Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:7699

Afwijzing vordering nakoming omgangsregeling. Overeenstemming over informatieregeling.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:7699 text/xml public 2026-09-24T14:50:11 2026-08-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-14 C/02/448283 / KG ZA 26-251 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7699 text/html public 2026-09-22T12:50:54 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:7699 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-07-2026 / C/02/448283 / KG ZA 26-251
Afwijzing vordering nakoming omgangsregeling. Overeenstemming over informatieregeling.

vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

zaaknummer C/02/448283 / KG ZA 26-251

14 juli 2026

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat: mr. drs. N. Wouters te Middelburg,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat: mr. E.M.A. Leijser te Tilburg.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

hierna: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 5 producties.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak – met gesloten deuren – mondeling behandeld ter zitting van 30 juni 2026, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Ter zitting zijn partijen verschenen, ieder bijgestaan door hun advocaat. Ook is een vertegenwoordiger namens de Raad aanwezig geweest.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020. De vrouw is alleen belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.2.
De man heeft – middels vervangende toestemming tot erkenning – [minderjarige] erkend.

Bij beschikking van deze rechtbank van 17 maart 2025 (zaaknummer C/02/379746 / FA RK 20-6388) heeft de rechtbank het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag afgewezen en heeft de rechtbank bepaald dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar eens per twee weken gedurende anderhalf uur.
2.3.
Onder rechtsoverweging 3.13 is in de beschikking van 17 maart 2025 opgenomen, dat partijen met elkaar de afspraak hebben gemaakt dat de vrouw telkens in de laatste week van de maand de man zal informeren over de ontwikkeling en gezondheid van [minderjarige] en over gewichtige zaken welke zich met betrekking tot de minderjarige hebben voorgedaan. De vrouw zal daarbij tevens een of meerdere foto’s voegen. Tevens is afgesproken dat, ter bescherming van de belangen van de minderjarige, de man de ontvangen foto’s niet zal delen via social media en er overigens prudent mee om zal gaan. De informatieregeling zal lopen via SDW.
2.4.
De man is tegen de uitspraak van 17 maart 2025 in hoger beroep gegaan, maar heeft dit hoger beroep later ingetrokken. Bij beschikking van 15 januari 2026 heeft het gerechtshof de man daarom niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2.5.
Sinds april 2026 is er geen omgang tussen de man en [minderjarige] ,
<nr>3</nr>De vorderingen 3.1.
De man vordert in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

1. de omgangsregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 17 maart 2025 (zaaknummer C/02/379746 / FA RK 20-6388) voorlopig te wijzigen en de vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] gedurende iedere zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] in de ochtend naar de man brengt en de man [minderjarige] in de avond naar de vrouw terugbrengt;

Subsidiair:

2. de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de contact- c.q. omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] , zoals vastgelegd in de beschikking van 17 maart 2025 (zaaknummer C/02/379746 / FA RK 20-6388);

In alle gevallen:

3. de vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan een informatieregeling, waarbij zij iedere laatste week van de maand de man zal informeren over de ontwikkeling en de gezondheid van [minderjarige] en over gewichtige zaken, waarbij in ieder geval maandelijks wordt geïnformeerd over school, gezondheid, hulpverlening, sociale ontwikkelingen en bijzondere activiteiten van [minderjarige] , en waarbij tenminste twee foto’s worden toegevoegd;

4. dan wel een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht;

