Partijen zijn het met elkaar over eens dat de arbeidsverhouding duurzaam is verstoord. Er is sprake van een opzegverbod, maar dat staat in dit geval niet in de weg aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 September 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:8893
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-09-2026
Datum publicatie
30-09-2026
Zaaknummer
12299304 AZ VERZ 26-32
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
ECLI:NL:RBZWB:2026:8893text/xmlpublic2026-09-30T08:52:212026-09-14Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-09-1012299304 AZ VERZ 26-32UitspraakBeschikkingNLBergen op ZoomCiviel recht; ArbeidsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8893text/htmlpublic2026-09-29T13:37:412026-09-30Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:8893 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-09-2026 / 12299304 AZ VERZ 26-32 Partijen zijn het met elkaar over eens dat de arbeidsverhouding duurzaam is verstoord. Er is sprake van een opzegverbod, maar dat staat in dit geval niet in de weg aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht
Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer / rekestnummer: 12299304 AZ VERZ 26-32 Beschikking van 10 september 2026 in de zaak van
[werkgever] B.V.,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij (in het tegenverzoek),
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. E.P.M.J. Prop. tegen
[werknemer]
,
te [plaats 2] ,
verwerende partij (in het tegenverzoek),
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. C.A.F. Haans, 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 9 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2De beoordeling2.1. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afspraken gemaakt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de financiële afwikkeling daarvan. Partijen hebben hun verzoeken ingetrokken, afgezien van het verzoek van [werkgever] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Aan het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden legt [werkgever] ten grondslag dat de arbeidsverhouding duurzaam en onherstelbaar is verstoord en dat herplaatsing van [werknemer] niet meer mogelijk is. 2.2.
[werknemer] erkent dat de arbeidsverhouding duurzaam is verstoord. Zij refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter. 2.3. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen bestaat een redelijke grond voor ontbinding, namelijk een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van [werkgever] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van [werknemer] . Het eindigen van de arbeidsovereenkomst is niet aan [werknemer] te wijten. 2.4. Er is sprake van een opzegverbod, maar dit opzegverbod staat niet in de weg aan ontbinding. Partijen zijn het er namelijk over eens of dat het verzoek om ontbinding geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. 2.5. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van 1 november 2026. Daarbij is rekening gehouden met de opzegtermijn en de duur van deze procedure. Ook is rekening gehouden met een minimale opzegtermijn van een maand. 2.6. Partijen zijn het er ook over eens dat [werknemer] aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 5.000,00. De transitievergoeding is in de beëindigingsvergoeding begrepen. [werkgever] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding. 2.7. Uit de gemaakte afspraken blijkt dat [werkgever] gebruik zal maken van de bevoegdheid om het verzoek in te trekken. [werkgever] hoeft daarom ook geen gelegenheid te krijgen voor intrekking. 2.8. De kantonrechter zal [werkgever] in de proceskosten veroordelen, aan de zijde van [werknemer] tot vandaag vastgesteld op € 281,00. 3De beslissing De kantonrechter: 3.1. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2026, 3.2. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een beëindigingsvergoeding te betalen van € 5.000,00, 3.3. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten, aan de zijde van [werknemer] tot vandaag vastgesteld op € 281,00, 3.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026.