Het Syntheserapport 2026 Monitoring en Evaluatie van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering van PBL, RIVM en WUR beoordeelt of het huidige stikstofbeleid voldoende is om de wettelijke natuurdoelen te halen. De conclusie is duidelijk: ondanks enige vooruitgang is het zeer onwaarschijnlijk dat Nederland met het huidige beleid de wettelijke doelen voor 2030 en 2035 haalt. Dat is belangrijk voor beleidsmakers, vergunningverleners, provincies, gemeenten en initiatiefnemers van ruimtelijke projecten, omdat het rapport laat zien waarom vergunningverlening nog steeds onder druk staat en waar aanvullend beleid nodig is.
Het rapport laat zien dat de stikstofdepositie al jarenlang afneemt. Tussen 2005 en 2023 daalde de neerslag van stikstof op Natura 2000-gebieden gemiddeld met 2,1 procent per jaar. Toch komt op de meeste stikstofgevoelige natuur nog steeds meer stikstof terecht dan deze kan verdragen.
In 2023 lag slechts ongeveer 30 procent van het stikstofgevoelige Natura 2000-oppervlak onder de Kritische Depositiewaarde (KDW), terwijl de wettelijke doelen uitgaan van 40 procent in 2025, 50 procent in 2030 en 74 procent in 2035. De onderzoekers verwachten dat in 2030 slechts 32 tot 34 procent onder de KDW ligt en in 2035 hooguit 39 procent. Daarmee blijven de wettelijke doelen ver buiten bereik.
De onderzoekers verklaren waarom de resultaten achterblijven. De grootste bijdrage aan de daling van de stikstofdepositie komt niet door nieuw stikstofbeleid, maar door ontwikkelingen in het buitenland en algemene veranderingen in de landbouw en mobiliteit.
De specifieke bronmaatregelen uit het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering leveren veel minder op dan oorspronkelijk was voorzien. Vooral de vrijwillige beëindigingsregelingen voor veehouderijen (zoals de Lbv en Lbv-plus) zorgen voor stikstofreductie. Andere maatregelen, zoals managementmaatregelen en technische innovaties in de landbouw, blijken minder effectief of worden onvoldoende toegepast. Bij melkveehouders blijft deelname aan beëindigingsregelingen bovendien achter.
Ook het natuurherstel verloopt moeizaam. Gemeenten, provincies en terreinbeheerders voeren vooral relatief eenvoudige herstelmaatregelen uit, zoals maaien en plaggen. Structurele maatregelen die natuur duurzaam herstellen, bijvoorbeeld het tegengaan van verdroging of herstel van complete ecosystemen, zijn bestuurlijk ingewikkelder en krijgen daardoor minder prioriteit. Bovendien worden stikstofmaatregelen en natuurherstel volgens de onderzoekers onvoldoende op elkaar afgestemd. Daardoor kan op de ene locatie natuur worden hersteld terwijl de stikstofbelasting hoog blijft, of andersom.
Een belangrijk kritiekpunt is dat de verplichte cyclische bijsturing uit de Omgevingswet nauwelijks is toegepast. Het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering had moeten worden aangepast zodra uit monitoring bleek dat de doelen niet haalbaar waren, maar dat is niet gebeurd. De onderzoekers pleiten daarom voor een herzien programma dat beter aansluit op de Europese Natuurherstelverordening en waarin stikstof, water, biodiversiteit en natuurherstel gezamenlijk worden aangepakt.
Alleen met een samenhangende en langdurige aanpak ontstaat volgens hen een betere basis voor zowel natuurherstel als vergunningverlening voor woningbouw, infrastructuur en andere maatschappelijke ontwikkelingen. Tegelijk waarschuwen zij dat ook een verbeterd programma Nederland niet automatisch "van het stikstofslot" zal halen; daarvoor zijn aanvullende juridische en beleidsmatige keuzes nodig.
