Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:7787

Verlenging machtiging uithuisplaatsing voor beperkte duur, resterende deel van het verzoek afgewezen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:7787 text/xml public 2026-09-28T15:05:01 2026-08-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-17 C/02/449499 / JE RK 26-1074 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7787 text/html public 2026-09-24T15:15:29 2026-09-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:7787 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-07-2026 / C/02/449499 / JE RK 26-1074
Verlenging machtiging uithuisplaatsing voor beperkte duur, resterende deel van het verzoek afgewezen.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/449499 / JE RK 26-1074

Datum uitspraak: 17 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING ROTTERDAM RIJNMOND,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op een adres in [plaats 1] ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats 2] ,

[de stiefvader] ,

hierna te noemen de stiefvader,

wonende in [plaats 3] .
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de doorverwijzingsbeschikking van 17 juni 2026 van de rechtbank Rotterdam;

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder;

- een vertegenwoordiger van de GI (via MS Teams).

De stiefvader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de stiefvader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige] heeft daarbij aangegeven dat hij niet wil dat de kinderrechter deelt wat hij heeft verteld tijdens het kindgesprek.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 22 januari 2026 tot 22 januari 2027.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2026 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader (zonder gezag) met ingang van 22 januari 2026 tot 22 juli 2026.
2.4.
[minderjarige] verblijft op basis van voornoemde machtiging bij zijn vader. Hij verblijft daar feitelijk sinds 20 oktober 2025.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij een ouder zonder gezag te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 22 januari 2027, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
<nr>4</nr>De standpunten 4.1.
De GI legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. [minderjarige] is slachtoffer en getuige geweest van mentale en fysieke mishandeling. Hij heeft een leerachterstand opgelopen en zijn cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling zijn achtergebleven. In de afgelopen jaren zijn onder andere het CIT, Veilig Thuis, FARR, Ambulante Spoedhulp, IVH en het [wijkteam] betrokken geweest. Ondanks deze inzet is er echter nog onvoldoende zicht op de opvoedvaardigheden van de moeder en de stiefvader. Ook is er nog onvoldoende zicht op de manier waarop zij met spanningen omgaan en de mate waarin zij hulpverlening accepteren en benutten. Hoewel de relatie tussen [minderjarige] en de stiefvader is verbeterd, is nog onvoldoende duidelijk of de eerdere zorgen, die hebben geleid tot de uithuisplaatsing, duurzaam zijn weggenomen. Sinds [minderjarige] bij de vader verblijft, laat hij op bepaalde punten groei zien en is er meer stabiliteit. Er zijn echter recent zorgsignalen bij de GI terecht gekomen over hoe het gaat tussen de vader en [minderjarige] . Er zijn namelijk hoogoplopende conflicten geweest en [minderjarige] voelt zich niet veilig bij de vader. De inzet van SPAM bleek niet passend, waarna de GI CoachPoint heeft ingezet. CoachPoint zal duidelijke afspraken maken tussen [minderjarige] en de vader, zodat er zicht komt op de thuissituatie van de vader en de veiligheid van [minderjarige] beschermd kan worden. Zo gaan er dagelijkse updates plaatsvinden en kan er een time-out worden ingezet, waarbij [minderjarige] tijdelijk ergens anders verblijft. CoachPoint is daarnaast ingezet om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te begeleiden en in de toekomst de moeder thuis ambulant te begeleiden. Op dit moment is de huidige omgangsregeling met deels begeleide omgang nog passend en wordt de thuissituatie bij de moeder nog niet voldoende en veilig genoeg geacht voor [minderjarige] . De komende zes maanden moeten worden gebruikt om CoachPoint in de thuissituatie te laten werken, de omgang uit te breiden en te beoordelen of terugplaatsing veilig en haalbaar is. De GI zal een concreet plan opstellen om de omgang tussen [minderjarige] en de moeder op te bouwen tijdens de zomervakantie.

Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordigster van de GI - desgevraagd - nog het volgende aangevuld. Er heeft recent een incident plaatsgevonden in de thuissituatie bij de vader. [minderjarige] heeft aan de GI verteld dat zijn vader hem had bedreigd. Hierop heeft de GI - in samenspraak met de ouders - [minderjarige] twee dagen bij de moeder en de stiefvader laten verblijven als time-out. Dit was onbegeleid en inclusief overnachting. Daarna is [minderjarige] weer teruggegaan naar de vader. Er zijn de afgelopen maanden geen nieuwe zorgsignalen geweest over de thuissituatie bij de moeder. Het is nog niet bekend wanneer de (begeleide) omgang zal worden uitgebreid. Ook zijn er nog geen afspraken over de regeling tijdens de zomervakantie. Het is nog steeds de intentie van de GI om [minderjarige] weer terug bij de moeder (en de stiefvader) te plaatsen. De GI handhaaft het verzoek.
4.2.
De moeder geeft aan dat zij [minderjarige] momenteel enkel op dinsdag en donderdag vier uur lang (deels begeleid) ziet, terwijl in de vorige beschikking is aangegeven dat er een uitbreiding plaats dient te vinden. De omgang verloopt goed. Zij begrijpt niet hoe de GI met deze beperkte regeling kan onderzoeken of het veilig genoeg is bij haar. Na een escalatie bij de vader thuis, heeft [minderjarige] echter wel twee dagen lang zonder begeleiding bij de moeder verbleven met toestemming van de GI. Dit is goed verlopen. De moeder begrijpt alleen niet waarom dat dan wel mogelijk is, terwijl [minderjarige] vervolgens weer alleen op dinsdag en donderdag gedurende vier uurtjes naar de moeder mag omdat het niet veilig zou zijn. Daarnaast heeft de GI aangegeven dat de moeder [minderjarige] moet inschrijven op een school in [plaats 2] , waarna de moeder dit heeft gedaan. De moeder wil echter graag dat de oude regeling weer wordt gevolgd, waarbij [minderjarige] bij de moeder woont en eenmaal per twee weken een weekend bij de vader verblijft. Ook wil zij dat [minderjarige] naar een school in [plaats 3] gaat. Verder geeft de moeder aan dat de stiefvader inmiddels bijna niet meer drinkt en dat de band tussen [minderjarige] en de stiefvader is verbeterd. De twee halfzusjes van [minderjarige] wonen gewoon bij haar en de stiefvader thuis. [minderjarige] mist zijn halfzusjes en zij missen hem.
4.3.
De vader geeft aan dat hij geschrokken was van wat [minderjarige] tegen de GI heeft gezegd. [minderjarige] heeft verteld dat de vader hem met een mes zou hebben bedreigd, terwijl dat niet waar is. Vervolgens heeft [minderjarige] twee dagen bij de moeder verbleven. Dat is goed verlopen. De vader geeft aan dat de situatie daarna is opgelost via de GI en dat het goed gaat tussen hem en [minderjarige] . De vader heeft verder niets gevraagd aan [minderjarige] over de situatie en waarom [minderjarige] dat heeft gezegd, omdat hij dat aan de GI wil overlaten. Daarnaast heeft de vader al contact gehad met CoachPoint. Het maakt de vader niet uit of [minderjarige] bij de vader of bij de moeder woont, zo lang [minderjarige] het maar goed heeft. Zodra de GI zegt dat [minderjarige] bij de moeder kan wonen, is dat geen probleem voor de vader. Wel wil de vader dat [minderjarige] bij de vader in de buurt naar school gaat, als hij langer bij de vader blijft wonen. De vader is anders namelijk elke dag veel tijd kwijt om [minderjarige] naar school te brengen en op te halen en dat is lastig in verband met zijn werk. Vervolgens kan [minderjarige] nog overgeplaatst worden naar een school in [plaats 3] , als dat nodig is. Verder geeft de vader aan dat [minderjarige] soms een aantal uur alleen thuis is of dat de oudere zoon van de vader voor [minderjarige] zorgt, als de vader aan het werk is.
<nr>5</nr>De beoordeling
Wat zegt de wet?
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en maximaal voor de duur van een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) zijn voldaan.
5.2.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste BW de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

Wat vindt de kinderrechter?
5.3.
In de beschikking van 20 januari 2026 heeft de kinderrechter het volgende overwogen:

