Er is een uitgebreide bibliotheek aan EVOA-jurisprudentie vanuit het bestuursrecht maar ook vanuit strafrecht (overtreding van artikel 10.60 van de Wm is immers ook strafbaar gesteld in de WED). Veelal gaat het om de vraag of de juiste procedure is gevolgd of om de vraag of er wel of niet terecht is opgetreden tegen illegale transporten. Het gaat dan vooral om de vraag of er sprake is van afvalstof of grondstof dan wel de juiste handeling is aangekruist (nuttige toepassing of verwijdering). Hieronder is een aantal belangwekkende uitspraken geselecteerd.
Brand containerschip MSC Flaminia – Hof van Justitie van de EU, 21 januari 2025, ECLI:EU:C:2025:26.
Tijdens de reis van de Verenigde Staten naar België brak op het containerschip "MSC Flaminia" een brand uit waarbij de chemicaliën aan boord vlam vatten en een reeks explosies plaatsvond. Bij dit tragische ongeluk kwamen drie bemanningsleden om het leven en het kostte veel moeite om de brand onder controle te krijgen. Er ontstond schade en het laadruim raakte verontreinigd met toxische (afval)stoffen. Na weken van bergingspogingen en weigeringen van toegang door verschillende omliggende havens, is het schip uiteindelijk naar Duitsland gesleept. De Duitse autoriteiten merkten het bluswater, slib en schroot die zich aan boord bevonden aan als afvalstoffen. Voordat het containerschip vanuit Duitsland naar Roemenië mocht worden gesleept om (een deel van) het gevaarlijke en toxische afval te verwijderen en het schip te herstellen, gelasten de Duitse autoriteiten om de procedure op grond van de EVOA van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming te volgen. Volgens de eigenaar van het schip was deze EVOA-procedure echter niet vereist omdat het afvalstoffen betreft die aan boord van schepen zijn ontstaan. In artikel 1, lid 3, onder b van de EVOA is namelijk bepaald dat afvalstoffen die aan boord van voertuigen, treinen, vliegtuigen en schepen zijn ontstaan, totdat zij met het oog op nuttige toepassing of verwijdering zijn gelost, niet onder de werkingssfeer van de verordening vallen. De hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Beieren (Oberlandesgericht München) heeft het Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld die betrekking hebben op deze uitzondering in de EVOA. Het Hof oordeelt– samengevat – dat vanaf het moment dat de afvalstoffen die zijn ontstaan door averij aan boord van een schip op volle zee in de haven van een lidstaat zijn aangekomen, deze moeten worden onderworpen aan de in de EVOA neergelegde procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming en niet langer mogen worden beschouwd als afvalstoffen die aan boord van […] schepen zijn ontstaan. Dit geldt voor afvalstoffen die zijn gelost in een veilige haven, maar ook voor de afvalstoffen die aan boord van het schip achterblijven om samen met het schip te worden overgebracht met het oog op nuttige toepassing of verwijdering.
PVC-materialen – ABRvS, 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4838
Een bedrijf dat zich bezighoudt met het recyclen van PVC-materialen wilde vijf containers overbrengen naar India, Algerije en Guatemala. Na controle van de containers is de ILT tot de conclusie gekomen dat zij over onvoldoende informatie beschikte om te kunnen beoordelen of de containers wel of geen afval bevatten. Bij gebrek aan informatie is de inhoud daarom als afval gekwalificeerd en zijn de containers tegengehouden omdat de uitvoer van dergelijke afvalstoffen naar landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, verboden is. Het bedrijf betoogt dat de materialen ten onrechte als afval zijn aangemerkt. De Afdeling loopt de einde-afvalcriteria uit artikel 1.1, lid 6 Wm af voor de vraag of sprake is van een afvalstof. Het bedrijf heeft geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat aan de voorwaarden onder a) en b) is voldaan. Verder heeft het bedrijf ook niet aangetoond dat de stoffen voldoen aan de technische voorschriften en geldende wetgeving noch dat ze geen ongunstige effecten hebben op het milieu of de menselijke gezondheid. Zo is bijvoorbeeld geen inzicht verschaft in haar bewerkingsmethoden of de precieze samenstelling van de stoffen. Ook ten opzichte van de voorwaarden onder c) en d) heeft het bedrijf dan ook onvoldoende informatie overlegd om te kunnen beoordelen of hieraan wordt voldaan. Gelet hierop mocht de staatssecretaris tot de conclusie komen dat er onvoldoende gegevens waren om te kunnen beoordelen of aan de cumulatieve vereisten van artikel 1.1, lid 6 Wm is voldaan.
Kraftzakken - Gerechtshof Den Haag, 4 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:877.
