Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Artikel 10.14 van de Wet milieubeheer regelt de doorwerking van het LAP.

“1.Ieder bestuursorgaan houdt rekening met het geldende afvalbeheerplan bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet of bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid krachtens artikel 4.1 van de Omgevingswet, voor zover de taak of bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen.

2.Voor zover het afvalbeheerplan niet voorziet in het onderwerp met betrekking waartoe de taak of bevoegdheid wordt uitgeoefend, houdt het bestuursorgaan rekening met de voorkeursvolgorde, aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5, eerste lid.

3.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.”

Dit artikel geeft aan hoe het afvalbeheerplan (horizontaal en verticaal) doorwerkt. Horizontale doorwerking betekent dat de minister gebonden is aan haar eigen plan (bijvoorbeeld bij het verlenen van toestemming bij afvalexport op grond van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA). Verticale doorwerking betekent dat lagere overheden (provincie, gemeente, waterschap) gebonden zijn aan het afvalbeheerplan. Het afvalbeheerplan is dus niet zomaar een beleidsplan van het ministerie; bij bevoegdheden met betrekking tot afvalstoffen moet daarmee rekening worden gehouden. De term “rekening houden met” betekent dat de bestuursorganen er in beginsel aan gebonden zijn en dat afwijken uitsluitend gemotiveerd kan plaatsvinden.

De verticale binding van het afvalbeheerplan betekent dus dat provincies, gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders het afvalbeheerplan moeten gebruiken als toetsingskader bij de uitoefening van de bevoegdheden krachtens de Wet milieubeheer. Het gaat dan niet alleen om bedrijven waar afval wordt be- of verwerkt maar ook om die waar afval vrijkomt. In het LAP is bijvoorbeeld ook een hoofdstuk opgenomen ten aanzien van het gescheiden inzamelen van afvalstoffen. Daarnaast is het LAP ook kaderstellend voor het beleid van provincies en gemeenten voor de invoering en stimulering van afvalpreventie en gescheiden inzameling.

De afvalhiërarchie bij het beheer van afvalstoffen (art. 10.4) is zogezegd niet alleen van belang bij het afvalbeheerplan zelf (instructie aan de minister bij onder meer het vaststellen van het afvalbeheerplan) maar ook wanneer het afvalbeheerplan niet in een onderwerp voorziet. Op het moment dat het afvalbeheerplan niet in beleid of sturing van een afvalstroom voorziet, dan zal een bevoegd gezag op basis van eigen inzichten gebruik moeten maken van de afvalhiërarchie in artikel 10.4.