Afvalstoffenrecht is een relatief jong rechtsgebied. Tot de jaren zeventig in de vorige eeuw bestond er weinig reden om afvalstoffenbeleid en wetgeving te ontwikkelen. Afvalstoffen waren veelal composteerbaar (groenafval, e.d.) of er werd gebruik gemaakt van meermalige verpakkingen (melkflessen, e.d.). Het ontstaan van afvalstoffen is een probleem geworden naarmate de industrialisatie en welvaart toenam. Steeds meer producten en eenmalige verpakkingen zorgden ervoor dat er meer ruimte nodig was voor stortplaatsen en capaciteit voor verbrandingsinstallaties. In de tweede helft van de vorige eeuw is de hoeveelheid afval per persoon explosief gegroeid. Sinds de jaren zeventig is er specifiek afvalbeleid en afvalstoffenwetgeving.
Het voorgaande neemt niet weg dat ook voor die tijd al enigszins sprake was van afvalverwijdering. In de achttiende eeuw ontstond er in Nederland een soort van georganiseerde afvalverwijdering. Het inzicht in volksgezondheidsaspecten nam toe en men besloot het organisch afval (menselijke en dierlijke uitwerpselen, resten van brandstoffen, textiel, e.d.) uit de stedelijke gebieden naar het platteland te brengen waar het als meststof kon worden gebruikt. Van bedrijfsafval uit ambachten was nauwelijks sprake. Met de opkomende industrialisatie veranderde dat. In 1865 werd het Staatstoezicht op de Volksgezondheid ingesteld maar de eerste wettelijke maatregelen hadden vooral betrekking op het voorkomen van besmettelijke ziekten. In die tijd begon men het belang in te zien van een goede drinkwatervoorziening, riolering en ook de afvoer van huishoudelijk afval.
Gemeenten zochten oplossingen voor hun afval. Veelal werden moerassen of sloten en plassen volgestort met afvalstoffen. Ook de zee werd gebruikt als stortplaats voor lozen van vloeibaar afval en zelfs vast afval (dat laatste overigens zonder succes omdat het afval weer op het strand aanspoelde). Een andere veelgebruikte methode was het simpelweg op land storten: de zogenaamde vuilnisbelt. Veel ophogingen in het Nederlandse landschap herinneren nog aan deze tijd. Ook werd op talloze plaatsen illegaal chemisch afval in de bodem gebracht. In de jaren ‘60 werd men zich pas bewust van de nadelige gevolgen van deze handelswijze voor de bodem, water en grondwater. In 1971 werd voor het eerst een minister verantwoordelijk voor het onderwerp milieuhygiëne. De milieuschandalen in Lekkerkerk, de Volgermeerpolder en Coupépolder zorgden er uiteindelijk mede voor dat men wakker schrok en overging tot het nemen van vergaande maatregelen.
Niet alleen de stortplaatsen zorgden voor milieuproblemen. Vanaf het begin van de 20e eeuw werden er ook al afvalstoffen verbrand. Er zijn een aantal afvalverbrandingsinstallaties opgericht. Afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) waren bronnen van luchtverontreiniging. Naast de emissie van zwaveldioxide, stikstofoxide en zware metalen bleek in de jaren tachtig dat ze ook een grote bron waren van dioxinen. Onderzoek naar de emissie van dioxinen naar de lucht en naar de gevolgen voor de volksgezondheid toonde aan dat de concentraties van dioxinen in koemelk plaatselijk te hoog waren. Dit kwam aan het licht tijdens de Lickebaert-affaire. Het bleek dat de melk van koeien die in de polder Lickebaert (tussen Vlaardingen en Maassluis) graasden, te veel dioxine bevatte. Het toenmalige ministerie van Landbouw stelde een verbod in op de verwerking van melk en schapenvlees uit het gebied. Dat verbod bleef lange tijd van kracht. Besloten werd een aantal kleine verbrandingsinstallaties te sluiten en de andere te voorzien van extra rookgasreinigingsapparatuur. Tegenwoordig voldoen de installaties aan strenge Europese eisen.
Het afvalstoffenrecht heeft zich dus mede ontwikkeld op basis van de maatschappelijke problemen die zich met betrekking tot de verwerking van afval hebben voorgedaan. De wijze waarop het afvalbeheer is vormgegeven wordt in hoge mate bepaald door de sturing en regelgeving van de overheid. Om een optimale verwijdering (“lekvrij”) en hoogwaardige verwerking mogelijk te maken is een sturende functie van de overheid noodzakelijk. Ervaringen uit het verleden (bijvoorbeeld talloze gevallen van ernstige bodemverontreiniging als gevolg van storten van afvalstoffen) wijzen er immers op dat sturing niet of niet volledig aan de markt kan worden overgelaten.