Moeder heeft stappen gezet en groei laten zien. De GI handhaaft het (aangehouden) verzoek machtiging tot uithuisplaatsing niet.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:6129
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-07-2026
Datum publicatie
12-08-2026
Zaaknummer
C/02/441645 / JE RK 25-1977
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
ECLI:NL:RBZWB:2026:6129text/xmlpublic2026-08-12T16:21:252026-07-09Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-06-08C/02/441645 / JE RK 25-1977UitspraakRekestprocedureBeschikkingNLMiddelburgCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6129text/htmlpublic2026-08-12T15:45:552026-08-12Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:6129 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-06-2026 / C/02/441645 / JE RK 25-1977 Moeder heeft stappen gezet en groei laten zien. De GI handhaaft het (aangehouden) verzoek machtiging tot uithuisplaatsing niet.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/441645 / JE RK 25-1977
Datum uitspraak: 8 juni 2026 Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de GI, over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. L.A.W. Hermans uit Venlo. 1Het verdere verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van 2 februari 2026 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken; de briefrapportage van de GI van 28 mei 2026, ontvangen op 28 mei 2026; het e-mailbericht van mr. Hermans van 1 juni 2026, ontvangen op 1 juni 2026; het op 2 juni 2026 ontvangen bericht van de GI. 2De feiten2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 september 2024, op schrift gesteld
op 26 september 2024, [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 september 2025. 2.3. De kinderrechter heeft bij beschikking van 9 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 12 september 2026. 2.4. Bij beschikking van 21 november 2025 is het verzoek van de GI om [minderjarige] (deeltijd) uit huis te plaatsen aangehouden tot de zitting van 2 februari 2026. 2.5. Bij beschikking van 2 februari 2026 is het verzoek van de GI om [minderjarige] (deeltijd) uit huis te plaatsen aangehouden tot 9 juni 2026 PRO FORMA. 3Het verzoek3.1. De GI heeft haar verzoek - zoals opgenomen in rechtsoverweging 3.1 en nader
toegelicht in rechtsoverweging 4.1 in de beschikking van deze rechtbank van 21 november
2025, te weten een (deeltijd) machtiging voor 3 tot 4 dagen - tijdens de zitting van 2 februari 2026 gewijzigd in een verzoekt om voor [minderjarige] een (deeltijd) machtiging tot uithuisplaatsing in een steungezin gedurende het weekend te verlenen. De GI verzoekt deze machtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De verdere beoordeling4.1. De kinderrechter verwijst naar haar beschikking van 2 februari 2026, waarbij het gewijzigde verzoek om een (deeltijd) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een steungezin gedurende het weekend te verlenen is aangehouden in afwachting van een nadere rapportage van de GI. Daarbij is aan de GI verzocht om haar nadere standpunt kenbaar te maken en te berichten of de GI het verzoek al dan niet handhaaft. 4.2. Uit de briefrapportage van de GI van 28 mei 2026 volgt dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt. Hij gaat nu drie dagdelen naar de kinderopvang, waarbij de kinderopvang zelf aangeeft dat [minderjarige] het goed doet. Ook binnen het moederkind-huis wordt gezien dat [minderjarige] goed gehecht is aan zijn moeder en dat hij goed meedraait op de groep. Sinds de zitting van 2 februari 2026 heeft de moeder een forse groei laten zien in haar opvoeding ten aanzien van [minderjarige] . De moeder gaat structureel naar haar werk, brengt en haalt [minderjarige] op tijd bij de kinderopvang, heeft wekelijks behandelingen voor haar alcoholverslaving en gaat de behandeling gemotiveerd aan. Het moederkind-huis heeft op 11 februari 2026 gemeld hun begeleidingsproces te stoppen zodat er goed zicht was op de opvoedvaardigheden van de moeder. Vervolgens is gebleken dat dit loslaten ervoor heeft gezorgd dat de moeder de zaken zelf is gaan oppakken en dat dit voor structuur en vertrouwen heeft gezorgd. Op 29 april 2026 heeft de moeder de GI laten weten dat zij in gesprek is geweest met haar begeleider vanuit [hulpverlening] en haar persoonlijke begeleider vanuit het moederkind-huis en dat zij een (uitstroom)plan heeft bedacht. Vanuit bovenstaande ontwikkelingen en het uitstroomplan dat door de moeder zelf is opgesteld heeft de GI er genoeg vertrouwen in dat [minderjarige] , ook na uitstroom van het moederkind-huis, bij de moeder kan verblijven. Wel zal de GI ten tijde van de uitstroom een schriftelijke aanwijzing opstellen, als stok achter de deur. Gelet op vorenstaande handhaaft de GI haar verzoek niet. Bij bericht van 2 juni 2026 heeft de GI aangegeven ook geen behoefte te hebben aan een behandeling ter zitting. 4.3. mr. Hermans heeft bij bericht van 1 juni 2026 aangegeven dat vanuit de moeder geen behoefte bestaat om een nadere mondelinge behandeling te plannen en dat de zaak op de stukken kan worden afgedaan. 4.4. De kinderrechter stelt vast dat de GI het verzoek ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige] niet langer handhaaft. De kinderrechter beschouwt dit verzoek dan ook als ingetrokken, zodat dit geen inhoudelijke beoordeling en beslissing meer behoeft. Zowel de GI als de moeder hebben aangegeven dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI afwijzen. 4.5. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 5De beslissing De kinderrechter: 5.1. wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.