ECLI:NL:RBZWB:2026:5840
NTB ZW EZWB
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBZWB:2026:5840
text/xml
public
2026-07-07T09:00:17
2026-07-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-06-30
BRE 26/2494
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Breda
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5840
text/html
public
2026-07-03T12:46:01
2026-07-07
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:5840 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-06-2026 / BRE 26/2494
NTB ZW EZWB
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2494
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
het UWV.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 9 oktober 2025, door het UWV ontvangen op 13 oktober 2025, om een besluit naar aanleiding van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWB) van [(ex-)werkneemster] , een (ex-)werkneemster van eiseres.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 9 oktober 2025 en het UWV heeft de aanvraag op 13 oktober 2025 ontvangen. Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het nemen van een besluit naar aanleiding van de EZWB is overschreden. Eiseres heeft het UWV op 14 januari 2026 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 15 januari 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift van 15 mei 2026 heeft het UWV uitgelegd dat vanwege het tekort aan verzekeringsartsen nog geen EZWB van de (ex-)werkneemster van eiseres heeft plaatsgevonden. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer het een besluit kan nemen.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een kortere termijn, zoals verzocht door eiseres, op te leggen.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Wijst de rechtbank het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade toe?
6. Eiseres heeft verzocht om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade en nog te lijden schade. De rechtbank stelt vast dat eisers onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden als gevolg van het niet op tijd beslissen door het UWV. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade dan ook af.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
wijst het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade af;
bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.