Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:6516

Afwijzing verzoek eenhoofdig gezag, wijziging zorgregeling. Kindbrief.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:6516 text/xml public 2026-08-19T15:03:01 2026-07-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-16 C/02/441389 / FA RK 25/5567 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6516 text/html public 2026-08-19T15:02:37 2026-08-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:6516 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-06-2026 / C/02/441389 / FA RK 25/5567
Afwijzing verzoek eenhoofdig gezag, wijziging zorgregeling. Kindbrief.

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/441389 / FA RK 25/5567

datum uitspraak: 16 juni 2026

beschikking over gezag en zorg-/omgangsregeling

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. drs. N. Wouters in Middelburg,

tegen

[de man] ,

hierna: de man,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. S. Köller in Wijk bij Duurstede,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, hierna: [minderjarige] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
<nr>1</nr>Het procesverloop 1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 21 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift tot wijziging van de zorg- c.q. omgangsregeling alsmede verzoek tot eenhoofdig gezag van de vrouw, met bijlagen;

- het F9-formulier van 13 mei 2026 van mr. Wouters, met bijlagen;

- het F9-formulier van 18 mei 2026 van mr. Köller, met bijlagen;

- de brief van mr. Köller van 18 mei 2026, met bijlagen;

- het F9-formulier van 18 mei 2026 van mr. Wouters, met bijlage.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 19 mei 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.
1.3
[minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. [minderjarige] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en op 18 mei 2026 een gesprek gehad met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
<nr>2</nr>De feiten 2.1
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.2
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.4
De rechtbank heeft op 23 december 2024 één beschikking gewezen in de zaken met het kenmerk C/02/418205 FA RK 24-275 en C/02/423469 / FA RK 24-2723.

In de zaak met kenmerk C/02/418205 FA RK 24-275 is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld die inhoudt dat [minderjarige] de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijft waarbij het wisselmoment op maandag is en waarbij de ouder waarbij [minderjarige] laatstelijk verbleef haar naar school brengt en de andere ouder haar na school ophaalt.
<nr>3</nr>De verzoeken 3.1
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt gewijzigd en wordt bepaald dat de vrouw voortaan het eenhoofdig gezag heeft over [minderjarige] ;