Verdachte heeft vijf containers met gebruikte kraftzakken naar India willen overbrengen om te recyclen. Kraftzakken bestaan uit een papieren buiten- en kunststof binnenzak. Op de transportdocumenten stond vermeld papierafval dat onder Bazel-code B3020 van bijlage III van de EVOA (de groene lijst) viel, zodat sprake is van een afvalstof. Gelet op de samenstelling van de krafzakken vallen deze echter niet onder B3020, omdat die alleen ziet op papier, karton en papierproducten. De kraftzakken zijn zogenoemde composiet (samengestelde) verpakkingen en worden specifiek vermeld onder code BEU04 van bijlage IIIB, onder 2 van de EVOA. Verdachte verwijst naar het Interseroh-arrest (ECLI:EU:C:2020:398) waarin het Hof van Justitie onder meer heeft bepaald dat mengsels van papierafval onder code B3020 kunnen vallen, indien die mengsels bestaan uit papierafval waarvan elke type afvalstof valt onder één van de eerste drie streepjes van code B3020 en maximaal 10% aan stoorstoffen (zoals kunststof) bevatten. Dit gaat in het voorliggende geval niet op omdat sprake is van composiet verpakkingen en niet van een mengsel. Dit betekent dat niet de algemene informatieverplichting gold maar een kennisgevingsprocedure vereist was. De overbrenging geschiedde zonder kennisgeving en toestemming waardoor artikel 10.60, lid 2 van de Wm is overtreden.
Sloopschip Freemantle Highway – Rechtbank Den Haag, 5 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4807.
Op het autotransportschip "Fremantle Highway" brak in de zomer van 2023 voor de kust van Nederland brand uit waarbij het schip zwaar beschadigd werd. Het schip ligt in de haven van Rotterdam en de eigenaar wil het transporteren naar China voor herbouw. De Staat (Inspectie Leefomgeving en Transport, hierna: ILT) wil niet zomaar meewerken aan de reis naar China omdat naar zijn mening sprake is van een afvalstof. De ILT vindt dat er eerst een zogenoemde kennisgeving op grond van de EVOA moet worden gedaan. Als die er is, met een dossier met noodzakelijke informatie, kan er snel beslist worden. Mocht de eigenaar het niet eens zijn met de ILT, dan kan ze zich wenden tot de bestuursrechter die een voorlopige (spoed)voorziening kan treffen. De eigenaar vindt die benadering niet juist: waarom een kennisgeving doen als er geen sprake is van een afvalstof? Met een kort geding bij de civiele rechter wil de eigenaar bereiken dat het schip op korte termijn getransporteerd kan worden. De kortgedingrechter is het met de Staat eens. Voor een goede beoordeling van de staat van het schip is de kennisgevingsprocedure de juiste weg. Dan komen alle belangrijke gegevens op tafel. De weg naar de civiele rechter in kort geding is daarmee afgesloten. Eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Communicatiekabels - Rechtbank Rotterdam, 31 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:754.
Een bedrijf wil zogenoemde out-of-service communicatiekabels overbrengen naar Zuid-Afrika. De voormalige gebruiker en eigenaar van de kabels (een telecomaanbieder) geeft toestemming aan het bedrijf om ze tegen betaling van de bodem te verwijderen. Door het bedrijf worden de kabels in stukken geknipt en verzameld in containers om te worden verscheept. De kabels bevatten waardevolle metalen die na bewerking opnieuw kunnen worden gebruikt. In de Rotterdamse haven werden vijf containers met kabelrestanten aangetroffen zonder de noodzakelijke kennisgeving voor het afvaltransport.
De rechtbank concludeert dat de telecommunicatie kabels geen nut meer hebben en een risico voor het zeemilieu (kunnen) opleveren waardoor deze niet meer tot nut maar tot last zijn, zodat sprake is van een afvalstof. Dat voor de kabels is betaald en een economische waarde hebben doet daaraan niet af. De kabels zijn in stukken geknipt en zijn daardoor niet meer geschikt voor het oorspronkelijke doel van communicatie. Daarnaast moeten de kabels voorafgaand aan de recycling eerst bewerkt worden, pas daarna kunnen de kabels worden ingezet als grondstof. Ten tijde van de overbrenging was derhalve geen sprake van een einde-afvalstof. Gelet hierop had voorafgaand aan de overbrenging schriftelijke kennisgeving aan en toestemming van Zuid-Afrika moeten worden gevraagd. Nu dit niet is gedaan is sprake van strijd met de EVOA.
Afgedankte auto's en tv's – Rechtbank Rotterdam, 8 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11221.
