In 1993 is de Wet milieubeheer in werking getreden. De Wet milieubeheer beoogde de sectorale wettelijke vergunningstelsels (Hinderwet, Wet op de luchtverontreiniging, Wet geluidhinder, Afvalstoffenwet, Wet chemische afvalstoffen) te integreren. Hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer is gewijd aan afvalstoffen en in werking getreden op 1 januari 1994. De Afvalstoffenwet en de Wet chemische afvalstoffen zijn per die datum ingetrokken. Hoofdstuk 8 was het vergunningenhoofdstuk en had ook betrekking op (afvalverwerkende) inrichtingen. De periode van vóór 1993 kenmerkte zich vooral door een centrale coördinerende rol van de toenmalige minister van VROM. Na 1993 krijgen de provincies er belangrijke taken bij. De wetgeving werd vanaf die tijd gekenmerkt door sturing van afvalstoffen op de volgende drie niveaus:
Rijk (Ministerie)
Het bevorderen van preventie en hergebruik, overbrenging van afvalstoffen naar het buitenland, verklaringen van geen bezwaar bij vergunningen voor gevaarlijk afval.
Provincie (GS)
Sturing van de inzameling, het beheer en de vergunningverlening van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, vergunningverlening inrichtingen huishoudelijk afval.
Gemeente (B&W)
Inzameling en beheer van huishoudelijk afval
Tabel 1.1 – Verantwoordelijkheden in de periode 1993-2002
Het PAP werd vervangen door een provinciaal milieubeleidsplan (PMP) dat een afvalparagraaf bevatte. Er was geen goedkeuring meer nodig van de minister. Door of in opdracht van de minister van VROM zijn in die tijd Tienjarenprogramma’s Afval (TJP-A) en het Meerjarenplan Gevaarlijk Afval (MJP-GA) ontwikkeld. In een TJP-A werd aangegeven wat er aan verwerkingscapaciteit moest worden gerealiseerd voor verbranden, storten en composteren. In een MJP-GA is beschreven hoe preventie en hergebruik kon worden bevorderd en het MJP-GA was een toetsingskader bij vergunningverlening. Voor twintig afvalstromen werd het beleid nader geconcretiseerd (vergelijkbaar met de huidige sectorplannen in het nog te bespreken Landelijk afvalbeheerplan [LAP]). Bij de vergunningverlening voor inrichtingen die gevaarlijk afval verwerkten (voorheen chemisch afval geheten) verleende voortaan de provincie de vergunning maar pas nadat de minister een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) had afgegeven.