- de zorgregeling, zoals neergelegd in de beschikking van 23 december 2024 onder zaaknummers C/02/418205 FA RK 24-275 te wijzigen en een zorgregeling c.q. omgangsregeling vast te stellen waarbij de man één zaterdag per veertien dagen (d.w.z. de zaterdag in de oneven weekenden) omgang heeft met [minderjarige] .
3.2
De man voert geen verweer tegen de verzochte wijziging van de zorgregeling en legt zich neer bij het oordeel van de rechtbank. De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw tot verkrijging van het eenhoofdig gezag en verzoekt dat verzoek af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
Gezag
4.1
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de medewerking van de man ten aanzien van de benodigde hulverlening voor [minderjarige] ontbreekt en dat de man geen of pas laat toestemming geeft, waardoor er veel vertraging ontstaat. Doordat de man weinig betrokken is bij het leven van [minderjarige] , weet hij niet wat haar behoeften zijn. Ook vindt er geen communicatie tussen haar en de man plaats. Hierdoor is gezamenlijk gezag niet langer in het belang van [minderjarige] .
4.2
De man stelt dat het contact tussen hem en de vrouw minimaal is, maar dat hij zijn toestemming geeft daar waar dat nodig is. Hij vindt het belangrijk dat hulpverlening voor [minderjarige] wordt voortgezet en onthoudt zijn toestemming daarvoor niet. Volgens de man is er geen reden om het gezamenlijk gezag te beëindigen.
4.3
De Raad adviseert het gezamenlijk gezag in stand te laten. Er is geen sprake van een situatie waarin [minderjarige] klem en verloren is geraakt of dreigt te raken tussen de ouders. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat de [hulpverlening] voortgezet wordt. Daarnaast is het van belang dat ouders zelf hulp zoeken ter verbetering van hun onderlinge verstandverhouding.
4.4
De rechtbank overweegt als volgt.
4.5
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of één van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan, onder andere, als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over het kind krijgt.
4.6
De rechtbank moet dus eerst beoordelen of er sprake is van een wijziging van omstandigheden. In dat kader stelt de rechtbank vast dat partijen, als gevolg van een daartoe gezamenlijk ingediend verzoek, sinds 10 januari 2023 belast zijn met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . Begin 2024 is een co-ouderschapsregeling ontstaan. Sinds mei 2025 wordt aan die regeling geen uitvoering meer gegeven en verblijft [minderjarige] één zaterdag per veertien dagen bij de man. De rechtbank oordeelt dat dit een relevante wijziging van omstandigheid is, zodat de vrouw in haar verzoek tot wijziging van het gezag wordt ontvangen.
4.7
Op het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag is op grond van artikel 1:253n lid 1 BW ook artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.8
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is in het algemeen vereist dat ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, dan wel tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
4.9
Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, stelt de rechtbank vast dat partijen (nog steeds) niet goed in staat zijn om constructief met elkaar te communiceren en te overleggen over [minderjarige] . De onderlinge communicatie en samenwerking heeft (nog steeds) verbetering nodig. Het ontbreken van een goede communicatie tussen partijen vormt echter op zichzelf onvoldoende grond om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Vereist is dat [minderjarige] als gevolg daarvan daadwerkelijk klem of verloren raakt tussen de ouders. Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Partijen zijn namelijk, zij het moeizaam en beperkt, nog steeds in staat elkaar te benaderen en te overleggen wanneer dat in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Zo hebben zij contact met elkaar gehad toen [minderjarige] een ongeluk had gehad en geopereerd moest worden, is de huidige zorgregeling onderling afgestemd en is de benodigde hulpverlening voor [minderjarige] bij [zorginstelling] opgestart. Hieruit volgt dat tussen partijen nog een minimale basis bestaat voor overleg en afstemming over gezagsbeslissingen die ten aanzien van [minderjarige] genomen moeten worden. Niet gebleken is dat de man sinds hij mede met het gezag over [minderjarige] is belast structureel noodzakelijke medewerking weigert of zonder redelijke grond noodzakelijke toestemming onthoudt. Evenmin is gebleken dat beslissingen over [minderjarige] door het gezamenlijk gezag worden geblokkeerd. De vrouw heeft daartoe onvoldoende concrete en recente voorbeelden aangevoerd en onderbouwd. Op basis van de beschikbare informatie kan de rechtbank niet vaststellen dat de stilgezette hulpverlening van [minderjarige] bij [hulpverlening] te wijten is aan het gedrag en de houding van de man. Tijdens de zitting heeft de man aangegeven dat hij zijn medewerking zal (blijven) verlenen aan het regelen van (gezags)zaken en het nemen van (gezags)beslissingen over [minderjarige] . De rechtbank gaat er van uit dat de man deze toezegging zal nakomen.
4.10
De rechtbank betrekt verder in haar overwegingen de door [minderjarige] geuite behoefte aan meer contact met en betrokkenheid van de man in haar leven. Hoewel zij zich realiseert dat dit momenteel niet gaat, wenst zij een zorgregeling waarbij zij beide ouders evenveel ziet. In het licht van deze behoefte en wens is de rechtbank van oordeel dat het voor [minderjarige] belangrijk is dat zij weet dat beide ouders verantwoordelijk zijn voor haar welzijn. Gezamenlijk gezag is hier een bevestiging van. Tegen deze achtergrond wordt eenhoofdig gezag door de vrouw niet in het belang van [minderjarige] geacht.
4.11
De rechtbank ziet, net als de Raad, geen aanleiding om partijen te verwijzen naar een hulpverleningstraject. Voor [minderjarige] is het van belang dat er rust en duidelijkheid komt en dat het reeds ingezette hulpverleningstraject bij [hulpverlening] voortgezet wordt. Van partijen mag worden verwacht dat zij hun verantwoordelijkheid nemen, oog houden voor de behoeften van [minderjarige] en blijven zoeken naar mogelijkheden om de uitvoering van hun gezamenlijke ouderrol te verbeteren.
4.12
Gelet op het voorgaande is het de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van een situatie waarin [minderjarige] klem of verloren raakt of dreigt te raken wanneer het gezamenlijk gezag in stand gelaten wordt of dat een wijziging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot verkrijging van het eenhoofdig gezag daarom afwijzen.

