Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Een in het afvalstoffenrecht heel belangrijk beleidsuitgangspunt is vastgelegd in artikel 10.4, lid 1 van de Wet milieubeheer:

“Bij de vaststelling van het afvalbeheerplan en bij het nemen van andere maatregelen voor de preventie en het beheer van afvalstoffen hanteert Onze Minister als prioriteitsvolgorde de volgende afvalhiërarchie:

  • preventie;
  • voorbereiding voor hergebruik;
  • recycling;
  • andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning;
  • veilige verwijdering.”

In hoofdstuk 2 is al ingegaan op het principe van de afvalhiërarchie dat ook vaak de voorkeursvolgorde of de “Ladder van Lansink” wordt genoemd. Op grond van artikel 10.5, onder a, van de Wet milieubeheer mag de minister afwijken van de afvalhiërarchie. Dit kan hij doen indien dit met betrekking tot de algemene effecten van het produceren en beheren van dergelijke afvalstoffen gerechtvaardigd is. Dan moet wel de gehele levenscyclus in beschouwing worden genomen. Er kunnen dus omstandigheden zijn om van de afvalhiërarchie af te wijken.

Voor andere overheden is deze bepaling van belang in verband met het gestelde in artikel 10.14, lid 2, van de Wet milieubeheer. In dat artikel is namelijk bepaald dat als het afvalbeheerplan niet voorziet in een onderwerp met betrekking waartoe de bevoegdheid wordt uitgeoefend, het bestuursorgaan rekening houdt met de afvalhiërarchie en de criteria genoemd in artikel 10.5. Op het moment dat het LAP geen duidelijkheid geeft over het gewenste beheer van een bepaalde afvalstroom dan moet het bevoegd gezag op grond van dit artikel dus zelf een beoordeling uitvoeren.