Beroep van eiseres ongegrond verklaard, want het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 September 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:8749
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-09-2026
Datum publicatie
21-09-2026
Zaaknummer
BRE 26/636
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBZWB:2026:8749text/xmlpublic2026-09-21T12:00:342026-09-10Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-09-02BRE 26/636UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigMondelinge uitspraakProces-verbaalNLBredaBestuursrecht; OmgevingsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8749text/htmlpublic2026-09-18T08:30:582026-09-21Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:8749 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-09-2026 / BRE 26/636 Beroep van eiseres ongegrond verklaard, want het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/636
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen, het college. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 4 december 2025 (bestreden besluit) waarbij het college het bezwaar van eiseres
niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en namens het college mr. L. Stroek. 1.2. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. Het college heeft het bezwaar van eiseres tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college is zowel het plaatsen van de tegel voor de afvalcontainerstandplaats als het aanleggen van de parkeergelegenheid geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). 2.1. Eiseres stelt dat zij door de feitelijke inrichting van de openbare ruimte direct en onevenredig in haar woon- en leefklimaat wordt aangetast. Zij voert onder andere aan dat het oorspronkelijke planologische profiel van de openbare ruimte langs haar perceel voorzag in een doorgetrokken trottoir, zonder een afvalcontainerstandplaats direct naast haar woning. 2.2. Voor zover eiseres stelt dat ten onrechte geen doorgetrokken trottoir is aangelegd, stelt de rechtbank vast dat dit buiten de omvang van dit geding valt, omdat het bestreden besluit daar niet over gaat. 2.3. De rechtbank moet beoordelen of het college het bezwaar van eiseres terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover dit bezwaar betrekking heeft op het plaatsen van de tegel voor de afvalcontainerstandplaats en het aanleggen van de parkeervakken. 2.4. Bezwaar en beroep staan slechts open tegen een besluit in de zin van de Awb. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Voor het bestaan van een besluit is dus onder meer vereist dat de beslissing is gericht op een rechtsgevolg. Een feitelijke handeling of een beslissing die op zichzelf geen wijziging brengt in de rechten, verplichtingen of andere juridische positie, is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Niet elke beslissing van een bestuursorgaan (zoals het college) is dus een besluit in de zin van de Awb. 2.5. Het plaatsen van de tegel waarmee de afvalcontainerstandplaats feitelijk is aangeduid, is naar het oordeel van de rechtbank niet gericht op rechtsgevolg. De regels over het plaatsen van de afvalcontainers volgen rechtstreeks uit artikel 5, tweede lid, onder a, van het Uitvoeringsbesluit Afval 2024. Op grond van die bepaling is het plaatsen van afvalcontainers toegestaan op elke plaats die aan bepaalde voorwaarden voldoet. Anders dan in sommige andere gemeenten is in Rucphen niet voorzien in een afzonderlijk aanwijzingsbesluit waarin de specifieke locaties van afvalcontainerstandplaatsen worden vastgesteld. De plaatsing van de tegel brengt daarom op zichzelf geen wijziging in de rechtspositie van eiseres of anderen. Dat eiseres stelt hinder te ondervinden is geen rechtsgevolg. Het plaatsen van de tegel is een feitelijke handeling en geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. 2.6. Ook de aanleg en feitelijke inrichting van de parkeervakken is naar het oordeel van de rechtbank niet gericht op rechtsgevolg. Hieraan ligt geen schriftelijk besluit ten grondslag dat de rechtspositie van eiseres wijzigt. De parkeervakken zijn aangelegd binnen gronden waarop op grond van het geldende omgevingsplan de bestemming ‘verkeer’ berust. Dat de feitelijke inrichting mogelijk afwijkt van het profiel dat is opgenomen in de toelichting bij het bestemmingsplan, leidt niet tot een ander oordeel. Een toelichting bij een bestemmingsplan heeft volgens vaste rechtspraak geen juridisch bindende werking. De aanleg van de parkeervakken is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. 2.7. De rechtbank is van oordeel dat zowel het plaatsen van de tegel voor de afvalcontainerstandplaats als het aanleggen van de parkeervakken feitelijke handelingen zijn. Aan deze handelingen liggen geen op rechtsgevolg gerichte beslissingen ten grondslag. Het college heeft het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard. 2.8. Eiseres heeft ook verzocht om schadevergoeding. Voor zover die schade zou zijn veroorzaakt door het bestreden besluit is er geen grond voor schadevergoeding, nu het beroep tegen dat besluit ongegrond is. 2.9. Er is ook geen grond voor schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn bedraagt twee jaar vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de uitspraak van de rechtbank en die termijn is nog niet verstreken. Conclusie en gevolgen 3. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Het verzoek van eiseres om schadevergoeding wordt afgewezen. Omdat het beroep ongegrond is bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eiseres krijgt het griffierecht ook niet vergoed. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is uitsproken in het openbaar op 2 september 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Faqiri, griffier en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, eerste lid Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Artikel 7:1, eerste lid Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij: (…) Bestemmingsplan Gemeente Rucphen - Buitengebied Rucphen 2012, [locatie] te [plaats] Artikel 5.1.1. Bestemming De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. straten, voet- en fietspaden, rabatten, parkeerterreinen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, terrassen, waterhuishoudkundige voorzieningen, taluds, oevers, bruggen en nutsvoorzieningen;
b. overige tot de bestemming behorende voorzieningen. Uitvoeringsbesluit Afval 2024 Artikel 5. Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen 2. Krachtens artikel 10 van de verordening stelt het college de volgende regels omtrent de plaats en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden: a. het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen in containers dient ordelijk te geschieden door plaatsing van de container op het voetpad, zo dicht mogelijk bij de rijweg, of, bij het ontbreken van een voetpad, aan de kant van de openbare weg, dan wel op een inzamel- of clusterplaats, zodanig dat het voetgangers- en overige verkeer niet wordt gehinderd of in de doorgang wordt belemmerd en gevaar of schade wordt voorkomen en waarbij aanwijzingen van de inzameldienst dienen te worden opgevolgd; Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 augustus 2025, ECLI:NL: RVS:2025:3919, rechtsoverweging 5.