Verlening ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 September 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7132
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-08-2026
Datum publicatie
03-09-2026
Zaaknummer
C/02/448804 / JE RK 26-953
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
ECLI:NL:RBZWB:2026:7132text/xmlpublic2026-09-03T08:57:082026-08-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-07-03C/02/448804 / JE RK 26-953UitspraakRekestprocedureBeschikkingNLBredaCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7132text/htmlpublic2026-09-03T08:56:302026-09-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:7132 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-07-2026 / C/02/448804 / JE RK 26-953 Verlening ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/448804 / JE RK 26-953
Datum uitspraak: 3 juli 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te locatie Rotterdam,
hierna te noemen de GI, over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. D.N. van Wensen uit Lage Zwaluwe,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] . 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 juni 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de advocaat van de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI. De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. 2De feiten2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 7 juli 2025 tot 7 juli 2026. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 januari 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 7 juli 2026. 2.4.
[minderjarige] verblijft op basis van de voorgenoemde machtiging in een pleeggezin. 3Het verzoek3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. 3.2. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. 3.3. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten Standpunt van de GI 4.1. De GI legt het volgende ten grondslag aan de verzoeken. De afgelopen periode hebben de ouders stappen gezet met betrekking tot hun persoonlijke problematiek. De vader is inmiddels ruim acht maanden clean. De omgang tussen de vader en [minderjarige] is uitgebreid naar elke maandag onbegeleid van 13.00 uur tot 18.30 uur. Ook haalt hij [minderjarige] op donderdag op van het kinderdagverblijf en blijft [minderjarige] dan bij hem eten. Hij neemt meer opvoedtaken op zich. De moeder heeft in februari nog een terugval gehad, maar sindsdien zet zij positieve stappen. Zij was sinds april 2026 vrijwillig opgenomen bij de kliniek ‘ [kliniek] ’. Gedurende de opname heeft de moeder urinecontroles gedeeld met de GI. Samen met het FACT-team en [hulpverlening] heeft de GI gekeken hoe de omgang tussen de moeder en [minderjarige] tijdens de opname kon worden uitgebreid. Inmiddels is de moeder weer thuis en ontvangt zij twee keer per week intensieve ambulante begeleiding vanuit het FACT-team. De moeder en [minderjarige] hebben momenteel twee keer per week gedurende zes uur lang contact, op woensdag en op zondag. Verder is er de afgelopen tijd meer rust gekomen bij de pleegouders en is hun rol duidelijker geworden. De screening is positief verlopen en [minderjarige] mag daar blijven wonen. Er is wel nog een zorg dat de pleegouders geen vertrouwen hebben in beide ouders vanwege hun verslavingsachtergrond. De ouders hebben het beste met elkaar voor en staan beiden open om de opvoeding van [minderjarige] met elkaar op te pakken. 4.2. De komende periode dienen de ouders verder te stabiliseren. Daarnaast moeten de omgangsmomenten worden uitgebreid worden en dienen de opvoedvaardigheden van de ouders nog onderzocht te worden door middel van de beoordelingsboog vanuit Sterk Huis. De vader is twee maanden geleden gestart met de beoordelingsboog. Doordat de moeder nog niet lang genoeg clean was, kon zij nog niet starten. De komende periode zal de moeder ook betrokken worden bij de beoordelingsboog en zal de GI onderzoeken hoe de ouders de zorg en opvoeding voor [minderjarige] kunnen verdelen. De ouders zullen geleidelijk aan terug worden gezet in hun ouderrol, zodat het risico op een terugval klein is. Het doel is een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouders, waarbij de pleegouders eventueel als structurele opvang betrokken blijven. Er zal daarom gekeken moeten worden wat beide ouders aan kunnen. De GI heeft geen zorgen over de opvoedvaardigheden van beide ouders, echter is het (voormalig) middelengebruik wel nog een zorg vanuit de GI. De ouders zijn daardoor in het verleden namelijk meermaals niet beschikbaar geweest voor [minderjarige] . Standpunt van de vader 4.3. De vader heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij inmiddels acht maanden clean is. Hij komt daarnaast zijn afspraken na en ziet [minderjarige] regelmatig. De vader wil het liefst dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer bij de ouders woont. De vader vindt ook dat het contact geleidelijk opgebouwd moet worden. Het duurt echter wel erg lang en [minderjarige] wordt steeds ouder. Daarnaast is de vader toe aan de volgende stap in het contact. Standpunt van de moeder 4.4. Namens de moeder heeft de advocaat tijdens de zitting naar voren gebracht dat de moeder sinds een week weer thuis is en dat het goed met haar gaat. De verstandhouding tussen de moeder en de GI is goed en de moeder heeft vertrouwen in de GI. Zij heeft geen bezwaar tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder vindt een periode van een jaar lang voor de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij hoopt daarom dat eraan gewerkt wordt om de uithuisplaatsing voortijdig te beëindigen. 