Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Vergunning voor flora- en fauna-activiteit: Afdeling zet Wnb-rechtspraak onder Ow voort

Stibbe 8 June 2026

Jurisprudentie – Samenvattingen

In haar uitspraak van 3 juni 2026 oordeelt de Afdeling dat appellanten niet als belanghebbenden (in de zin van art. 1:2 Awb) kunnen worden aangemerkt bij de verleende omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het verplaatsen van een ooievaarspaal met ooievaarsnest.

Met het oog op de aanleg van enkele padelbanen had de tennisvereniging, op wiens terrein de ooievaarspaal stond, deze omgevingsvergunning aangevraagd en verkregen. Appellanten komen in hun hoedanigheid van omwonenden op tegen de verleende vergunning vanwege de daarin opgenomen voorwaarde dat de ooievaarspaal 35 meter van de oorspronkelijke locatie - en daarmee dichter bij hun woningen - moet worden herplaatst.

In hoger beroep betogen zij dat hun bezwaar en beroep ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. De Afdeling overweegt dat zij voor wat betreft de vraag of een natuurlijke persoon als belanghebbende kan worden aangemerkt haar onder de Wet natuurbescherming (Wnb) gevormde rechtspraak (vgl. de Afdelingsuitspraak van 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2226) onder de Ow wil voortzetten.

Dit betekent dat voor het aannemen van belanghebbendheid bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als uitgangspunt geldt dat de betrokkene rechtstreeks feitelijke gevolgen van de vergunde handeling moet ondervinden. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ is een correctie op dit uitgangspunt: zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit, omdat hij zich dan onvoldoende onderscheidt van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor iemands woon- of leefsituatie zijn kijkt de Afdeling naar de ruimtelijke uitstraling van de handeling waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zoals het doden of verstoren van soorten of het weghalen van nesten.

De omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit heeft betrekking op de bescherming van soorten en heeft een daartoe beperkte ruimtelijke uitstraling: de ruimtelijke uitstraling en feitelijke gevolgen van het project dat mede door de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit mogelijk wordt gemaakt - in dit geval de aanleg van padelbanen - is voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij een vergunde flora- en fauna-activiteit (daarom) niet van belang.

Omdat de Afdeling in dit geval geen reden ziet voor het oordeel dat het gebruikmaken van de verleende omgevingsvergunning enige ruimtelijke uitstraling zal hebben op de woon- en leefomgeving van appellanten, concludeert zij dat het ingediende bezwaar en beroep terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. 

Artikel delen