In deze zaak gaat het over de uitvoer van gebruikte tweedehands goederen waaronder afgedankte personenauto's en tv's naar Nigeria en Guinee, bestemd voor nuttige toepassing. De afvalstoffen, voor zover die zijn opgenomen in de tenlastelegging, zijn te kwalificeren als gevaarlijke afvalstoffen, opgenomen in bijlage V van de EVOA. Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a van de EVOA is de uitvoer van deze stoffen verboden naar deze niet OESO-landen.
Met betrekking tot de aangetroffen elektrische en elektronische apparaten kan getwijfeld worden of deze goederen nog gebruikt konden worden overeenkomstig hun oorspronkelijke doel en was hergebruik niet zeker. Testrapporten over de werking van deze apparaten ontbraken en de lading was niet verpakt ter bescherming tegen transportschade. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat er sprake is van een zich ontdoen van de onderhavige goederen, die daarmee zijn aan te merken als afvalstof. De omstandigheid dat die goederen in Afrika nog economische waarde hebben en daar niet als afval worden gezien, doet hieraan niet af.
Voor zover is aangevoerd dat de verdachte niet de eigenaar is van de goederen en hij als expediteur niet strafrechtelijk aansprakelijk is voor de overbrenging, maar veeleer zijn opdrachtgevers, wordt het volgende overwogen. Het verbod op illegale overbrenging van afvalstoffen als bedoeld in artikel 2, onder 35 van de EVOA, neergelegd in artikel 10.60 van de Wet Milieubeheer, geldt voor een ieder. Als overtreder moet aangemerkt worden diegene die het te handhaven voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden en die het in zijn macht heeft om aan de illegale situatie een einde te maken. De verdachte is een professioneel deelnemer in de markt die zich richt op de uitvoer van gebruikte voertuigen en goederen naar West-Afrika en wordt geacht bekend te zijn met de gebruiken en risico's die daarbij komen kijken. Hij heeft de verscheping van de goederen naar Afrika geregeld. Als vervoerder en expediteur is hij een onmisbare schakel in de overbrenging van de goederen naar West-Afrika en had hij het in zijn macht om handelingen in strijd met de EVOA te voorkomen. Als zorgvuldig expediteur in een gevoelige branche wordt van hem verwacht alles te doen wat in zijn macht ligt om zeker te stellen dat geen afvalstoffen in strijd met de EVOA worden overgebracht. Hij had de over te brengen goederen dienen te (laten) controleren en kunnen en moeten zien dat de begeleidende documentatie bij de beide transporten niet aanwezig of onvoldoende was. Hij had niet louter op de door de opdrachtgevers verstrekte testrapporten af mogen gaan. De verdachte is dus aan te merken als overtreder van de norm en is daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk te houden.
Bleekaarde - Rechtbank Rotterdam, 8 juni 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7651.
In de periode van 2013 tot en met 2015 heeft een Deens bedrijf vrijwel dagelijks afgewerkte bleekaarde dat was gebruikt als absorptiemiddel bij chemisch processen, getransporteerd van Nederland naar Denemarken. Na gebruik is afgewerkte bleekaarde een afvalstof die valt onder Bazel-code B3060 van bijlage III van de EVOA. De Rechtbank concludeert dat de transporten opzettelijk in strijd met de EVOA zijn uitgevoerd omdat in vak 1 van het formulier uit bijlage VII van de EVOA bewust onjuiste en inconsistente informatie bevatte over de opdrachtgever van de transporten. Overbrengingen van afval waarbij de vereiste documenten niet goed zijn ingevuld zijn strafbaar op grond van artikel 1a onder 1° van de WED en artikel 10.60, lid 2 van de Wm. Op grond van artikel 2, lid 1, van de WED is het een misdrijf als het opzettelijk is begaan en een overtreding als het niet opzettelijk is begaan. Vanwege de opzet is in dit geval sprake van een misdrijf en strafbaar feit.
Dierlijke bijproducten - Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4022 (hoger beroep).
De verdachte heeft zich volgens de Officier van Justitie bij het overbrengen van afvalstoffen vanuit Nederland naar een biomassavergister in Duitsland niet gehouden aan de EVOA. De afvalstoffen, mengsels van dierlijke bijproducten en ander niet-dierlijk afval, zijn volgens de Officier van Justitie illegaal overgebracht, omdat de overbrenging van afvalstoffen zonder kennisgeving aan en zonder toestemming van de betrokken autoriteiten heeft plaatsgevonden (art. 2, onder 35 sub a en/of b van de EVOA). Daarmee was sprake van overbrenging in strijd met artikel 10.60, lid 2 van de Wm.
