gemaakt is, dat haar verzoek onder het bestuursrecht wordt behandeld, omdat haar verzoek ziet op het besturen (het leiding geven) van het OM door het College. 7.1. De verzetrechter oordeelt dat opposante haar verzoek binnen de kaders van het strafrecht valt. Het materiële strafrecht (de inhoudelijke strafbepalingen) en het formele strafrecht (het strafprocesrecht) vallen namelijk allebei in de sfeer van het strafrecht. De verzetrechter begrijpt dat opposante zich op het standpunt stelt dat haar verzoek niet ziet op een specifieke strafzaak, maar dat betekent niet dat artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb buiten beschouwing kan worden gelaten. Het artikel heeft namelijk een bredere strekking dan opposante in haar verzetschrift stelt, want het ziet op besluiten en handelingen die zijn gelegen in de typische sfeer van de strafvordering. Opposante wil graag een gemotiveerde bevestiging of afwijzing van het College op haar verzoek dat gebaseerd is op artikel 130, vierde lid, van de Wet RO. De verzetrechter overweegt dat artikel 130, vierde lid, van de Wet RO een strafrechtelijk karakter heeft. Het betreft namelijk de instrumenten die het College heeft om op het terrein van de strafrechtelijke rechtshandhaving te handelen en te besluiten. Het is voor de verzetrechter dan ook evident dat opposante haar verzoek valt in de typische sfeer van de strafvordering als bedoeld in artikel 1:6 van de Awb. 7.2. Ook oordeelt de verzetrechter dat de procedurele kant van het strafrecht niet los kan worden beschouwd en op grond van het bestuursrecht kan worden beoordeeld. Het OM wordt inderdaad bestuurd door het College, maar dit betekent niet dat zijn handelingen en besluiten onder het bestuursrecht vallen. Deze besluiten en handelingen kunnen namelijk niet los worden gezien van de opsporing en vervolging van strafbare feiten door het OM. Dit betekent, zoals is geoordeeld in de uitspraak van 19 maart 2026, dat artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb van toepassing is op de procedure van opposante. De verzetsgrond faalt. Heeft de rechtbank de zaak kennelijk mogen afdoen?
8. Op de zitting heeft opposante de uitspraak van 19 maart 2026 met drie vragen betwist. Zij vraagt zich als eerste af hoe de rechtbank uitspraak kon doen zonder eerst te beantwoorden of er sprake is van een aanvraag. Ten tweede heeft zij gevraagd wat de gevolgen zijn als een bestuursorgaan weigert te beslissen. Als laatste vraagt opposante of haar verzoek wel werkelijk buiten het bestuursrecht valt. Zij voert aan dat de rechtbank in de uitspraak van 19 maart 2026 niet is ingegaan op de eerste twee vragen. Uit de uitspraak en de procedureverloop blijkt dat de rechtbank geen zaak heeft gestart. 8.1. De verzetrechter begrijpt dat opposante graag een antwoord wil ontvangen op haar twee onbesproken gebleven vragen. De door haar gestelde vragen worden echter op grond van artikel 8:54 van de Awb in een bepaalde volgorde beantwoord. Voordat de bestuursrechter over de inhoud van een beroepschrift en haar beroepsgronden kan oordelen, moet de bestuursrechter eerst vaststellen of zij bevoegd is en vervolgens of het beroep ontvankelijk is. Om te oordelen of de bestuursrechter bevoegd is, heeft de bestuursrechter eerst besproken of artikel 1:6, eerste lid, onder a, van de Awb van toepassing is op het beroepschrift en het verzoek van opposante. De verzetrechter oordeelt dat in de uitspraak van 19 maart 2026 juist is vastgesteld dat in verband hiermee de regels over beroep uit de Awb niet van toepassing zijn. Dit betekent dat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd was om over de inhoud, de eerste twee vragen die opposante op zitting heeft gesteld, van het beroepschrift te oordelen. Omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd was, heeft de bestuursrechter ook mogen afgezien van het volgen van de procedure zoals omschreven in afdeling 8.2.2. van de Awb. De verzetsgrond faalt. Conclusie over het verzet
9. Het voorgaande betekent dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 van de Awb niet van toepassing zijn. Artikel 1:6 van de Awb bevat dwingend recht. Wanneer er sprake is van een beroep waarop artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb van toepassing is, dient de bestuursrechter zich onbevoegd te verklaren. Dit betekent dat het dictum van de uitspraak van 19 maart 2026 niet aansluit bij de motivering van de uitspraak. Het verzet slaagt daarom op dit punt. De uitspraak vervalt voor zover het dictum niet aansluit bij de motivering van de uitspraak. Dit betekent dat de uitspraak van 19 maart 2026 voor het overige in stand blijft. Beoordeling door de rechtbank van het beroep 10. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. 11. De rechtbank oordeelt dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 van de Awb niet van toepassing zijn. Dit betekent dat tegen een reactie op het verzoek van eiseres, dan wel tegen het uitblijven daarvan, geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Zij zal zich dan ook onbevoegd verklaren. Conclusie en gevolgen 12. De rechtbank is onbevoegd. Zij mag de zaak dus niet inhoudelijk behandelen. Omdat er geen griffierecht is geheven, kan dit niet worden teruggestort. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart dat de uitspraak van 19 maart 2026 vervalt voor zover het dictum niet aansluit bij de motivering van de uitspraak;
- verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I van Term, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open. Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit staat in artikel 130, eerste lid, van de Wet RO. Dit staat in artikel 130, tweede lid, van de Wet RO. Dit staat in artikel 130, vierde lid, van de Wet RO. Kamerstukken II 1996/97, 25392, nr. 3, p. 9 en 10. Artikel 1:6, eerste lid, onder a, van de Awb. Kamerstukken II, 1988/89, 21221, nr. 3, p. 43. Kamerstukken II, 1988/89, 21221, nr. 3, p. 44. Dit staat in artikel 8:54, eerste lid, onder a, van de Awb. De bewoording besluit(en) betekent niet direct een besluit in de zin van de Awb. Zie ook onder 5.1. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk. Dit staat in artikel 1:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.