Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Titel 10.1 bevat een tweetal rechtstreeks werkende bepalingen: een zorgplichtbepaling en het verbod om afvalstoffen buiten een inrichting te storten of te verbranden.

Artikel 10.1 bevat een algemene zorgplichtbepaling:

  • Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
  • Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.
  • Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.
  • Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.
  • De verboden, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden niet voor zover deze handelingen betreffen, die degene die deze verricht, uitdrukkelijk zijn toegestaan bij of krachtens deze wet, een in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wet, de Omgevingswet of de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen

Iedereen die bedrijfsmatig handelingen met afvalstoffen verricht, maar ook de particuliere huishoudens, zijn verplicht om op een zorgvuldige wijze om te gaan met afvalstoffen. Op basis van dit artikel kan worden opgetreden bij het onzorgvuldig omgaan met afvalstoffen, voor zover niet op basis van een specifieke bepaling kan worden opgetreden. Op basis van dit artikel kunnen overtredingen als het onbeheerd achterlaten van afvalstoffen of het storten of verbranden mogelijk worden aangepakt. Naarmate iemand meer deskundigheid op het terrein van de betreffende afvalstoffen wordt geacht te hebben, wordt een grotere zorgvuldigheid geëist. De behoefte om op dit artikel te handhaven zal zich voordoen wanneer voor die handeling geen specifieke regels zijn gesteld. Handhaving op basis van dit artikel vindt veelal plaats in combinatie met andere bepalingen (bijvoorbeeld in combinatie met het hierna te bespreken stortverbod uit artikel 10.2 van de Wet milieubeheer of een bepaling uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) betreffende het aanbieden van afvalstoffen). Artikel 10.1 wordt ook wel een “kapstokartikel” genoemd. Een kapstokartikel is een bepaling in de wet waarmee onwenselijke gedragingen, die niet in een ander artikel expliciet strafbaar zijn gesteld, alsnog strafbaar worden.

Artikel 10.2 bevat een verbod om afvalstoffen te storten of te verbranden (stortverbod en verbrandverbod):

  • “Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.
  • Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
  • Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot handelingen als bedoeld in het eerste lid.
  • Dit artikel is niet van toepassing op afgegeven of ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen.

Aan het storten van afvalstoffen zijn zware eisen gesteld. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet was dit geregeld in de artikelen 8.47-8.5, 15.42-15.49 Wet milieubeheer (nazorg) en in het voormalige Stortbesluit bodembescherming, dat een besluit was op basis van de voormalige Wet bodembescherming . Thans zijn deze eisen nog opgenomen in de Wet milieubeheer en deels verwerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving (paragraaf 3.3.12) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 8.5.2.4). Op grond van artikel 10.63, lid 3, kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing van het stortverbod verlenen. Bij AMvB kunnen vrijstellingen worden geregeld (art. 10.2, lid 2). Dit laatste was gedaan in het voormalige Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen (Bvsbi) voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Met de inwerkingtreding is dit besluit ingetrokken.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zag het stortverbod in artikel 10.2 van de Wet milieubeheer op het storten van alle afvalstromen buiten inrichtingen. Nu geldt het verbod alleen voor huishoudelijke afvalstoffen vóór inzameling of afgifte, het afval dat bij huishoudens ontstaat. Voor het verbranden (art. 3.88 Bal) en op of in de bodem brengen (art. 3.40c, 3.40e en 3.84 Bal) van alle overige afvalstoffen geldt een vergunningplicht (met een aantal uitzonderingen).

Hieronder volgen enkele voorbeelden uit de jurisprudentie om het toepassingsbereik van de artikelen 10.1 en 10.2 Wet milieubeheer toe te lichten.

Afvaldump boerenprotest – Rechtbank Noord-Nederland, 7 mei 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1726.

