Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Afvalstoffen kunnen belastend zijn voor het milieu en de volksgezondheid. Om de kosten voor het recyclen of verwijderen van afvalstoffen zo laag mogelijk te houden, wordt vaak de goedkoopste methode van verwijdering toegepast. Bij een ongecontroleerde handel en overbrenging zal het kunnen leiden tot een ongewenste stroom van te verwijderen afvalstoffen naar die landen waar men de afvalstoffen het goedkoopst kwijt kan.

Aan de Europese en nationale regelgeving op het gebied van afvalstoffentransport liggen twee belangrijke internationale verdragen ten grondslag. Dit zijn het Verdrag van Bazel uit 1982 en het OESO-besluit uit 1992. In de EVOA wordt verwezen naar de indeling in afvalstoffen die in het Verdrag van Bazel is gemaakt. Verder maakt de EVOA een onderscheid tussen landen die zijn aangesloten bij de OESO en landen die dat niet zijn.

Het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering is op 22 maart 1989 op een conventie in het Zwitserse Bazel ondertekend door een groot aantal landen. Het Verdrag trad in werking op 5 mei 1992 en is door 163 partijen ondertekend (waaronder de Europese Gemeenschap en lidstaat Nederland). Dit internationale verdrag kwam tot stand om het groeiende verkeer van giftig of gevaarlijk afval vanuit geïndustrialiseerde landen naar ontwikkelingslanden beter te beheersen. Aanleiding daarvoor was dat in geïndustrialiseerde landen het steeds moeilijker en duurder werd om gevaarlijk afval in eigen land te laten verwerken. Een makkelijke manier was om het afval te verschepen naar landen met minder strenge milieuregelgeving en goedkope oplossingen.

In het Verdrag van Bazel zijn de eerste afspraken gemaakt over internationale afvaltransporten. Deze afspraken houden onder meer het volgende in:

  • Gevaarlijk afval mag alleen worden uitgevoerd als het land van bestemming toestemming geeft voor de invoer. De uitvoer naar landen die dit verdrag niet hebben ondertekend, is niet toegestaan.
  • Als een overbrenging heeft plaatsgevonden en later blijkt dat het afval in het land van bestemming niet milieuverantwoord kan worden verwerkt, moet het land van verzending het afval terugnemen.

Het verdrag roept op tot internationale samenwerking op het gebied van afvalverwijdering en afvalverwerking en tot het zo min mogelijk produceren van gevaarlijk afval. Uitgangspunt is dat afval zo dicht mogelijk bij de ontstaansbron wordt verwerkt (nabijheidsbeginsel).

De lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij een markteconomie hebben met een hoge graad van industrialisatie en eenzelfde soort afvalproblematiek. De Europese Gemeenschap heeft in 2002 haar goedkeuring gegeven aan het Besluit C(2001)107 betreffende het toezicht op grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen (OESO-besluit). Het OESO-besluit maakt onderscheid in verschillende lijsten met afvalstoffen. Relevant voor de EVOA is of een land is aangesloten bij de OESO of niet. Voor zogenoemde niet OESO-landen zijn specifieke bepalingen of exportverboden opgenomen.

De 38 OESO-landen zijn: Australië, België, Canada, Chili, Colombia, Curaçao, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Israël, Italië, Japan, Letland, Litouwen, Luxemburg, Mexico, Nederland, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Turkije, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten, IJsland, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland. Partnerlanden zijn: Brazilië, China India, Indonesië en Zuid-Afrika.

Daarnaast wordt nog een onderscheid gemaakt naar landen die zijn aangesloten bij de Europese Vrijhandelsassociatie, zogenoemde EVA-landen: Liechtenstein, Noorwegen, IJsland en Zwitserland, (zie verder paragraaf 13.10). De EVA-landen zijn beter bekend onder de Engelstalige afkorting EFTA (European Free Trade Association).

Met de EVOA wordt uitvoering gegeven aan het Verdrag van Bazel en het OESO-besluit en bevat dus ook bepalingen voor de export van afvalstoffen buiten de Europese Unie. De EVOA is in 1994 in werking getreden (259/93/EG) en ingrijpend herzien in 2006 (Verordening (EG) nr. 1013/2006) en 2013 (Verordening (EU) nr. 1257/2013). De meest recente wijziging van de EVOA was in 2024 (Verordening (EU) nr. 2024/1157). Uit de overwegingen blijkt dat de hoofdoelen van de wijziging, gelet op de ambities uit de Europese Green Deal, zijn het makkelijker maken van de overbrenging van afvalstoffen voor hergebruik en recycling binnen de EU, het aanpakken van export van de afvalproblemen naar derde landen en het verbeteren van de handhaving van illegale overbrengingen. Ingezet wordt onder meer op digitale monitoring. Tegelijkertijd kunnen hiermee ook strategische afhankelijkheden van grondstoffen worden gereduceerd. Om meer van de geproduceerde afvalstoffen in de EU te houden, zal de capaciteit voor recycling en afvalbeheer wel moeten worden verbeterd.

De herziene EVOA is op 30 april 2024 gepubliceerd en op 20 mei 2024 in werking getreden. De bepalingen zijn niet allemaal direct van toepassing. Op basis van het overgangsrecht treden delen pas op 21 mei 2026 of 21 mei 2027 in werking (zie artikel 86, lid 3, van de Verordening).

In de hierna te bespreken EVOA wordt ook verwezen naar het OESO-besluit en het Verdrag van Bazel voor wat betreft transporten buiten de Europese Unie.