Bestuurlijke boetes. Betalingsherinnering. Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:6705
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-07-2026
Datum publicatie
04-08-2026
Zaaknummer
BRE 25/6616 en 25/6617
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBZWB:2026:6705text/xmlpublic2026-08-04T13:13:052026-07-21Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:6706Rechtbank Zeeland-West-Brabant2026-07-23BRE 25/6616 en 25/6617UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLMiddelburgBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6705text/htmlpublic2026-08-04T12:03:152026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:6705 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-07-2026 / BRE 25/6616 en 25/6617 Bestuurlijke boetes. Betalingsherinnering. Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/6616 en 25/6617
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister. Samenvatting 1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de beroepen van eiser tegen de beslissingen op bezwaar van 17 november 2025, waarbij de minister de bezwaren van eiser ongegrond heeft verklaard en de bestuurlijke boetes van 1 september 2025 in stand heeft gelaten. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de bestuurlijke boetes ten onrechte heeft opgelegd. Aan het opleggen van de bestuurlijke boetes had een betalingsherinnering vooraf dienen te gaan. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze op het adres van eiser zijn ontvangen. Eiser krijgt gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 7 december 2024 is de A24/Blankenburgverbinding geopend. De A24 verbindt de A20 bij Vlaardingen met de A15 bij Rozenburg. Om de aanleg van de A24 te kunnen financieren wordt tol geheven. Tolheffing gaat via E-tol, elektronisch betalen. Dat betekent dat betalen automatisch geschiedt via een aanbieder of via een betaling online. Er zijn geen tolpoortjes. Betaling van een tolrit kan vanaf zeven dagen vooraf tot drie dagen (72 uur) achteraf plaatsvinden. Het toltarief wordt vastgesteld bij ministeriële regeling en bedraagt in dit geval € 1,51 per rit. Als te laat wordt betaald volgt een betalingsherinnering. Deze betalingsherinnering is het eerste jaar na opening nog kosteloos. Daarna wordt hiervoor een bedrag van € 9,- in rekening gebracht. Als betaling dan nog steeds uitblijft wordt een bestuurlijke boete opgelegd. Het boetebedrag is in de wet vastgesteld op een bedrag van€ 35,– vermeerderd met het oorspronkelijke toltarief. De tolheffing en de handhaving hiervan worden geregeld in de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15. 2.1. Op 5 juli 2025 heeft het voertuig met kenteken [kenteken] op twee verschillende momenten over de A24 gereden: om 13:08 uur en om 20:07 uur. Dit voertuig staat op naam van eiser, zo blijkt uit het kentekenregister van de Dienst wegverkeer. Zaak 25/6616 heeft betrekking op de tolrit van 13:08 uur en zaak 25/6617 heeft betrekking op de tolrit van 20:07 uur. 2.2. De verschuldigde tol voor deze twee tolritten is niet tijdig, dat wil zeggen binnen 72 uur na de tolrit, ontvangen. Aan eiser zijn daarom volgens de minister op 10 juli 2025 met dagtekening 17 juli 2025 twee betalingsherinneringen gestuurd (één voor elke tolrit). 2.3. Na het uitblijven van betaling, heeft de minister op 1 september 2025 twee bestuurlijke boetes opgelegd (de primaire besluiten). De boetes bedragen elk € 36,51 (€ 35,– plus het oorspronkelijke toltarief van € 1,51). 2.4. Eiser heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. 2.5. De minister heeft op 17 november 2025 de beslissingen op bezwaar genomen, waarbij de bezwaren ongegrond zijn verklaard (de bestreden besluiten). De primaire besluiten zijn hiermee in stand gelaten. 2.6. Eiser heeft op 17 december 2025 beroep tegen de bestreden besluiten ingesteld. 2.7. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 2.8. De rechtbank heeft de beroepen op 25 juni 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de minister mr. B.S. Kruize. Beroepsgronden 3. Eiser voert aan dat de minister de bestuurlijke boetes ten onrechte heeft opgelegd, omdat hij voorafgaand aan beide boetes geen betalingsherinnering ontvangen heeft. Daarnaast stelt eiser dat zijn persoonlijke verwijtbaarheid ontbreekt bij het niet (tijdig) betalen van de E-tol. Beoordeling door de rechtbank Heeft de minister aannemelijk gemaakt dat de betalingsherinneringen zijn verstuurd? 4. Uit de artikelen 8, tweede en derde lid, en 12, tweede lid, van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 volgt dat voorafgaand aan het opleggen van een bestuurlijke boete een betalingsherinnering moet worden verzonden. Daarom is van belang te beoordelen of dat is gebeurd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat als de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit (hier gelijk te stellen met de betalingsherinnering) niet heeft ontvangen, het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Daartoe volstaat in eerste instantie het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres door een bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf. Omdat de bij deze postvervoerbedrijven aangeboden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd rechtvaardigt het gebruik maken van deze bedrijven het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Vereist is wel dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat er een deugdelijke verzendadministratie is. Verder mag niet gebleken zijn van recente, concrete problemen bij de verzending van poststukken.