5De beoordeling Wat zegt de wet? 5.1. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan. 5.2. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet: de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn. 5.3. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en maximaal voor de duur van een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) zijn voldaan. 5.4. Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. Wat vindt de kinderrechter? 5.5. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.6. De ouders hebben de afgelopen periode allebei hard gewerkt aan hun verslavingsproblematiek. Zo is de vader inmiddels acht maanden clean en heeft de moeder haar opname bij [kliniek] afgerond. De omgang tussen [minderjarige] en beide ouders is daarnaast uitgebreid in de afgelopen tijd. Daarnaast hebben de ouders het beste met elkaar voor en gunnen zij het elkaar om een goede ouder te kunnen zijn of worden voor [minderjarige] . De kinderrechter complimenteert beide ouders met deze positieve stappen. Deze positieve stappen zijn echter nog pril en er moeten nog verschillende stappen gezet worden. De zorgen die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling zijn nog steeds aanwezig en de doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt daarom nog steeds ernstig bedreigd. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders zien dit zelf ook in en stemmen in met een verlenging van de ondertoezichtstelling. De komende periode is het van belang dat de positieve ontwikkelingen worden gewaarborgd en gecontinueerd. De kinderrechter acht de betrokkenheid van een jeugdbeschermer daarom nog noodzakelijk om het gezin passende hulp en ondersteuning te blijven bieden en om de belangen en de ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen. Het is belangrijk dat de ouders de samenwerking met de GI verder aangaan en zich inzetten voor de hulpverlening. 5.7. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. 5.8. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. 5.9. Op dit moment is het nog niet mogelijk voor [minderjarige] om volledig bij (een van) de ouders te wonen. Beide ouders zien dit ook in en vinden een machtiging tot uithuisplaatsing nog nodig. De screening van de pleegouders is positief verlopen en voor nu mag [minderjarige] daar blijven wonen. De kinderrechter acht het van belang dat [minderjarige] de komende periode nog bij de pleegouders zal blijven. Voor een thuisplaatsing is het nodig dat er eerst een aantal stappen gezet worden. De komende periode zal er gekeken worden of de omgang tussen [minderjarige] en beide ouders uitgebreid kan worden. Daarnaast zal door middel van de beoordelingsboog gekeken worden wat beide ouders aan kunnen in de opvoeding en verzorging van [minderjarige] , zodat er vervolgens constructieve afspraken gemaakt kunnen worden rondom het opvoeden van [minderjarige] . De ouders worden zo geleidelijk aan teruggezet in hun ouderrol, om de druk bij de ouders zo klein mogelijk te houden en zo het risico op een terugval te voorkomen. Het is de komende periode van groot belang dat beide ouders clean blijven en dat de ouders de omgangsmomenten en afspraken structureel nakomen. Er zijn namelijk geen zorgen over de opvoedvaardigheden van beide ouders, zo lang zij clean blijven. 5.10. De kinderrechter acht het van belang dat er de komende periode zorgvuldig gekeken wordt wat er mogelijk is. Om de continuïteit te waarborgen en te voorkomen dat er te snel stappen moeten worden gezet door de ouders en er daardoor (te veel) druk op hen wordt gelegd, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de verzochte duur van een jaar. Daarbij merkt de kinderrechter op dat de GI de ruimte heeft om binnen de machtiging tot uithuisplaatsing te kijken wat mogelijk is. Een verlenging voor een jaar hoeft niet te betekenen dat hieraan voor die volle duur daadwerkelijk uitvoering moet worden gegeven. Het is namelijk niet de bedoeling dat [minderjarige] langer dan noodzakelijk in het pleeggezin blijft. Op het moment dat de GI mogelijkheden ziet voor een (proef)plaatsing van [minderjarige] bij (een van) de ouders, zal hiernaar door de GI gehandeld worden. 5.11. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 7 juli 2026 tot 7 juli 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 7 juli 2026 tot 7 juli 2027; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 14 juli 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.