De Rechtbank Oost-Brabant oordeelde op 4 juni 2026 voor de tweede keer dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (het college) de afwijzing van een handhavingsverzoek onvoldoende heeft onderbouwd. De zaak gaat over een varkenshouderij die zonder de vereiste natuurvergunning in werking is. De rechtbank spreekt van een "herhaling van zetten" en roept de wetgever op tot actie.

Eiseres heeft het college op 24 augustus 2021 verzocht om handhavend op te treden op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) — nu artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet. De varkenshouderij heeft in 2016 een PAS-melding ingediend voor de gewijzigde uitvoering van stal 1. Het college heeft deze melding destijds geaccepteerd. Op 29 mei 2019 verklaarde de Afdeling het Programma Aanpak Stikstof (PAS) onverbindend omdat deze niet voldoet aan de Habitatrichtlijn. Hierdoor heeft de PAS-melding geen rechtskracht meer en is alsnog een natuurvergunning vereist.
Het college weigerde in 2021 te handhaven. De rechtbank vernietigde dat besluit in 2022 (ECLI:NL:RBOBR:2022:670). Het college nam in januari 2025 een nieuw besluit op bezwaar — maar onderbouwde dat opnieuw onvoldoende. Wat was er mis met het besluit?
De rechtbank stelt drie tekortkomingen vast in het bestreden besluit:
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen zes maanden een nieuw — inmiddels derde — besluit te nemen. Tegelijk geeft de rechtbank een duidelijk signaal aan de wetgever: de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is verplicht om samen met de provincies een legalisatieprogramma vast te stellen. Het programma bevat primair gerichte maatregelen voor het verminderen van stikstofemissie. Dat programma moet vóór 1 mei 2026 worden vastgesteld en de maatregelen worden uitgevoerd vóór 1 maart 2028.
De rechtbank roept partijen op zelf een regeling te treffen. De vrijheid van ondernemerschap en het recht op ongestoord genot van eigendom worden beperkt door artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Van de derde-partij mag dus enige inspanning worden verwacht, zeker nu de wetgever en de rechtspraak geen aanleiding hebben gezien voor een generaal pardon voor PAS-melders.