De Verordening betreffende de Overbrenging van Afvalstoffen (EVOA) regelt het toezicht en de controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en buiten de Europese Unie. Eén van de aanleidingen voor deze verordening is de nasleep van de ramp in 1976 met een chemisch bedrijf in de Italiaanse plaats Seveso. Bij deze ramp kwam dioxine vrij en de met dioxine verontreinigde grond werd naar diverse landen buiten Italië geëxporteerd zonder dat er zicht was op waar de afvalstoffen naar toe gingen. Daarnaast streefde Europa naar geharmoniseerde regelgeving, met het oog op de interne markt en vanwege milieuhygiënische redenen.
Met de EVOA wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan een harmonisatie op het gebied van de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen. De Verordening bevat regels voor iedere ondernemer ten aanzien van het grensoverschrijdend transport van in principe alle afvalstoffen.
De EVOA heeft als voornaamste uitgangspunten:
De EVOA heeft rechtstreekse werking en hoeft dus niet te worden omgezet in nationale regelgeving. Om een juiste uitvoering ervan binnen Nederland mogelijk te maken is er aanvullende regelgeving. Deze aanvullende regelgeving en bijbehorend beleid is terug te vinden in de Wet milieubeheer, de Wet op de economische delicten en het Landelijk afvalbeheerplan (hoofdstuk B.13 van LAP3).
De directe werking van de EVOA is verankerd in titel 10.7 van de Wet milieubeheer (art. 10.56-10.60). Zo hebben de artikelen 10.56 tot en met 10.60 van de Wet milieubeheer betrekking op de uitvoering van de EVOA en is volgens artikel 10.58 de minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen als bevoegde autoriteit. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft als taak toezicht te houden op de overbrenging van de afvalstoffen. In artikel 10.60 van de Wet milieubeheer is bepaald dat het verboden is om afvalstoffen waarop de EVOA van toepassing is, binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen, indien de voorgenomen overbrenging, nuttige toepassing of verwijdering, naar het oordeel van de minister in strijd zou zijn met het belang van de bescherming van het milieu. Het artikel 10.60 vormt de basis voor de bestuurlijke handhaving bij overtreding van de EVOA. In de overige verbodsbepalingen van dit artikel wordt verwezen naar de artikelen uit de EVOA. Het handelen in strijd met de EVOA is eveneens strafbaar op grond van de Wet op de economische delicten (art. 1a, onder 1°, van de WED).
De EVOA kent de volgende basisbeginselen die uiteindelijk bij elke overbrenging in meer of mindere mate een rol spelen.
Om te zorgen voor een echte overgang naar een circulaire economie voor de overbrenging van afvalstoffen van de plaats van oorsprong naar de beste plaats van verwerking, moet rekening worden gehouden met het beginsel van nabijheid, met materiaalefficiëntie en met de noodzaak om de ecologische voetafdruk van afvalstoffen te verkleinen.