Een bestuursorgaan kan niet met een algemene belangenafweging afzien van handhaving tegen een PAS-melder zonder natuurvergunning. Het moet zowel de individuele bedrijfsbelangen als de gevolgen voor Natura 2000-gebieden concreet in kaart brengen. Ook kan niet zonder meer worden uitgegaan van toekomstige legalisatie, oordeelt de rechtbank Oost-Brabant.

Een bio-energiecentrale was in 2016 gerealiseerd op basis van een PAS-melding. De installatie beschikte niet over de benodigde natuurvergunning. Een belangenorganisatie verzocht daarom om handhavend optreden. Gedeputeerde staten van Noord-Brabant wezen dat verzoek af.
Na een eerdere vernietiging nam het college in 2025 een nieuw besluit. Het stelde dat het bedrijfsbelang zwaarder woog dan het natuurbelang. De stikstofdepositie zou gering en tijdelijk zijn, omdat werd verwacht dat de PAS-melder uiterlijk medio 2025 kon worden gelegaliseerd. Volgens het college zou handhaving bovendien slechts een zeer beperkte ‘tijdwinst’ voor de natuur opleveren.
De vraag was of het college voldoende had gemotiveerd waarom het, ondanks het ontbreken van de vereiste natuurvergunning, van handhavend optreden mocht afzien.
Daarbij moest het college een redelijk evenwicht vinden tussen de belangen van de PAS-melder en het natuurbelang. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft eerder geoordeeld dat bijzondere omstandigheden bij PAS-melders aanleiding kunnen zijn om handhaving onevenredig te achten, maar alleen nadat de gevolgen van niet-handhaven voor de natuur daadwerkelijk in beeld zijn gebracht.
De rechtbank vindt de motivering op drie punten onvoldoende.
Ten eerste had het college de individuele bedrijfsbelangen van de exploitant niet concreet in kaart gebracht. Alleen verwijzen naar het algemene belang van de PAS-melder is onvoldoende.
Ten tweede was onvoldoende gekeken naar de staat van instandhouding van de betrokken Natura 2000-gebieden. Een abstracte berekening dat handhaving slechts enkele uren ‘tijdwinst’ voor het bereiken van natuurdoelen zou opleveren, volstaat niet.
Ten derde mocht het college niet zonder voldoende onderbouwing aannemen dat medio 2025 concreet zicht op legalisatie zou bestaan. Die verwachting was inmiddels achterhaald: het legalisatieprogramma had voor veel PAS-melders niet tot legalisatie geleid.
De uitspraak is vooral relevant voor bestuursorganen die beslissen over handhaving bij activiteiten met gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Wie vanwege bijzondere omstandigheden of evenredigheid van handhaving wil afzien, moet de belangen concreet en actueel onderzoeken.
Dat betekent dat niet kan worden volstaan met algemene aannames over economische gevolgen, geringe stikstofdepositie of toekomstige legalisatie. Breng het belang van de betreffende onderneming daadwerkelijk in beeld en zet daartegenover de concrete staat van de betrokken natuurgebieden en de gevolgen van niet-handhaven.
Ook is voorzichtigheid geboden met een beroep op toekomstige legalisatie. Als een legalisatietraject vertraging heeft opgelopen of onzeker is geworden, moet het bestuursorgaan zijn beoordeling daarop aanpassen. Een eerder bestaande verwachting kan niet zonder actuele onderbouwing aan een nieuw besluit ten grondslag worden gelegd.
Let op: dit is een tussenuitspraak. De rechtbank geeft het college zes maanden om de gebreken te herstellen, eventueel na overleg met de betrokken partijen. De definitieve uitkomst van de procedure staat dus nog niet vast.