Verdachte is in de nacht van 28 juli 2022 bij de afrit Frieschepalen van de rijksweg A7 betrokken geweest bij een boerenprotest. Verdachte en zijn medeverdachten hebben de rijksweg versperd door daarop grote hoeveelheden afval, waaronder asbest, te dumpen en in de brand te steken. Als gevolg daarvan was er gevaar voor goederen en gevaar voor de verkeersveiligheid te duchten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten en veroordeelt verdachte in het kader van de boerenprotesten wegens het medeplegen van het versperren van de Rijksweg A7, het dumpen en verbranden van afval op grond van artikel 10.2, lid 1 van de Wm en het stichten van brand tot een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf van 120 dagen en een taakstraf van 140 uren.

Mest vermengd met drugs ABRvS, 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1481.

Mest kan een afvalstof zijn. De vraag in welke gevallen een meststof als een afvalstof moet worden bestempeld (en in welke situaties niet) is in de jurisprudentie onder meer aan de orde gekomen bij het arrest van het Europese Hof in de zaak Brady van 3 oktober 2013 (ECLI:EU:C:2013:627), de Afdelingsuitspraak van 16 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3057) en de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 13 februari 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:667). Als bij of krachtens de Meststoffenwet voorschriften zijn gesteld, dan is op grond van artikel 22.1, lid 8, hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer niet van toepassing. Is de mest geen mest als bedoeld in de Meststoffenwet dan is hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer weer wel van toepassing. Nu de mest is vermengd met drugs is geen sprake meer van een meststof in de zin van de Meststoffenwet en is sprake van een afvalstof.

Ook het onder bepaalde omstandigheden niets doen is op grond van sommige wettelijke bepalingen verboden. De manege wist dat de huurder het perceel niet zou gebruiken voor agrarische activiteiten, maar heeft niet gecontroleerd, of laten controleren, waarvoor het perceel dan wel werd gebruikt. Dit terwijl algemeen bekend is dat relatief geïsoleerd gelegen boerderijen, zoals die op het perceel, met regelmaat worden gebruikt voor de productie van drugs. De manege had dus redelijkerwijs kunnen weten dat nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan en had daarom niet mogen nalaten om maatregelen te treffen om daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te voorkomen of beperken. Omdat zij dat wel heeft nagelaten, is zij overtreder van artikel 10.1, lid 1 en lid 2 van de Wet milieubeheer.

Brandhout kampvuur scouting - Rechtbank Den Haag, 17 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2243.

Omwonenden van een terrein waarop scoutingverenigingen gevestigd zijn, ondervinden overlast van kampvuren die er worden ontstoken. De omwonenden vragen het college om maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit. Het college weigert dat omdat het verbod van artikel 2.14a van het Activiteitenbesluit volgens het college niet van toepassing is aangezien in dit geval geen sprake is van het verbranden van afvalstoffen. Volgens het college kopen de scoutingvereniging het hout bij de bouwmarkt. De rechtbank vindt dat deze stelling berust op onvoldoende onderzoek en een gebrekkige motivering. Het beroep is gegrond en het besluit wordt vernietigd.

Zeer spoedeisende bestuursdwang – ABRvS, 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1159.

Een bedrijfspand is verwoest door een brand. Asbest is vrijgekomen dat verspreid is in de omgeving. Omdat het vrijgekomen asbest een gevaar oplevert voor de volksgezondheid en het milieu, heeft het college opdracht gegeven te starten met het verwijderen van het asbest. Het college heeft de eigenaar van het pand aangemerkt als overtreder van de artikelen 1.1a en 10.1, lid 2 van de Wet milieubeheer en artikel 1a, lid 1, van de Woningwet en de kosten van de spoedeisende bestuursdwang op hem verhaald.

Het blijkt dat de eigenaar heeft laten weten bereid en in staat te zijn om de asbestsanering op zich te nemen. Het in twijfel trekken van die verklaringen is onvoldoende om de sanering niet aan hem te kunnen overlaten. Het college had voorwaarden kunnen verbinden aan de sanering en daarop toezicht kunnen houden. Het college heeft nu echter de mogelijkheid ontnomen om de sanering op zich te nemen. Daarom is geen sprake van het nalaten om maatregelen te treffen die redelijkerwijs van appellant konden worden gevergd, zoals bedoeld in de artikelen 1.1a, tweede lid, en 10.1, lid 2 van de Wet milieubeheer. Om diezelfde reden is ook geen sprake van een laten voortduren van het gevaar voor de volksgezondheid zoals bedoeld in artikel 1a, lid 1, van de Woningwet. Het college heeft de eigenaar daarom ten onrechte als overtreder van deze artikelen aangemerkt.