Als het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. De geadresseerde hoeft daarvoor niet aannemelijk te maken dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betalingsherinneringen naar het adres van eiser zijn verzonden, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser ze heeft ontvangen. Zo zijn de adressering en de verzenddatum van de betalingsherinneringen niet te controleren. Beide betalingsherinneringen ontbreken namelijk in de zaakdossiers en zijn volgens de minister niet te reproduceren omdat ze vernietigd zijn. Daarnaast komt de rechtbank tot dit oordeel, omdat het versturen van de opdrachten aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) tot verzending van de betalingsherinneringen ook niet uit de interne administratie van het ministerie (lees: het logboek en het toldossier) blijkt. Ook heeft de minister geen administratie ingediend van de ontvangst en de uitvoering van deze gestelde opdrachten door het CJIB. Van een deugdelijke verzendadministratie is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake. Daarnaast kan vanwege het ontbreken van de betalingsherinneringen niet worden beoordeeld of de in de gestelde betalingsherinnering gestelde termijn was verstreken toen de boetes werden opgelegd. 4.2. Omdat aan het opleggen van een bestuurlijke boete een betalingsherinnering vooraf dient te gaan en de minister dus niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betalingsherinneringen op het adres van de geadresseerde zijn ontvangen, vernietigt de rechtbank de bestreden besluiten. Bij het ontbreken van een betalingsherinnering ontbreekt gezien artikel 12, tweede lid van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 immers de wettelijke grondslag om een bestuurlijke boete op te leggen. Gelet hierop behoeft het overige dat door eiser is aangevoerd geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 5. De beroepen zijn gelet op het voorgaande gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en herroept de primaire besluiten. Voor het bieden van een herstelmogelijkheid aan de minister ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat de minister heeft toegelicht dat de gestelde betalingsherinneringen zijn vernietigd. Uit de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 volgt dat de verplichting tot het betalen van het toltarief vervalt bij het opleggen van een bestuurlijke boete. Het boetebedrag van € 36,51 is het oorspronkelijke tolbedrag van € 1,51, vermeerderd met een bedrag van € 35,-. Het totaal van die bedragen is de bestuurlijke boete. De rechtbank kan om die reden niet anders dan de volledige boete vernietigen. De rechtbank begrijpt ook uit de Memorie van Toelichting bij de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 dat bij vernietiging van de boete geen toltarief meer hoeft te worden betaald. 5.1. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de minister de door eiser betaalde griffierechten vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Beslissing De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- herroept de primaire besluiten van 1 september 2025;
- draagt de minister op de door eiser betaalde griffierechten te vergoeden. Dit bedraagt in totaal € 106,- (2 x € 53,-). Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 23 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 Artikel 8, tweede en derde lid 2. Bij ministeriële regeling kan, in afwijking van artikel 4:112 van de Algemene wet bestuursrecht, een termijn worden gesteld waarbinnen de houder, bedoeld in artikel 7, eerste lid, na aanmaning dient te betalen. 3. In afwijking van artikel 4:112, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt de aanmaning dat bij niet tijdige betaling een bestuurlijke boete kan worden opgelegd en de boete kan worden afgedwongen door op kosten van de houder uit te voeren invorderingsmaatregelen. Artikel 12, eerste en tweede lid 1. Het niet of niet geheel betalen van het toltarief binnen de op grond van artikel 7b, eerste lid, gestelde termijn is een overtreding ter zake waarvan Onze Minister aan de houder, een bestuurlijke boete kan opleggen, die bestaat uit een bedrag van € 35,– vermeerderd met het oorspronkelijke toltarief en, indien paragraaf 2.2.1 van toepassing is, de aanmaningsvergoeding. 2. Als een aanmaning tot betaling van het toltarief is verzonden, wordt de bestuurlijke boete niet opgelegd dan nadat de termijn, bedoeld in artikel 8, tweede lid, is verstreken. Artikel 13 De verplichting tot betaling van het toltarief en de aanmaningsvergoeding, bedoeld in artikel 4:113, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vervalt als een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 12, eerste lid, is opgelegd. Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3982. Dit volgt uit artikel 12, eerste lid, van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15. Zie Kamerstukken II, 2014–2015, 34 189, nr. 3. p. 25.