5. dit alles op verbeurte van een dwangsom van € 100,= voor ieder(e) dag(deel) dat de vrouw in gebreke blijft aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van € 15.000,=, subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vorderingen vast, nu hij sinds medio april 2026 geen contact meer met [minderjarige] heeft en de informatieregeling niet onverkort wordt nagekomen.
4.2.
Door de man is aangevoerd dat het contact tussen partijen vanaf november 2025 (tijdelijk) hersteld is geweest. Dit kwam mede doordat de vrouw haar relatie met haar toenmalige partner had verbroken. Het traject van begeleide omgang door SDW werd toen door partijen stopgezet. In de periode van december 2025 tot en met april 2026 was het contact tussen partijen goed. De man had in die periode regelmatig contact met [minderjarige] , zowel bij de vrouw thuis als bij hemzelf thuis. Ook heeft de man [minderjarige] meerdere keren van school opgehaald en haar gesproken via videobellen. Naar de mening van de man ervaarde de vrouw in die periode ook stress van de echtscheiding met haar voormalige partner. Zo wilde deze partner ook contact onderhouden met [minderjarige] , terwijl hij daar – in de visie van de man – geen recht op heeft. Partijen kregen daar discussies over. Uiteindelijk heeft de vrouw de omgang tussen de man en [minderjarige] in april 2026 geheel stopgezet. Ook geeft de vrouw sinds mei 2026 geen informatie meer aan de man en komt zij de afgesproken informatieregeling niet meer na. De Raad heeft onderzoek gedaan en heeft geconcludeerd dat contactherstel niet in het belang van [minderjarige] is, maar het rapport is niet ontvangen door de man en de man voelt zich niet voldoende gehoord door de Raad.
4.3.
Door de Raad is toegelicht dat zeer onlangs, na een melding door het Centrum voor Jeugd en Gezin, onderzoek is gedaan naar de gezinssituatie van de vrouw en haar drie kinderen, waaronder [minderjarige] . Dit beschermingsonderzoek is op 10 juni 2026 afgerond. De Raad zag onvoldoende aanleiding om een ondertoezichtstelling te verzoeken. Na een eerder raadsonderzoek had de Raad, onder meer naar aanleiding van een rapportage van SDW over het verloop van begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] , het advies gegeven om begeleide omgang in te zetten. In het recente beschermingsonderzoek is die rapportage niet meegenomen. Dit alles neemt volgens de Raad niet weg dat inmiddels grote zorgen naar voren zijn gekomen over het contact tussen de man en [minderjarige] , omdat de dreigende wijze waarop de man bij de vrouw contact afdwingt met [minderjarige] voor veel spanningen zorgt bij de vrouw. Zo heeft de Raad tijdens het onderzoek zorgelijke geluidsopnamen gehoord, zoals dat de man dreigt bij de vrouw thuis molotovcocktails naar binnen te gooien. Vanwege de angst bij de vrouw voor de man gaat zij over haar grenzen heen en is zij ook weer intiem geweest met de man. Hierbij komt dat de man [minderjarige] belast met uitspraken die bij [minderjarige] voor veel verwarring zorgen. Op dit moment wijst zij haar vader af. Bij dit alles komt dat de vrouw tevens wordt belast met de scheiding van haar laatste partner, hetgeen eveneens zorgt voor veel onrust in de thuissituatie bij de vrouw. Dit alles zo zijnde ziet de Raad voor contactherstel tussen de man en [minderjarige] op dit moment geen ruimte. De Raad acht dat niet in het belang van [minderjarige] . Er is veel hulpverlening in het gezin van de vrouw. Zo is aan de kinderen, waaronder [minderjarige] , een kindbehartiger toegewezen. Voorts zal bij SDW weer een aanmelding moeten worden gedaan voor begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] . Naar de mening van de Raad moet dat eerst een kans worden gegeven.
4.4.
De vrouw sluit zich geheel aan bij het advies van de Raad. Begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] acht de vrouw het maximaal haalbare. Naar de mening van de vrouw valt uit het rapport van SDW ook op te maken dat de man en [minderjarige] bij de omgang gebaat zijn bij ondersteuning. De vrouw leidt uit het rapport van SDW af dat er groeisignalen te zien waren en dat het contact op zichzelf goed verliep, maar dat [minderjarige] ook afstand hield tot haar vader, wellicht omdat er twee vaders in beeld waren.

SDW gaf toen in elk geval het advies om de begeleide omgang langer te laten doorlopen.