Vervoeren en storten drugsafval – Rechtbank Oost-Brabant, 20 mei 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:2860.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het opzettelijk amfetamineafval vervoeren in een bestelbus en het opslaan en/of bewaren daarvan in een loods. Daarnaast heeft hij vijftien waterstofgasflessen met daarin restanten waterstof en vijf vaten van elk 220 kg met restanten van amfetamineafval gedumpt. De rechtbank verklaart de opzettelijke overtredingen van artikel 10.1, lid 1 en 2, en artikel 10.2, lid 1, van de Wet milieubeheer bewezen en verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Storten van drugsafval buiten een inrichting – Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 februari 2018, ECLI:NL:RBOVE:2016:4704.

Aan verdachte wordt een overtreding van artikelen 10.1, lid 1, en 10.2, lid 1, ten laste gelegd. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.

Opruimen drugsafval – ABRvS, 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2978.

Het college van burgemeester en wethouders constateerde dat op een perceel vaten, vermoedelijk gevuld met drugsafval, in de bodem aanwezig waren, waardoor een acuut gevaar voor het milieu en de volksgezondheid bestond. Het college heeft toen in totaal 44 vaten met drugsafval afgevoerd en bodemonderzoek uitgevoerd. Volgens het college zijn artikel 10.2, lid 1, van de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet bodembescherming overtreden en kan appellante, als eigenaar van het perceel, worden aangemerkt als overtreder, op wie de kosten van de toepassing van bestuursdwang kunnen worden verhaald.

"Niet in geschil is dat [appellante] geen handelingen, dus ook geen handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11, op het perceel heeft verricht of laten verrichten en dat zij ook anderszins geen betrokkenheid had bij de aangetroffen vaten met drugsafval waardoor de daarmee verrichte handelingen aan haar zouden moeten worden toegerekend. Reeds daarom is de in artikel 13 vervatte zorgplicht niet tot haar gericht en kan zij niet als overtreder van dat artikel worden aangemerkt. Het college heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellante] artikel 13 van de Wet bodembescherming heeft overtreden.

In het besluit van 18 juni 2013 noch in het bestreden besluit heeft het college duidelijk gemaakt waarom [appellante] kan worden aangemerkt als overtreder van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Aangezien [appellante] niet degene is geweest die de afvalstoffen in strijd met dat artikel op of in de bodem heeft gebracht, heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft overtreden.

Gelet op de voorgaande overwegingen heeft het college [appellante] ten onrechte aangemerkt als overtreder op wie de kosten van de toepassing van bestuursdwang kunnen worden verhaald."

Asbestplaten – ABRvS, 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3142.

Het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk heeft spoedeisende bestuursdwang toegepast in verband met de aanwezigheid van golfplaten op een inrit van een woning te Bergeijk. Tijdens een controle is vastgesteld dat het gaat om asbesthoudende golfplaten die in de omgeving terecht waren gekomen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante in strijd heeft gehandeld met de artikelen 1.1a, lid 1 en 2, 10.1 en 10.2 van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 4 van het Productenbesluit asbest (hierna: het Productenbesluit). De Afdeling oordeelt dat vaststaat dat appellante de golfplaten op de website Marktplaats heeft gekocht of gekregen om deze te gaan hergebruiken, en voorhanden had als bedoeld in het Productenbesluit asbest. Het is van algemene bekendheid dat asbest een gevaarlijke stof is en dat de verspreiding van asbestdeeltjes nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van spoedeisende bestuursdwang beperkt hadden kunnen worden door de golfplaten ergens anders op te slaan, nog daargelaten of dit was toegestaan. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Kampvuur met ontheffing verbrandverbod- Rechtbank Arnhem, 30 oktober 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BY3980.

