Sinds de inwerkingtreding van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in 2024 is het besluit meerdere keren gewijzigd, zo ook vandaag op 1 juli 2026. Dit is een actueel, niet-uitputtend overzicht van de meest in het oog springende wijzigingen.

Stb. 2025, 432.
Stcrt. 2026, 18123.
Per 29 mei 2026 is de NTA 8800:2025 aangestuurd voor het bepalen van de energieprestatie indicatoren van gebouwen (BENG). Belangrijke inhoudelijke wijzigingen als gevolg van de update van de bepalingsmethode zijn:
Verder zijn in de Omgevingsregeling nieuwe versies (2025) aangestuurd voor BRL 9500-U, BRL 9500-W en BRL 9501.
De eisen ten aanzien van laadpunten en leidingdoorvoeren voor elektrische voertuigen worden aangescherpt.
Voor verschillende bestaande gebouwen moet bij meer dan 20 parkeervakken er ten minste één laadpunt, geschikt voor slim laden, aanwezig zijn. Voor nieuwbouw geldt dat de verplichting tot het realiseren van een of meerdere laadpunten, voorbekabeling en leidingdoorvoeren geldt bij meer dan 3 autoparkeerplaatsen bij woongebouwen en bij meer dan 5 autoparkeerplaatsen bij utiliteitsfuncties. Nieuw is dat er leidingdoorvoeren voor laadpunten verplicht zijn ten behoeve van elektrisch ondersteunde fietsen, bromfietsen, speedpedelecs en vergelijkbare voertuigen.
Voor zowel bestaande bouw als nieuwbouw gelden er specifieke beperkingen voor het treffen van een maatwerkvoorschrift.
In de nieuwe paragraaf 4.4.5 (nieuwbouw) gelden regels voor woonfuncties voor het energie-efficiënt, zuinig en veilig kunnen functioneren van bouwsystemen. Voor een woonfunctie geldt dat dit systeem in ieder geval moet zijn uitgerust met functies om relevante zaken (zoals rendement, opwekking en verbruik) te kunnen controleren. Daarnaast moet het systeem kunnen reageren op externe signalen en het energieverbruik daarop kunnen aanpassen.
In afdeling 6.4 worden eisen gesteld aan het energielabel van gebouwen; deze afdeling wordt op diverse punten gewijzigd. Een van de wijzigingen is dat de eigenaar van (een gedeelte van) een gebouw na oplevering van een ingrijpende renovatie verplicht in het bezit moet zijn van een geldig energielabel.
De eigenaar moet een geldig energielabel beschikbaar stellen aan de huurder wanneer de huurovereenkomst wordt verlengd of na een ingrijpende renovatie. Gebouwen die in eigendom zijn van, of worden verhuurd aan, een overheidsinstantie moeten een geldig energielabel hebben. Voor monumenten geldt geen vrijstelling meer van de energielabelplicht. Ook eigenaren van monumenten zijn gehouden om aan de koper of huurder een energielabel ter beschikking te stellen.
De aanpassingen hebben daarnaast ook betrekking op de inhoudelijke eisen aan het energielabel en op de verplichting tot het aanbrengen/zichtbaar maken van het energielabel in het gebouw.
Voor de keuring van airconditioningssystemen wordt gekozen voor een alternatieve aanpak. Die aanpak houdt in dat er gestuurd gaat worden op werkelijk energiegebruik op basis van een standaard aanpak voor gebouwbeheer. Paragraaf 6.5.2 Bbl en paragraaf 5.1.3 van de Omgevingsregeling zijn komen te vervallen.
Voor de keuring van verwarmingssystemen wordt gekozen voor een alternatieve aanpak. Die aanpak houdt in dat er gestuurd gaat worden op werkelijk energiegebruik op basis van een standaard aanpak voor gebouwbeheer. Paragraaf 6.5.4 Bbl en paragraaf 5.1.3 van de Omgevingsregeling zijn komen te vervallen.
Stb. 2025, 432.
Stcrt. 2025, 44480.
Voor drijvende bouwwerken geldt geen milieuprestatie-eis.
Voor de toepassing van de milieuprestatie wordt onder een woongebouw mede verstaan: een (gedeelte van een) gebouw met alleen woonfuncties en nevengebruiksfunctie daarvan, waarin meer dan één woonfunctie is gelegen die niet is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute. Een voorbeeld hiervan zijn beneden- en bovenwoningen met een eigen verkeersroute.