De vrouw erkent dat partijen in november 2025 zijn afgeweken van de door de rechtbank vastgestelde regeling en dat zij tussen de man en [minderjarige] onbegeleid contact heeft toegestaan. De vrouw ziet achteraf in dat dat niet de juiste keuze is geweest. Gezien de onrustige situatie waarin de vrouw zich momenteel bevindt vanwege de echtscheiding met haar vorige partner en de dreigementen die de man richting haar en haar omgeving uit, acht de vrouw voor omgang tussen de man en [minderjarige] op dit moment geen plaats. Met de Raad is de vrouw van mening dat gewacht moet worden totdat bij SDW de begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] van start zal kunnen gaan. Volgens de vrouw wil [minderjarige] op dit moment ook niet naar de man. Concluderend is de vrouw van mening dat de man geen spoedeisend belang heeft bij zijn op de omgang gerichte vorderingen en dat deze vorderingen moeten worden afgewezen.
4.5.
De voorzieningenrechter overweegt dat als uitgangspunt in dit kort geding de door de rechtbank bij beschikking van 17 maart 2025 vastgestelde omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] heeft te gelden. Weliswaar is gebleken dat partijen korte tijd zelfstandig van die regeling zijn afgeweken in die zin dat de man toen frequenter en onbegeleid contact met [minderjarige] had, maar dit is onvoldoende om ervan uit te gaan dat er aldus een structurele, van die beschikking afwijkende omgangsregeling tot stand is gekomen. Gesteld noch gebleken is dat partijen de intentie hebben gehad om structureel van de in rechte vastgestelde omgangsregeling af te wijken, terwijl ook niet gesteld of gebleken is dat zij dienaangaande expliciete afspraken hebben gemaakt voor een structurele wijziging van de omgangsregeling. Dit maakt dat uitgegaan moet worden van de bij beschikking van 17 maart 2025 vastgestelde omgangsregeling. Slechts indien sprake is van dermate zwaarwegende feiten en/of omstandigheden die maken dat de vastgestelde regeling op dit moment niet in het belang van de minderjarige kan worden geacht, kan bij wijze van ordemaatregel die regeling in afwachting van een bodemprocedure aangepast worden.
4.6.
De Raad concludeert, na zeer recent onderzoek, dat er voor contactherstel tussen de man en [minderjarige] op dit moment geen ruimte aanwezig is. Hoewel de man betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan bedreigingen richting de vrouw en hij heeft gesteld dat de situatie bij de vrouw altijd onrustig is en de vrouw zich in de communicatie met hem ook niet onbetuigd heeft gelaten, ziet de voorzieningenrechter geen redenen om te twijfelen aan de onderzoeksbevindingen en conclusie van de Raad dat het in de thuissituatie bij de vrouw, met name door toedoen van de man, op dit moment te onrustig is voor omgang tussen de man en [minderjarige] . Gebleken is bovendien dat de man naar [minderjarige] toe erg belastende uitspraken doet en dat [minderjarige] contact met hem op dit moment afwijst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] op dit moment dan ook niet in haar belang. Dit betekent dat de vorderingen sub I en II zullen worden afgewezen.
4.7.
Met de Raad acht de voorzieningenrechter het in het belang van [minderjarige] dat eerst een (hernieuwde) aanmelding bij de gemeente gedaan wordt voor het weer opstarten van omgangscontacten tussen de man en [minderjarige] , begeleid door SDW. Naar verwachting zal hiermee na aanmelding circa drie maanden zijn gemoeid. Alsdan zal de omgang op die manier weer moeten worden opgebouwd. Hierop vooruitlopend kunnen alvast gesprekken plaatsvinden tussen [minderjarige] en de kindbehartiger. De man heeft aangekondigd dat hij een bodemprocedure zal gaan opstarten. De resultaten van de begeleide omgang kunnen dan daarin worden ingebracht. Van de vrouw wordt verwacht dat zij de aanmelding bij de gemeente / SDW zo spoedig mogelijk zal doen, omdat zij belast is met het gezag over [minderjarige] en [minderjarige] bij haar woont.
4.8.
Partijen zijn het ter zitting eens geworden over de door de man gevorderde informatieregeling, in die zin dat de informatie-uitwisseling in eerste instantie zal verlopen via hun advocaten, totdat SDW dit weer opnieuw zal kunnen overnemen.

De man vordert om aan de nakoming hiervan door de vrouw een dwangsom te koppelen.

Gelet echter op de komende hulpverlening en de ter zitting uitgesproken bereidheid van de vrouw om aan de informatieverstrekking haar medewerking te geven, acht de voorzieningenrechter het niet passend om hieraan een dwangsom te verbinden.

Indien de vrouw zich desondanks niet aan de informatieregeling zal houden, kan de rechter in de bodemprocedure daaraan de consequenties verbinden die hij of zij geraden acht.
4.9.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan en het geschil betrekking heeft op hun beider kind, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.10.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verstaat dat de vrouw haar medewerking verleent aan een informatieregeling, waarbij zij iedere laatste week van de maand de man zal informeren over de ontwikkeling en de gezondheid van [minderjarige] en over gewichtige zaken, waarbij in ieder geval maandelijks wordt geïnformeerd over school, gezondheid, hulpverlening, sociale ontwikkelingen en bijzondere activiteiten van [minderjarige] , en waarbij tenminste twee foto’s worden toegevoegd, welke foto’s de man niet via social media zal delen.

Deze informatie-uitwisseling zal in eerste instantie verlopen via de advocaten van partijen onderling, totdat SDW dit weer opnieuw zal kunnen overnemen;
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Pellikaan, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in tegenwoordigheid van Van Dongen, griffier.




Artikel delen