De kinderrechter neemt met de Raad als uitgangspunt dat gewerkt moet worden naar terugplaatsing bij de moeder. De Raad heeft echter in het rapport gesteld dat een periode van zes maanden onzekerheid over zijn toekomstperspectief aanvaardbaar is. Daarnaast heeft de vader van [minderjarige] verklaard dat hij de periode van negen maanden uithuisplaatsing bij hem tamelijk lang vindt. Vanwege het feit dat de school van [minderjarige] elders ligt, kan hij een langere periode lastig combineren met zijn werk. De kinderrechter zal gelet op het voorgaande de machtiging tot uithuisplaatsing beperken tot de duur van zes maanden en het verzoek voor de overige drie maanden afwijzen.
5.4.
[minderjarige] woont inmiddels negen maanden bij de vader vanwege forse zorgen over de thuissituatie bij de moeder en de stiefvader naar aanleiding van uitlatingen van [minderjarige] dat hij door zijn moeder en stiefvader mentaal en fysiek wordt mishandeld. De moeder en de stiefvader erkennen dat er in het verleden dingen niet goed zijn gegaan in de thuissituatie, maar dat de verhalen van [minderjarige] grotendeels niet kloppen. Verder heeft de moeder aangegeven dat de stiefvader zijn alcoholgebruik nu onder controle heeft en dat het met de twee halfzusjes van [minderjarige] , die vier jaar oud en twee jaar oud zijn, goed gaat. Hoewel de plaatsing van [minderjarige] bij de vader aanvankelijk voor rust bij [minderjarige] zorgde, is daar de afgelopen periode verandering in gekomen. [minderjarige] heeft uitlatingen gedaan dat zijn vader hem heeft bedreigd onder meer door te zeggen dat hij [minderjarige] zou steken met een mes. De vader ontkent dit.
5.5.
Verder is de afgelopen periode gebleken dat [minderjarige] dingen soms anders ervaart dan ze zijn. Daarmee wil de kinderrechter niet zeggen dat [minderjarige] liegt, maar het maakt wel dat er met een andere blik moet worden gekeken naar zijn uitlatingen, eerst over de thuissituatie bij de moeder en nu over de thuissituatie bij de vader. Het is van groot belang dat er passende hulpverlening komt voor [minderjarige] , waarbij de kinderrechter denkt aan een kinderpsycholoog of een deskundige vertrouwenspersoon, zodat onderzocht kan worden wat er precies speelt bij [minderjarige] .
5.6.
De kinderrechter overweegt verder dat de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder nog altijd niet is uitgebreid en dat er op dit moment ook nog geen plan ligt dat ziet op uitbreiding. De GI stelt zich op het standpunt dat nog niet duidelijk is of de thuissituatie van de moeder en de stiefvader veilig genoeg is. Dit bevreemdt de kinderrechter nu de GI het kennelijk wel veilig genoeg heeft gevonden om [minderjarige] twee dagen, inclusief overnachting, onbegeleid bij de moeder en de stiefvader te laten verblijven. Bovendien is de thuissituatie van de moeder en de stiefvader kennelijk dusdanig veilig dat de jongere halfzusjes van [minderjarige] wel gewoon thuis wonen. Daar komt bij dat er de afgelopen periode geen nieuwe zorgsignalen over de thuissituatie van de moeder en de stiefvader zijn geweest.
5.7.
Alles afwegende is de kinderrechter van oordeel dat er onvoldoende gronden zijn om een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling te verlengen. De kinderrechter zal de machtiging verlengen tot het einde van de zomervakantie en het overige deel van het verzoek afwijzen. Het is aan de GI om ervoor te zorgen dat [minderjarige] in deze periode stapsgewijs weer terug bij de moeder en de stiefvader wordt geplaatst. Ook kan de moeder er zorg voor dragen dat [minderjarige] op een middelbare school in [plaats 3] wordt ingeschreven, zodat hij daar vanaf het begin van het nieuwe schooljaar kan starten. In het kader van de nog lopende ondertoezichtstelling kan er de komende periode worden gewerkt aan het verder onderzoeken wat er speelt bij [minderjarige] , op welke wijze de ouders hem daar het beste in kunnen ondersteunen en wat er nodig is aan hulpverlening.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>6</nr>De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij een ouder zonder gezag (de vader) met ingang van 22 juli 2026 tot 29 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel delen