Het hof oordeelt dat voldoende aannemelijk is dat de mengsels deels uit dierlijke bijproducten hebben bestaan gelet op de aard van de verschillende bedrijven waar de mengsels zijn geladen en de inhoud van de door verdachte opgemaakte handelsdocumenten en dat het daarbij ging om categorie 3-materiaal in de zin van artikel 10 van de Verordening dierlijke bijproducten 2009. Nu het hof ervan uit gaat dat alle mengsels deels uit dierlijke bijproducten hebben bestaan, betekent dit dat de EVOA niet van toepassing was op het overbrengen van deze mengsels.
Door de advocaat-generaal is nog aangevoerd dat de EVOA ook van toepassing is als ervan moet worden uitgegaan dat de mengsels deels uit dierlijke bijproducten hebben bestaan omdat verdachte die dierlijke bijproducten in de mengsels heeft opgenomen met als enig doel te ontkomen aan de toepassing van de EVOA. Naar het oordeel van het hof kan uit de bewijsmiddelen zonder meer niet worden afgeleid dat dit het geval is geweest. In dit verband merkt het hof op dat aan de hand van de GPS-gegevens van de vrachtwagens die de hiervoor genoemde mengsels hebben vervoerd, kan worden vastgesteld waar die mengsels zijn geladen. Het hof is gebleken dat deze gegevens telkens in overeenstemming zijn met de ten behoeve van de transporten van deze mengsels opgemaakte documenten. Het hof acht dan ook niet bewezen dat verdachte op deze manier misbruik heeft gemaakt van de regelgeving. Gelet hierop heeft het hof verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.
Elektronisch afval – Hof van Justitie van de EU, 4 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:564 (C-624/17).
Verdachte Tronex heeft afgedankte elektronische apparaten (onder andere elektrische waterkokers, stoomstrijkijzers, ventilatoren en scheerapparaten) over willen brengen van Nederland naar Tanzania. De apparaten waren grotendeels in originele dozen verpakt, maar enkele waren onverpakt. Het ging enerzijds om apparaten die op basis van de productgarantie door consumenten waren geretourneerd en anderzijds om goederen die, bijvoorbeeld door een assortimentswijziging, niet meer tot het assortiment van de verkoper behoorden. Bovendien waren enkele apparaten defect. De overbrenging heeft plaatsgevonden zonder kennisgeving of toestemming als bedoeld de EVOA.
Het Hof van Justitie beantwoordt de prejudiciële vragen van het Gerechtshof Den Haag als volgt:
"De overbrenging van een partij elektronica, zoals de partij in het hoofdgeding, die bestond uit apparaten die aanvankelijk waren bestemd voor verkoop in de detailhandel maar die door de consumenten zijn geretourneerd of die door de handelaar om verschillende redenen aan de leverancier zijn teruggestuurd, moet worden beschouwd als een "overbrenging van afvalstoffen” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 1, ervan en artikel 3, aanhef en punt 1, van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, wanneer deze partij apparaten bevat waarvan niet vooraf is vastgesteld dat ze goed werkten, of die niet naar behoren zijn beschermd tegen transportschade. Daarentegen mogen goederen die in het assortiment van de verkoper overtollig zijn geworden en nog in de ongeopende originele verpakking zitten, zonder op het tegendeel duidende aanwijzingen niet als afvalstoffen worden aangemerkt."
Uit het arrest blijkt dat om aan te tonen dat gebrekkig werkende apparaten geen afval zijn, de houder van de producten moet aantonen dat hergebruik ervan niet alleen tot de mogelijkheden behoort, maar zeker is, en ervoor zorgen dat de daartoe noodzakelijke controles hebben plaatsgevonden en vooraf de benodigde reparaties zijn verricht. Bovendien moet hij er met een geschikte verpakking voor zorgen dat de producten niet defect raken door het transport. Omdat de houder zonder een dergelijke verpakking het risico op transportschade aanvaardt, moet in dat geval worden aangenomen dat hij zich van deze apparaten wenst te ontdoen. De verwijzende rechter (Gerechtshof Den Haag) moet nog een uitspraak doen in dit geschil.
Overbrenging zeeschepen voor sloop – Rechtbank Rotterdam, 15 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2108.
De rederij Seatrade heeft vier zeeschepen overgebracht naar Turkije, India en Bangladesh om te laten slopen, in strijd met de bepalingen uit de EVOA.
Ten aanzien van elk van de vier schepen, de Spring Bear, de Spring Bob, de Spring Deli en de Spring Panda kan worden geconcludeerd dat op het moment dat deze op respectievelijk 15 april 2012, 19 april 2012, 1 mei 2012 en 9 mei 2012 de havens van Rotterdam respectievelijk Hamburg verlieten, binnen het [concern] het voornemen bestond om zich van deze schepen te ontdoen. Overeenkomstig de uitleg die volgens het Hof van Justitie aan het begrip “zich ontdoen van” moet worden gegeven waren de schepen daarom op dat moment een afvalstof in de zin van de EVOA.
