ECLI:NL:RBZWB:2026:8683text/xmlpublic2026-09-14T15:02:472026-09-08Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-09-08BRE 26/4079UitspraakVoorlopige voorzieningNLBredaBestuursrecht; BestuursprocesrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8683text/htmlpublic2026-09-14T15:01:562026-09-14Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:8683 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-09-2026 / BRE 26/4079 Voorlopige voorziening. Pkv. Toegewezen.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/4079 WIA VV
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster (gemachtigde: mr. M.I. Bal), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder. Inleiding Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 9 juli 2026 waarbij haar verzoek om herziening van de beslissing van 22 mei 2026 is afgewezen. Bij de beslissing van 22 mei 2026 was het recht van verzoekster op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) geschorst per 1 juni 2026. Daarnaast heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het UWV heeft met het besluit van 4 augustus 2026 de beslissingen van 22 mei 2026 en 9 juli 2026 ingetrokken. Verzoekster heeft daarop het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren. De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Beoordeling door de voorzieningenrechter 1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten. 2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het UWV met het besluit van 4 augustus 2026 aan verzoekster tegemoetgekomen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. 3. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,‑ en wegingsfactor 1). 4. Nu het college aan verzoekster is tegemoetgekomen, ziet de voorzieningenrechter hierin aanleiding om het UWV tevens te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht. Beslissing De voorzieningenrechter:
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,-;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 54,- aan verzoekster te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 8 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.