Voor woningen wordt de milieuprestatie-eis beleidsneutraal aangepast naar aanleiding van de herziene bepalingsmethode Milieuprestatie Bouwwerken (A2-versie). De milieuprestatie-eis voor kantoren wordt met ongeveer 15% aangescherpt. Voor kleinere woningen en niet-compacte kantoren geldt een soepelere eis; de bijbehorende rekenregels en regels voor het verstrekken van gegevens en bescheiden voor de aanvraag worden, met dezelfde inwerkingtredingsdatum, in de Omgevingsregeling opgenomen (art. 5.32, 5.32a, 5.32b en 7.9 Bbl).
Daarnaast wordt een milieuprestatie-eis geïntroduceerd voor andere gebruiksfuncties – met name gericht op winkels, gezondheids-, onderwijs- en industriegebouwen (met uitzondering van een gebouw met een industriefunctie en overige gebruiksfunctie < 50 m²). Dit is in eerste instantie bedoeld om praktijkervaring op te doen.
Bij meerdere gebruiksfuncties in een gebouw geldt een gewogen milieuprestatie-eis.
Artikel 3.87b Bbl, over laadpunten voor elektrische voertuigen bij bestaande bouw, is per 29 mei 2026 gewijzigd. Per 1 januari 2027 wijzigt dit artikel opnieuw. Vanaf dat moment moet een gebouw als bedoeld in dit artikel beschikken over ten minste één laadpunt voor elke tien parkeervakken, in plaats van ten minste één laadpunt in totaal, óf over leidingdoorvoeren voor het elektrisch laden voor ten minste de helft van de parkeervakken.
Op latere tijdstippen vinden verdere wijzigingen van artikel 3.87b Bbl plaats.
Gebouwen die eigendom zijn van de overheid en een gebruiksoppervlakte van meer dan 2.000 m² hebben, moeten voldoen aan een minimumwaarde voor de opwekking van zonne-energie. Deze verplichting geldt niet voor een woonfunctie, een andere logiesfunctie, een overige gebruiksfunctie en een bouwwerk dat geen gebouw is. De hoogte van de minimumwaarde is afhankelijk van de dakoppervlakte en de gebruiksoppervlakte. Aan de eis kan ook worden voldaan door gebruik te maken van een andere hernieuwbare energiebron. Daarnaast gelden enkele uitzonderingen, bijvoorbeeld vanwege de specifieke omstandigheden van het gebouw of de locatie. Deze wijziging treedt op 1 januari 2028 in werking. Op latere momenten volgen er meer wijzigingen voor de opwekking van zonne-energie.
Vanaf 1 januari 2028 geldt bij bepaalde vergunningplichtige verbouw van utiliteitsgebouwen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m², die geen ingrijpende renovatie betreft, een minimumwaarde voor hernieuwbare energie. Aan deze eis kan ook met andere vormen van hernieuwbare energie dan zonne-energie worden voldaan.
Er komt een minimum energieprestatie-eis voor huurwoningen. Eigenaren van huurwoningen met energielabel E, F of G moeten deze huurwoningen verduurzamen naar een primair fossiel energiegebruik van ten hoogste 290 kWh/m².jr of minimaal energielabel D. Van deze verplichting zijn enkele specifieke huurwoningen uitgezonderd, zoals monumenten, woningen die voor korte duur worden gebruikt en kleine vrijstaande woningen. Daarnaast gelden er andere uitzonderingen en overgangsrecht.
De internetconsultatie is eind 2025 afgerond. De minister heeft aangekondigd de wijziging van het Bbl in de zomer van 2026 ter voorhang aan de Tweede en Eerste Kamer aan te bieden. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2029.
De eerste tranche van de EPBD IV is op 29 mei 2026 in werking getreden. Voor de tweede, derde en vierde tranche stippen we de volgende belangrijke mijlpalen:
In het Bkl, het Bbl en het Omgevingsbesluit worden regels opgenomen om de betrouwbaarheid van het energielabel te vergroten. Het ontwerpbesluit is op 22 juni 2026 voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer. Deze regels hebben betrekking op het publiekrechtelijk toezicht op de werking van het kwaliteitsborgingssysteem. In het Bbl wordt vastgelegd dat het opnemen en registreren van de energieprestatie alleen is voorbehouden aan een certificaathouder en moet worden uitgevoerd volgens een certificatieschema. Nadere regels aan het certificatieschema, het register, de certificatie-instelling worden in de Omgevingsregeling opgenomen.
De datum van inwerkingtreding zal op een vast verandermoment plaatsvinden en wordt bij koninklijk besluit vastgesteld.