Het college van burgemeester en wethouders van Heumen heeft aan een recreatieve verblijfsgelegenheid een ontheffing verleend van het wettelijke verbrandverbod van afvalstoffen. Het bedrijf organiseert kampvuren voor scholen en andere doelgroepen. Het gemeentebestuur verbindt aan de ontheffing de voorwaarde dat de kampvuren uitsluitend mogen plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang. Het bedrijf kan zich niet verenigen met die voorwaarde, want het wil ook vuren ontsteken na zonsondergang. De rechtbank vernietigt het besluit om twee redenen. Het college heeft niet duidelijk gemaakt wat de wettelijke grondslag is van de ontheffing (art. 10.63, lid 2 van de Wet milieubeheer in relatie met de APV dan wel artikel 2.1, lid 3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer). Inhoudelijk schiet het besluit tekort omdat de voorwaarde met het tijdstip onvoldoende is onderbouwd en het onvoldoende is om te verwijzen naar de tijdstippen bij een andere niet vergelijkbare gelegenheid.

Op grond van artikel 10.54 van de Wet milieubeheer geldt voor gevaarlijke afvalstoffen ook het verbod om deze niet buiten een inrichting nuttig toe te passen of te verwijderen.

Boomstobben – Gerechtshof Arnhem, 28 februari 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV7652.

Verdachte heeft zonder vergunning krachtens de Boswet bomen op een bosperceel gerooid, een ontgronding uitgevoerd en boomstobben in en op de bodem gestort. Het hof is van mening dat de boomstobben zijn aan te merken als een niet beoogd productresidu. Derhalve kan gesproken worden van het storten van afvalstoffen.

Uienperswater- Rechtbank Middelburg, 18 november 2011, ECLI:NL:RBMID:2011:BV1266.

De Officier van Justitie is opgetreden tegen het uitrijden van uienperswater dat bij de productie van uienproducten is ontstaan. De Officier meent dat er sprake is van afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer en dat het stortverbod voor afvalstoffen buiten inrichtingen is overtreden. De rechter heeft echter geoordeeld dat het uienperswater dat gestort is op de bodem, beschouwd dient te worden als “bijproduct” en derhalve niet als afvalstof is aan te merken. De rechter meent dat het voldoet aan de criteria die de Kaderrichtlijn afvalstoffen 2008/98 aan bijproducten stelt. De verdachte wordt vrijgesproken.

Aanbrengen van een fundering – ABRvS, 19 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY4265.

Bij besluit is een last onder dwangsom ten grondslag gelegd omdat een vaste plantenkwekerij in strijd met het bestemmingsplan en de Woningwet, voor de aanleg van een zogeheten containerveld ten behoeve van de plantenteelt een groot deel van het perceel tot circa 1 m heeft afgegraven en opgevuld met een laag asfaltgranulaat met een gemiddelde dikte van circa 60 tot 70 cm, waarop een laag puin- of menggranulaat met een dikte van circa 15 cm is aangebracht, dat weer is voorzien van een laagje gesloten asfalt van circa 5 cm. Volgens de gemeente is er sprake van een overtreding van artikel 10.1 en artikel 10.2 van de Wet milieubeheer. Appellante betoogt dat deze artikelen niet worden overtreden. Zij voert daartoe aan dat het gebruikte asfalt-, puin- en menggranulaat een functionele fundering vormt voor het containerveld. Het gebruik van deze materialen is volgens haar een normaal gebruik als bouwstof. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in een geval als dit voor de fundering had kunnen worden volstaan met een laag asfalt-, puin- en menggranulaat met een dikte van ongeveer 15 cm. Vanwege de overdimensionering van de fundering is volgens verweerder het aanbrengen van asfaltgranulaat in strijd met de artikelen 10.1, lid 1, en 10.2, lid 1, in samenhang met artikel 1.1a van de Wet milieubeheer. De Afdeling overweegt als volgt:

