Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:8747

Intrekking toestemming om als beveiliger te mogen werken. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De korpschef heeft onvoldoende gemotiveerd dat intrekking van de toestemming noodzakelijk is en geen andere maatregel passend zou zijn.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:8747 text/xml public 2026-09-14T15:04:16 2026-09-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-09-07 26/4572 BESLU VV Uitspraak Mondelinge uitspraak Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8747 text/html public 2026-09-14T15:03:56 2026-09-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:8747 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 07-09-2026 / 26/4572 BESLU VV
Intrekking toestemming om als beveiliger te mogen werken. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De korpschef heeft onvoldoende gemotiveerd dat intrekking van de toestemming noodzakelijk is en geen andere maatregel passend zou zijn.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/4572 BESLU VV

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 7 september 2026 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], te [plaats], verzoeker,
gemachtigde: mr. Z.M. Nasir,

en
de korpschef van politie, verweerder. Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van toestemming, zoals bedoeld in de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr), aan MET WA Beveiliging B.V. om verzoeker laten werken als beveiliger (de toestemming). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het besluit tot intrekking van de toestemming. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 14 juli 2026 heeft de korpschef de toestemming ingetrokken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1
De korpschef heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Dit stuk is de (zondag)avond voor de zitting ingediend. Gelet op het zeer late tijdstip van indiening heeft de voorzieningenrechter besloten het verweerschrift niet te betrekken in deze procedure. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat de korpschef ook niet ter zitting is verschenen.

Dat geldt ook voor de verklaring die verzoeker op de (zondag)middag voor de zitting heeft ingediend. Ook dit stuk laat de voorzieningenrechter, vanwege de late indiening daarvan, buiten beschouwing.
2.2
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 7 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van verzoeker. De korpschef is, met voorafgaand bericht, niet vertegenwoordigd.
2.3
Na sluiting van het onderzoek op zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan.
Overwegingen
3. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat hij een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening aanwezig acht, gelet op het feit dat verzoeker als direct gevolg van de intrekking van de toestemming als beveiliger is ontslagen.
3.1
Op grond van artikel 7 van de Wpbr en de Beleidsregels Wpbr kan de toestemming om als beveiliger te werken worden ingetrokken als blijkt van veroordelingen of andere over betrokkene bekende feiten op basis waarvan kan worden aangenomen dat hij onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.
3.2
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State volgt dat de korpschef bij de beantwoording van de vraag of iemand voldoende betrouwbaar is, beoordelingsruimte heeft. Als beoordelingsmaatstaf mag de korpschef daarbij hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van de beveiligingsmedewerker boven iedere twijfel verheven moeten zijn. Bij intrekking van de toestemming dient de korpschef alle belangen af te wegen en de maatregel af te stemmen op het individuele geval. De maatregel moet noodzakelijk zijn.
3.3
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de korpschef in beginsel uit mag gaan van een proces-verbaal voor zover het de eigen waarneming van de verbalisant betreft. De korpschef heeft op basis van een proces-verbaal dan ook mogen aannemen dat verzoeker zich tijdens een incident op 25 januari 2026 recalcitrant richting de politie heeft gedragen en onder invloed van alcohol was.
3.4
De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de korpschef (vooralsnog) onvoldoende heeft gemotiveerd dat intrekking van de toestemming noodzakelijk is.
3.4.1
In het bestreden besluit zijn recidive en een gedragspatroon benoemd, maar in dat besluit wordt niet onderbouwd waarom daarvan sprake is. Het bestreden besluit is alleen gebaseerd op het incident dat op 25 januari 2026 heeft plaatsgevonden en niet op andere incidenten. Voor zover de korpschef aan de intrekking van de toestemming andere incidenten mede ten grondslag wil leggen, kan dat wellicht in bezwaar worden hersteld, maar vooralsnog blijkt uit het dossier niet dat herstel mogelijk is.
3.4.2
Over het incident op 25 januari 2026 overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker zich niet heeft gedragen zoals van een beveiliger mag worden verwacht. Dat kan aanleiding zijn voor een maatregel, maar intrekking van de toestemming vindt de voorzieningenrechter een te vergaande maatregel. Het incident is niet dermate ernstig dat dat direct een intrekking van de toestemming rechtvaardigt. Dat incident heeft ook niet geleid tot strafrechtelijke vervolging. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de korpschef onvoldoende gemotiveerd dat intrekking van de toestemming noodzakelijk is en dat geen andere maatregel passend zou zijn, zoals bijvoorbeeld een tijdelijke schorsing van de toestemming, een voorwaardelijk intrekking of een waarschuwing.
3.5
De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat het twijfelachtig is of het bestreden besluit in bezwaar standhoudt. De voorzieningenrechter ziet daarom, gelet op het grote belang van verzoeker, aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter schorst daarom het bestreden besluit tot 6 weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.
3.6
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de korpschef aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
3.7
De voorzieningenrechter veroordeelt de korpschef ook in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,‑ en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot

6 weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

draagt de korpschef op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;

veroordeelt de korpschef in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 7 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Artikel delen