Het verweer van de verdediging dat het naar maatschappelijke opvattingen onbegrijpelijk is dat zeewaardige, gecertificeerde en verzekerde schepen, die operationeel inzetbaar zijn en die een miljoenenwaarde vertegenwoordigen, als afvalstof aangemerkt kunnen worden, doet aan deze conclusie niet af. Hoewel op zichzelf deze omstandigheden ieder voor zich en in samenhang bezien een aanwijzing kunnen vormen dat geen sprake is van een afvalstof, zijn zij niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een afvalstof. Zoals door het Hof van Justitie in het eerdergenoemde Shell-arrest is overwogen, moet doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de ware intentie van de houder en zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is uiteengezet was het de intentie om zich van de schepen te ontdoen. Ook de omstandigheid dat drie van de schepen tijdens een gedeelte van de reis naar hun laatste bestemming nog commercieel zijn ingezet en een lading hebben vervoerd, doet daaraan niet af.
Oud papier - Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 januari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:288.
Deze uitspraak gaat over het transport vanuit Nederland naar China van meerdere containers met oud papier, dat vermengd was met andere soorten afval, in strijd met de EVOA.
De rechtbank stelt vast dat de inhoud van de containers naast papier en karton, ook bestond uit andere afvalstoffen zoals plastic, kraftzakken en kunststof. Deze gecombineerde lading bestaande uit voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen, is niet aan te merken als een mengsel dat is opgenomen onder bijlage III A van de EVOA. Dit betekent dat de afvalstof oud papier en karton verontreinigd was met andere afvalstoffen. Hierdoor kon deze lading niet meer als groene lijst-stof worden overgebracht op grond van de informatieprocedure, maar kon deze alleen worden overgebracht op grond van de kennisgevingsprocedure onder een zogenoemde EVOA-beschikking, dan wel had de lading moeten worden gesorteerd in aparte deelstromen. Die sortering heeft niet plaatsgevonden. Nu de vereiste beschikking niet is aangetroffen en ook niet is aangevraagd is de overbrenging van deze containers in strijd met artikel 2, aanhef en onder 35, lid a en/of b van de EVOA geschied. Over de representativiteit van het onderzoek merkt de rechtbank nog het volgende op. De EVOA sluit iedere mate van verontreiniging anders dan met inherente afvalstoffen uit en staat alleen toe dat de mengsels genoemd in Bijlage IIIA middels de informatieprocedure worden overgebracht. Dit betekent dat met het constateren van enige verontreiniging met meer dan enkele inherente afvalstoffen in één enkele baal, de container met de lading waar die baal deel vanuit maakt, dient te worden overgebracht op grond van de kennisgevingsprocedure. De rechtbank stelt vast dat de geconstateerde verontreiniging in de uiteindelijk tien onderzochte balen aanzienlijk meer was dan verontreiniging met louter inherente afvalstoffen. Daarbij wordt gewezen op vastgestelde verontreinigingen van onder meer 51,89 %, veroorzaakt door folie en kraftzakken. De rechtbank kwam tot de conclusie dat de verdachte, als feitelijke leidinggevende en professional op het gebied van de handel in oud papier strafbaar was vanwege de illegale overbrengingen. Van verdachte had mogen worden verwacht dat hij alles in het werk zou stellen om de illegale overbrengingen te voorkomen; hij wist immers van de verboden handelwijze van deze vennootschappen waaraan hij feitelijk leiding gaf. Verdachte heeft met zijn handelen de integriteit van het controlesysteem van de EVOA geschonden en de bij de milieuvoorschriften betrokken belangen van bescherming van het milieu ondermijnd. Het handelen van verdachte werkt bovendien concurrentievervalsend ten opzichte van ondernemers die zich wel aan de voorschriften houden.
Retourprogramma lege tonercartridges per post – ABRvS, 28 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3276.
PostNL voorziet in een systeem waarmee lege tonercartridges, met gebruikmaking van door de producent bij nieuwe tonercartridges meegeleverde retouretiketten, vanuit het buitenland naar Nederland worden vervoerd. Het geschil heeft betrekking op de vraag, of zich bij de overbrengingen van pakketten met lege tonercartridges vanuit het buitenland naar Nederland de EVOA wordt overtreden.
