De bouwsector noteerde in het tweede kwartaal van 2026 opnieuw omzetgroei, maar achter die cijfers schuilt een ontwikkeling die voor woningbouw en omgevingsrecht mogelijk belangrijker is. Gemeenten lijken in aanloop naar gewijzigde regels rond netcongestie per 1 juli een groot aantal woningbouwprojecten versneld te hebben vergund. Het gevolg: vergunde bouwkosten voor woningen verdubbelden vrijwel ten opzichte van een jaar eerder.

Voor professionals in de woningbouw en het omgevingsrecht springt niet zozeer de omzetgroei van de bouwsector in het oog, maar vooral de uitzonderlijke stijging van het vergunde bouwvolume. Het CBS meldt dat de bouwkosten van verleende vergunningen voor woningen in het tweede kwartaal uitkwamen op 6,3 miljard euro, tegen 3,2 miljard euro in dezelfde periode van 2025. Dat betekent een stijging van 97 procent.
Volgens het CBS hangt deze ontwikkeling waarschijnlijk samen met wijzigingen in de regelgeving rond netcongestie die op 1 juli 2026 ingingen. Gemeenten zouden daarom woningbouwprojecten versneld hebben vergund voordat de nieuwe situatie van kracht werd.
Dat maakt de vergunningenpiek meer dan een statistische uitschieter. De cijfers laten zien hoe sterk energie-infrastructuur inmiddels doorwerkt in ruimtelijke besluitvorming. Waar netcongestie jarenlang vooral werd gezien als een technisch probleem voor netbeheerders en bedrijven, beïnvloedt het nu rechtstreeks het tempo van woningbouwontwikkeling.
Ook de aantallen afgegeven nieuwbouwvergunningen ondersteunen het beeld van een versnelde vergunningverlening. In april werden vergunningen afgegeven voor 8.500 nieuwbouwwoningen en in mei voor 10.800 woningen. Sinds januari 2022 lag het gemiddelde op ongeveer 7.100 woningen per maand.
Voor gemeenten betekende dit een strategische afweging. Door projecten nog vóór de gewijzigde netcongestieregels te vergunnen, konden ontwikkelaars en initiatiefnemers mogelijk meer zekerheid krijgen over hun planning en financiering. Tegelijkertijd roept deze ontwikkeling juridische en beleidsmatige vragen op. Een verleende vergunning betekent immers niet automatisch dat een project direct gerealiseerd kan worden wanneer netcapaciteit ontbreekt.
Daarmee ontstaat een spanningsveld dat steeds vaker zichtbaar wordt binnen het omgevingsrecht: formeel planologisch toegestane ontwikkelingen botsen met fysieke beperkingen van het energiesysteem.
Opvallend is dat de sterke stijging van vergunningen zich nog niet vertaalt in een vergelijkbare groei van de bouwproductie. In het tweede kwartaal werden 16.400 nieuwbouwwoningen opgeleverd. Dat zijn slechts ongeveer 400 woningen meer dan een jaar eerder. Netto kwamen er 16.100 woningen bij.
Deze discrepantie onderstreept dat vergunningverlening slechts één schakel vormt in de woningbouwketen. Ook wanneer planologische procedures succesvol zijn afgerond, blijven factoren als netaansluitingen, stikstofvraagstukken, financiering, personeelstekorten en bouwkosten bepalend voor de daadwerkelijke realisatie.
Voor beleidsmakers is dat een belangrijk signaal. Het verhogen van vergunningenaantallen blijft noodzakelijk, maar vormt geen garantie voor versnelling van de woningbouwproductie.
De cijfers illustreren een bredere ontwikkeling binnen het Nederlandse omgevingsrecht. Traditioneel lag de nadruk op aspecten als bestemmingsplannen, milieueffecten en participatie. Inmiddels spelen ook elektriciteitsnetten, energiehubs en aansluitcapaciteit een steeds grotere rol bij gebiedsontwikkeling.
Netcongestie raakt niet alleen bedrijventerreinen, maar ook woningbouwlocaties. Gemeenten worden daardoor gedwongen om vergunningverlening, energiestrategieën en regionale netplanning nauwer op elkaar af te stemmen. Voor ontwikkelaars betekent dit dat de haalbaarheid van projecten steeds vaker afhankelijk wordt van factoren buiten het klassieke ruimtelijke domein.
De bijna verdubbelde waarde van vergunde woningbouwprojecten laat zien dat lokale overheden proberen ruimte te creëren voordat nieuwe beperkingen volledig doorwerken in de praktijk.
Tegen deze achtergrond oogt de economische ontwikkeling van de bouwsector relatief positief. De omzet van de bouw nam in het tweede kwartaal met 5,2 procent toe ten opzichte van een jaar eerder. Gespecialiseerde bouwbedrijven realiseerden een groei van 6 procent, terwijl de grond-, weg- en waterbouw met 5,9 procent groeide.
Tegelijkertijd blijven structurele problemen zichtbaar. De bouw telde nog altijd 28.600 openstaande vacatures en het aantal faillissementen liep op naar 133 bedrijven in één kwartaal. Daarnaast stegen de prijzen van hout- en bouwmaterialen met 4,5 procent.
Deze factoren beperken de capaciteit van de sector om snel gevolg te geven aan de groeiende vergunningsvoorraad.
De uitzonderlijke vergunningengroei van het tweede kwartaal kan worden gezien als een bestuurlijke reactie op veranderende netcongestieregels. Voor de woningbouwsector is de kernvraag echter niet hoeveel projecten zijn vergund, maar hoeveel daarvan daadwerkelijk kunnen worden aangesloten, gebouwd en opgeleverd.
De komende kwartalen zullen uitwijzen of de huidige vergunningenpiek leidt tot een structurele versnelling van de woningbouwproductie of vooral een administratieve verschuiving in de tijd was. Voor juristen, beleidsmakers en ontwikkelaars ligt daar een belangrijke les: de toekomst van woningbouw wordt steeds minder uitsluitend bepaald door ruimtelijke procedures en steeds meer door de beschikbaarheid van energie-infrastructuur. In die zin is netcongestie niet langer een randvoorwaarde, maar een sturende factor in de uitvoering van het omgevingsrecht.
Lees hier de cijfers: Bouw zet meer om in tweede kwartaal
