De rechtbank Den Haag oordeelt dat de ACM onrechtmatig heeft gehandeld door een invoerfout bij de vaststelling van maximale warmtetarieven. Of Eneco daardoor daadwerkelijk schade heeft geleden, moet in een vervolg van de procedure worden vastgesteld.

De rechtbank Den Haag heeft in een tussenvonnis geoordeeld dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) onrechtmatig heeft gehandeld bij de vaststelling van de maximale warmtetarieven voor 2024. Door een invoerfout stelde de ACM de maximale vaste tarieven voor warmte aanvankelijk te hoog vast. Nadat de fout was ontdekt, werden de tarieven in juni 2024 met terugwerkende kracht verlaagd. Warmteleverancier Eneco stelt hierdoor miljoenen euro’s schade te hebben geleden en vordert een schadevergoeding van de Staat.
De zaak draait om de regulering van warmtetarieven op grond van de Warmtewet. Eind 2023 stelde de ACM de maximale vaste tarieven vast voor warmtelevering. Later bleek dat bij de berekening onjuiste gegevens waren gebruikt, waardoor de tarieven te hoog waren vastgesteld. De ACM corrigeerde deze fout met een herstelbesluit dat terugwerkte tot 1 januari 2024.
Eneco had haar eigen tarieven inmiddels gebaseerd op de oorspronkelijke ACM-tarieven. Na het herstelbesluit moest zij haar vaste tarieven verlagen. Volgens Eneco kon zij het hierdoor ontstane inkomstenverlies niet meer compenseren door haar variabele tarieven te verhogen. De onderneming stelt daardoor ruim € 2,8 miljoen aan winst te zijn misgelopen.
De rechtbank stelt vast dat de ACM heeft erkend dat het oorspronkelijke tarievenbesluit onrechtmatig was. Daarmee staat de fout als zodanig vast. De centrale vraag is nu of er een causaal verband bestaat tussen die fout en de door Eneco gestelde schade. Volgens de rechtbank heeft Eneco voldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij een correct tarievenbesluit mogelijk andere tarieven zou hebben vastgesteld. Tegelijkertijd ontbreekt nog voldoende inzicht in de interne berekeningen en scenario’s waarop die stelling is gebaseerd.
Daarom krijgt Eneco opdracht om aanvullende stukken over te leggen over haar tariefvorming, verwachte bedrijfsresultaten en verbruiksgegevens over 2024. Pas daarna kan worden beoordeeld of en in welke omvang schadevergoeding verschuldigd is.
Deze uitspraak is relevant voor warmteleveranciers, toezichthouders en beleidsmakers. De rechtbank bevestigt dat fouten bij tariefregulering kunnen leiden tot aansprakelijkheid van de overheid. Tegelijkertijd blijkt dat een leverancier concreet moet aantonen welke schade daadwerkelijk is ontstaan. De zaak laat zien hoe groot de financiële gevolgen van tariefbesluiten onder de Warmtewet kunnen zijn en onderstreept het belang van zorgvuldige tariefvaststelling door de ACM.