Indien een individuele gebruiker derhalve een lege tonercartridge ter post aanbiedt voor overbrenging naar het buitenland, moet deze als opdrachtgever van de overbrenging als bedoeld in artikel 18, lid 1, aanhef en onder a, van de EVOA worden aangemerkt. Indien de lege tonercartridge of lege tonercartridges in het pakket minder dan 20 kg wegen, valt de overbrenging van dat pakket, gelet op artikel 3, lid 2, aanhef en onder a, van de EVOA, niet onder de algemene informatieverplichtingen als bedoeld in artikel 18. Dat de overbrenging van elk van deze pakketten plaatsvindt door bulkvervoer door buitenlandse postbedrijven, waarbij het geheel aan lege tonercartridges de grens van 20 kg overschrijdt, brengt daarin geen verandering. Dat individueel verzonden pakketten meer dan 20 kg aan lege tonercartridges bevatten, is niet aannemelijk gemaakt. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het in deze gevallen ontbreken van de bedoelde informatie niet leidt tot overtreding van artikel 10.60, lid 5, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, in samenhang gelezen met artikel 18, lid 1, aanhef en onder a, van de EVOA. Reeds hierom heeft de staatssecretaris het verzoek van Cycleon om handhavend op te treden tegen het met het IBRS-systeem aanbieden van een dienst die deze wijze van overbrengingen faciliteert, terecht afgewezen.
Regime niet OESO-land – Hoge Raad, 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:95.
In het najaar van 2008 wordt ongesorteerd metaalafval in containers aangetroffen die bestemd zijn voor de export naar China. Volgens de Officier van Justitie gaat het om een illegale overbrenging, omdat een kennisgeving op grond van de EVOA ontbreekt. Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat er in strijd is gehandeld met de artikelen 36 en 37 van de EVOA. Volgens de Officier van Justitie hebben de Chinese autoriteiten aangegeven dat er controleprocedures volgens de eigen nationale wetgeving worden gevolgd en betekent dit dat de containerlading vergezeld moet zijn van het CCIC-certificaat (Certificate for Pre-shipment Inspection of Recycling Scraps to China issued bij CCIC). China is een niet OESO-land en heeft dit aangegeven in het kader van de zogenaamde "derde-landenregeling" (EG-verordening 1418/2007). De kwestie heeft geleid tot een vonnis van de economische kamer van de Rechtbank Rotterdam van 12 mei 2011, maar dit vonnis is op 13 september 2013 door het Gerechtshof Den Haag vernietigd (ECLI:NL:GHDHA:2013:3816). De Officier van Justitie gaat in cassatie. De Hoge Raad is in navolging van het Gerechtshof Den Haag van mening dat de overbrenging niet in strijd is met de EVOA. De reden hiervoor is dat China uitdrukkelijk niet voor een verbod heeft gekozen maar een eigen controleregime hanteert. Het CCIC-certificaat is gekoppeld aan de door China gemaakte keuze voor de controle in het land van bestemming naar nationaal recht. Het ontbreken van dit certificaat bij het vertrek betekent niet een illegale overbrenging als bedoeld in de EVOA. Het oordeel van het gerechtshof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Halogeenhoudende olie – ABRvS, 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4474.
Appellante produceert in hoofdzaak harsen uit aardoliedestillaten. Bij die productie komen fracties met brandbare stoffen vrij die worden aangeduid als Solvenol. De soort Solvenol 3H heeft een gehalte aan organische halogeenverbindingen van meer dan 50 mg/kg en kan technisch gezien als brandstof worden gebruikt. Op grond van het Besluit organisch halogeengehalte brandstoffen (Bohb) mag deze stof niet in Nederland worden gebruikt als brandstof. Echter, in het buitenland gelden andere (minder strenge) eisen met betrekking tot het halogeengehalte. Appellante verhandelt Solvenol 3H naar een bedrijf in het Verenigd Koninklijk. De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft een last onder dwangsom opgelegd, omdat Solvenol 3H naar zijn oordeel in strijd met artikel 2, lid 4, van het Bohb wordt bewaard, voorhanden wordt gehouden, ten verkoop in voorraad wordt gehouden en verkocht wordt ten behoeve van de vervaardiging van brandstoffen. Omdat appellante Solvenol 3H als product en niet als afvalstof grensoverschrijdend heeft overgebracht, is de in artikel 3, lid 2, aanhef en onder c, van het Bohb vermelde uitzondering op het verbod van artikel 2, lid 4, van het Bohb volgens de staatssecretaris niet van toepassing. De stof Solvenol 3H is volgens de staatssecretaris een afvalstof, omdat de stof niet voldoet aan de producteisen van het Bohb en er geen kennisgeving is gedaan en dus geen toestemming is verkregen om de stof over te brengen. De Afdeling overweegt dat niet in geschil is dat Solvenol 3H uitsluitend als brandstof of voor de vervaardiging van brandstof kan worden ingezet. Nu dit gebruik en de verkoop ten behoeve van dit gebruik ingevolge artikel 2, lid 4, van het Bohb verboden is, omdat de Solvenol 3H niet voldoet aan de productnormen van het Bohb, moet, gelet op de beschikking van het Hof van Justitie van 15 januari 2004 (Saetti en Frediani), worden geoordeeld dat appellante zich van deze stof ontdoet dan wel verplicht is zich ervan te ontdoen. De staatssecretaris heeft Solvenol 3H derhalve terecht als afvalstof aangemerkt. Op grond van de EVOA is er terecht een last onder dwangsom opgelegd. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover de last betrekking heeft op een overtreding van artikel 2, lid 4, van het Bohb. Voor het overige treedt de uitspraak in de plaats van het dwangsombesluit voor zover dat is vernietigd.
