Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:6505

8:55 Verzet ongegrond: belanghebbende is van mening dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. In het verzetschrift zijn diverse omstandigheden waarom het bezwaarschrift verschoonbaar te laat is. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de bezwaartermijn in dit geval niet verschoonbaar is. De stelling van belanghebbende is nie...

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:6505 text/xml public 2026-07-31T09:00:28 2026-07-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-21 BRE 24/7936, 24/7937 en 25/6624 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6505 text/html public 2026-07-30T09:21:12 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:6505 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-07-2026 / BRE 24/7936, 24/7937 en 25/6624
8:55 Verzet ongegrond: belanghebbende is van mening dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. In het verzetschrift zijn diverse omstandigheden waarom het bezwaarschrift verschoonbaar te laat is. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de bezwaartermijn in dit geval niet verschoonbaar is. De stelling van belanghebbende is niet met stukken onderbouwd. Belanghebbende heeft daarnaast niet inzichtelijk gemaakt dat hij zo spoedig als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd bezwaar heeft ingediend. De door belanghebbende aangehaalde uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat het oordeel van de rechtbank onjuist is.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 24/7936, 24/7937 en 25/6624
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van
<?linebreak?> [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2026 in het geding tussen

belanghebbende

en
de heffingsambtenaar van de gemeente Moerdijk, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de bezwaren over de WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerendezaakbelasting over de jaren 2020, 2021 en 2022 van het object [adres] niet tijdig waren ingediend bij de heffingsambtenaar.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Belanghebbende is niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar heeft mevrouw [persoon] deelgenomen aan de zitting.
1.2
De griffie heeft op 21 april 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 21 april 2026 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 23 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.
2.2
Termijnen van bezwaar en beroep volgen rechtstreeks uit de wet, dat wil zeggen dat het fatale termijnen zijn waarvan niet afgeweken kan worden, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met bijzondere omstandigheden. De omstandigheden die belanghebbende noemt, moeten dusdanig bijzonder zijn dat het hem niet verweten kan worden dat hij niet binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift heeft ingediend.
2.3
Naar het oordeel van de rechtbank is bij de in verzet bestreden uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. De rechtbank heeft daarbij terecht de dagtekening van het bezwaarschrift als bewijsrechtelijk uitgangspunt genomen voor het bepalen van de dag waarop het bezwaarschrift is ingediend.
2.4
Belanghebbende is van mening dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Hij stelt in zijn verzetschrift dat er diverse omstandigheden zijn waarom het bezwaarschrift verschoonbaar te laat is. De bijzondere omstandigheden heeft belanghebbende middels een tijdlijn weergegeven. Echter zijn de bijzondere omstandigheden niet onderbouwd door middel van bewijsstukken.
2.5
Volgens belanghebbende is het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding onhoudbaar geworden vanwege de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.
2.6
De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de bezwaartermijn in dit geval niet verschoonbaar is. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat er sprake was van persoonlijke omstandigheden die hem verhinderden tijdig bezwaar te maken, maar hij heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd. Ook heeft belanghebbende niet inzichtelijk gemaakt dat hij, nadat de belemmeringen (deels) waren weggevallen, zo spoedig als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd bezwaar heeft ingediend. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het is voor de rechtbank niet inzichtelijk geworden waarom belanghebbende na het verstrijken van periodes van respectievelijk 2,5 jaar, 3,5 jaar en 4,5 jaar wel in de gelegenheid was om zijn bezwaarschrift in te dienen, terwijl er in de door belanghebbende opgestelde tijdlijn op dat moment ook nog sprake was van bijzondere omstandigheden. De door belanghebbende aangehaalde uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat het oordeel van de rechtbank onjuist is; het is aan belanghebbende om daartoe de feiten en omstandigheden te stellen en bewijzen.
Conclusie en gevolgen
3. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 23 februari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.

griffier

rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.

Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Vgl. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.

Artikel delen