“De Afdeling overweegt dat uit de stukken blijkt dat asfaltgranulaat afkomstig is van wegen die zijn aangelegd ten behoeve van de werkzaamheden aan de HSL. Het asfaltgranulaat is na voltooiing van die werkzaamheden vrijgekomen als productieresidu, zodat het als afvalstof is aan te merken. Met betrekking tot de gestelde overtreding van 10.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer stelt de Afdeling vast dat in de bestreden besluiten van 7 en 20 september 2005 niet is aangegeven wat de nadelige gevolgen zijn van het gebruik van asfaltgranulaat. Verder blijkt uit deze besluiten niet welke maatregelen appellante ten onrechte niet heeft genomen of nagelaten die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd teneinde nadelige gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Gelet hierop berust het besluit in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.”

Papier in vuurkorf – Rb Leeuwarden, 6 juni 2006, ECLI:NL:RBLEE:2006:AX8875.

Een particulier verbrandde oude ordners en papier in een vuurkorf en krijgt daarvoor een proces-verbaal (100 euro). De particulier gaat daartegen in beroep bij de rechtbank. De rechtbank overweegt als volgt:

“Verdachte heeft aangevoerd dat hij in zijn vuurkorf geen afvalstoffen heeft verbrand met het doel zich van deze afvalstoffen te ontdoen. Verdachte heeft verklaard dat hij de vuurkorf slechts heeft aangestoken om zich warm te houden en dat hij afval uit de papierversnipperaar op het vuur heeft gegooid om het vuur brandende te houden. De rechtbank is van oordeel dat het verbod van artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer (in het vervolg “de Wm”) verbranden van afvalstoffen omvat en dus tevens het verbranden van afvalstoffen voor het verkrijgen van warmte (of licht). Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij zijn spullen aan het ordenen was, omdat hij kort tevoren was verhuisd en dat hij onder andere afval uit een papierversnipperaar en oude weekstaten van het werk in zijn vuurkorf heeft verbrand. De rechtbank is van oordeel dat het afval uit de papierversnipperaar en de oude weekstaten dienen te worden aangemerkt als afvalstoffen en dat verdachte zich opzettelijk van deze afvalstoffen heeft ontdaan door ze in zijn vuurkorf te verbranden. Derhalve acht de rechtbank het tenlastegelegde bewezen.”

Op grond van artikel 10.63, lid 2, van de Wet milieubeheer kunnen burgemeester en wethouders in uitzonderlijke gevallen ontheffing verlenen van het verbod om afvalstoffen te verbranden (bijvoorbeeld het ontsteken van Paasvuren en kerstboomverbranding). Een verbrandingsverbod was in een aantal gemeenten al in de APV opgenomen. De ontheffing mag geen betrekking hebben op het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen. Er wordt vanuit gegaan dat de gemeenten terughoudend met deze bevoegdheid omgaan.

Bestuursdwang opslag van hooi – ABRvS, 23 juli 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0257.

Een agrarisch bedrijf stelt dat artikel 10.2 van de Wet milieubeheer niet is overtreden en verweerder derhalve niet bevoegd was tot het aanzeggen van bestuursdwang. Daartoe voert het bedrijf – kort gezegd – aan dat het met asbest verontreinigd hooi en stro, door het ter plaatse te laten liggen, wordt gecomposteerd en na verwerking (zeving) kan worden ingezet of ondergewerkt als bodemverbeteraar. Volgens appellante kan het opgeslagen hooi en stro dan ook niet worden aangemerkt als afvalstof. Evenmin is volgens haar sprake van het ontdoen van afvalstoffen nu het een tijdelijke opslag betreft. De Afdeling oordeelt als volgt:

Nu het hooi en stro buiten de inrichting van appellante op de bodem wordt opgeslagen, is sprake van “zich ontdoen door het op of in de bodem te brengen” als bedoeld in artikel 10.2. Het gegeven dat de opslag tijdelijk is maakt dat niet anders. Het opslaan van hooi kan niet worden aangemerkt als het oprichten en in werking hebben van een inrichting.”