Asbesthoudende treinstellen – ABRvS, 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2305.
Bij besluit van 15 januari 2013 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan een staalschrootbedrijf twee lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10.60, lid 2, van de Wet milieubeheer, gelezen in verbinding met artikel 2, onder 35, aanhef en onder a en/of b en e, van de EVOA en met artikel 23 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Het staalschrootbedrijf wordt beschuldigd van de illegale export van asbesthoudende treinstellen naar Duitsland en tekent beroep aan bij de Afdeling bestuursrechtspraak. De staatssecretaris meent dat er niet alleen sprake is van metaalschroot, maar ook van asbestcoatings en hierdoor is de verkeerde EVOA-procedure gevolgd. Het bedrijf waar de treinstellen worden ontvangen beschikt volgens de staatssecretaris ook niet over een vergunning om de asbesthoudende afvalstoffen te accepteren. Het staalschrootbedrijf stelt dat de asbesthoudende coatings voldoende zijn verwijderd en dat de door de Duitse autoriteit gehanteerde norm van maximaal 0,1% niet wordt overschreden. De Afdeling stelt vast dat uit het controleverslag en het fotomateriaal blijkt dat er asbesthoudende coatings in de treinstellen zijn achtergebleven. Volgens de Afdeling is er in strijd met de EVOA gehandeld en was de staatssecretaris bevoegd om handhavend op te treden. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Stickerfolie – ABRvS, 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2212.
De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft aan appellante een last onder dwangsom opgelegd omdat zij rollen met stickerfolie wilde overbrengen van Nederland naar India zonder dat daarvoor een kennisgeving op grond van de EVOA was gedaan en zonder dat de vereiste schriftelijke toestemming was verkregen. Het betreffen voor de productie van stickers onbruikbaar geworden folierollen die zijn ontstaan bij het opstarten van het productieproces in de foliefabriek. Appellante betoogt ten eerste dat deze folierollen geen afvalstoffen zijn maar bijproducten. De Afdeling toetst aan de criteria uit artikel 5 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen en stelt vast dat het niet zeker is dat de folie als grondstof in een ander productieproces kan worden ingezet. Tevens is niet aannemelijk dat de folie onmiddellijk en zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is kan worden gebruikt. Om die reden heeft de staatssecretaris terecht geconcludeerd dat de rollen stickerfolie geen bijproducten in de zin van de Kaderrichtlijn zijn, maar afvalstoffen. Appellante betoogt ten tweede dat de rollen stickerfolie hun afvalstoffenkarakter hebben verloren vanwege toepassing van de einde-afvalfase regeling van artikel 6 van de Kaderrichtlijn (End of Waste). Ook dit betoog faalt, de rollen stickerfolie hebben hun afvalstoffenkarakter nog niet verloren, omdat het proces van nuttige toepassing nog niet is voltooid. De staatssecretaris kan bij de beslissing of er sprake is van "End of Waste" volstaan met de maatstaven die in de rechtspraak zijn ontwikkeld en hoeft hierbij niet de voorwaarden uit artikel 6, lid 1, van de Kaderrichtlijn te betrekken. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Oud papier – Hoge Raad, 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1571.
De verdachte wordt overbrenging van afvalstoffen zonder kennisgeving op grond van de EVOA ten laste gelegd. Het gaat om vijf containers waarvan de inhoud bestond uit balen samengeperst oud papier en karton. De containers werden overgebracht naar Guatamala en de inhoud zou daar na bewerking worden hergebruikt als tissuepapier. Oud papier wordt volgens bijlage III van de EVOA gezien als een “Groene lijst stof” waarvoor ten behoeve van de overbrenging kennisgeving benodigd is. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft in het arrest van 9 maart 2012 uitgesproken dat er geen sprake is van afvalstoffen en heeft verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Door de advocaat-generaal wordt beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad stelt vast dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de houder van wie de verdachte de ten laste gelegde stoffen heeft betrokken zich daarvan heeft ontdaan, voornemens was zich te ontdoen of zich moest ontdoen, ofwel dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel zijn oordeel niet begrijpelijk heeft gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof.