Zorgregeling
4.13
Nu het verzoek van de vrouw tot verkrijging van het eenhoofdig gezag zal worden afgewezen, wordt hierna gesproken over een zorgregeling in plaats van een omgangsregeling.
4.14
In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen eveneens een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten: een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
4.15
Op grond van artikel 1:377e BW, gelezen in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen, onder meer, een beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
4.16
De rechtbank stelt vast dat geen uitvoering meer wordt gegeven aan de bij beschikking van 23 december 2024 vastgestelde co-ouderschapsregeling. Er is dus sprake is van gewijzigde omstandigheden, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek.
4.17
Op dit moment verblijft [minderjarige] één zaterdag per veertien dagen bij de man. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij voornamelijk door persoonlijke omstandigheden op dit moment geen uitvoering kan geven aan de eerder vastgestelde co-ouderschapsregeling. Hoewel de rechtbank dit, zeker gelet op de wens van [minderjarige] om meer contact met de man te hebben, betreurt, is het voor [minderjarige] van belang dat zij duidelijkheid en structuur heeft in de contacten met de man. Gelet op de huidige, in de praktijk haalbare, zorgregeling alsmede de referte van de man, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. De rechtbank spreekt het vertrouwen uit dat zodra er mogelijkheden zijn voor meer contact tussen de man en [minderjarige] partijen daar in onderling overleg afspraken over maken.

Kindbrief
4.18
De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige] zelf te horen krijgt wat er in deze

procedure wordt beslist, maar ook dat de andere betrokkenen weten wat de rechtbank

hierover aan haar terugkoppelt. Hierna zal de rechtbank zich daarom tot [minderjarige] richten. Deze

tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar [minderjarige] wordt gestuurd.

Beste [minderjarige] ,

Op 18 mei 2026 hebben wij elkaar gesproken. Vandaag heb ik een beslissing genomen. Ik heb met jou afgesproken dat ik mijn beslissing ook aan jou zou vertellen. Daarom krijg je deze brief.

Ik heb besloten dat jij je papa één zaterdag in de veertien dagen ziet. Het blijft dus zoals het nu is. Jij hebt mij duidelijk verteld dat jij je papa graag vaker zou willen zien. Ik zou dat ook fijn voor jou vinden, maar op dit moment gaat dat niet. Ik hoop dat als de situatie bij je papa beter wordt, je hem weer vaker kunt zien.

Ik heb ook besloten dat jouw papa en mama beslissingen over jou blijven nemen en dus niet alleen jouw mama. Jouw papa en mama kunnen niet goed met elkaar praten, maar ik vind dat ze hun best moeten doen om dat te verbeteren. Tot nu toe hebben jouw papa en mama alle belangrijke beslissingen die over jou genomen moesten worden, kunnen nemen. Ik vind het voor jou belangrijk dat zij in de toekomst die beslissingen ook samen blijven nemen. Ook dit blijft dus zoals het nu is.

Ik hoop dat je mijn beslissing begrijpt. Ik wens je het allerbeste voor de toekomst.

De kinderrechter

Uitvoerbaar bij voorraad
4.19
De rechtbank zal de beslissing tot wijziging van de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
<nr>5</nr>De beslissing
De rechtbank
5.1
wijst het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag af;
5.2
stelt, uitvoerbaar bij voorraad, onder wijziging van de beschikking van 23 december 2024 in de zaak met kenmerk C/02/418205 / FA RK 24-275, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast die inhoudt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, één zaterdag per veertien dagen (te weten de zaterdag in de oneven weekenden) bij de man verblijft.

Deze beschikking is gegeven door mr. Polak, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van ‘t Westeinde, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Artikel delen