Doorvoer metaalschroot – Hoge Raad, 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:674.
In maart 2006 zijn bij een handhavingsactie in de Rotterdamse haven op een motorschip containers met metaalschroot aangetroffen. Het schip met containers is afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk en zal de containers naar Vietnam brengen. Omdat er geen melding was gedaan voor de overbrenging van deze afvalstoffen via Nederland ("doorvoer" als bedoeld in de EVOA) is verdachte een opzettelijke overtreding van artikel 10.60, lid 1, van de Wet milieubeheer ten laste gelegd en zijn er geldboetes opgelegd van 15.000 euro. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft op 5 januari 2011 een uitspraak gedaan (ECLI:NL:GHSGR:2011:15, niet gepubliceerd) en het Hof heeft overwogen dat doorvoer niet aan de orde was maar wel van overbrengen uit de Gemeenschap waardoor verdachte nog steeds verplicht was tot kennisgeving van deze transporten aan de bevoegde autoriteit in Nederland. Het Hof heeft volgens de Hoge Raad het bewezenverklaarde terecht gekwalificeerd als "opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid, Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en dit aangemerkt als meerdaadse samenloop". Het Hof had echter voor deze feiten één straf moeten opleggen in plaats van twee. De Hoge Raad heeft de uitspraak verbeterd in die zin dat het Hof verdachte heeft veroordeeld tot de betaling van één geldboete van 15.000 euro. De Hoge Raad is van oordeel dat er sprake is van doorvoer in de zin van de EVOA.
Anodeslib – Hoge Raad, 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3988.
Verdachte heeft anodeslib overgebracht van Oostenrijk naar Nederland zonder kennisgeving op grond van de EVOA. De verdachte was van mening dat de EVOA niet van toepassing is omdat in rubriek A1120 van het verdrag van Bazel (waarnaar in de EVOA wordt verwezen) een specifieke uitzondering wordt gemaakt voor anodeslib afkomstig van de elektrolytische winning en zuivering van koper. De Hoge Raad vindt dat het gerechtshof zich terecht op het standpunt kon stellen dat de omstandigheid dat anodeslib is uitgezonderd, niet zonder meer met zich meebrengt dat anodeslib ook niet als afvalstof kan worden aangemerkt. Hierbij is het een belangrijk aspect dat er zich nog gevaarlijke afvalstoffen in het slib bevinden. Er is sprake van een nog niet voltooid bewerkingsproces. Om die reden kan hier niet gesproken worden van grondstoffen maar wel van afvalstoffen waarop de EVOA van toepassing is
Chloorhoudende afvalstof – ABRvS, 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8269.
De minister maakt bezwaar tegen de overbrenging van chloorhoudende afvalstof (dichloorpropaan) van Duitsland naar Nederland, waar het door AkzoNobel wordt ingezet in een installatie die specifiek is gebouwd voor de verwerking van chloorhoudende afvalstoffen die vrijkomen bij de afnemers van AkzoNobel. Omdat verwijdering het hoofddoel van de installatie is, gaat het hier om verwijdering van afvalstoffen. Het feit dat een chloorcomponent wordt teruggewonnen dat wordt hergebruikt, maakt dat niet anders. Het betreft een nuttig neveneffect. De minister heeft dan ook terecht bezwaar gemaakt.
Combinatie van Groene lijst afvalstoffen – Hof van Justitie EG, 21 juni 2007, ECLI:EU:C:2007:363
Het soepeler stelsel dat van toepassing is op Groene lijst afvalstoffen kan in beginsel niet worden uitgebreid met afvalstoffen die niet op deze lijst voorkomen.
De omstandigheid dat een afvalstof is samengesteld uit twee bestanddelen die afzonderlijk genomen afvalstoffen van de Groene lijst kunnen vormen (kabels bestaande uit koper en uit PVC), kan niet automatisch tot gevolg hebben dat een dergelijke samengestelde afvalstof ook tot deze lijst behoort.
Sloopschip Otapan – ABRvS, 21 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9048.
Deze kwestie is reeds in de inleiding benoemd. De staatssecretaris van het toenmalige VROM had de voorgenomen overbrenging van het sloopschip “Otapan” naar Turkije niet mogen toestaan. De eerste handeling is het verwijderen van asbest. Daarna wordt het schip gesloopt. Het betreft geen nuttige toepassing van afvalstoffen. Dat na sloop van het schip materialen voor hergebruik naar de metaalindustrie worden overgebracht, maakt dat niet anders. Verweerder heeft ten onrechte ingestemd met de overbrenging van het schip.
.