Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Van oudsher zijn gemeenten belast met de inzameling en het beheer van de ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen. Huishoudelijke afvalstoffen zijn de afvalstoffen die afkomstig zijn van de particuliere huishoudens (art. 1.1 Wm). Titel 10.4 richt zich op het gemeentebestuur; de gemeenteraad zal een afvalstoffenverordening moeten vaststellen of regels moeten stellen in het omgevingsplan ten aanzien van de inzameling van afvalstoffen. Burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor de uitvoering. In artikel 10.21 is de zorgplicht voor de inzameling vastgelegd met daarbij de expliciete verplichting dat iedere gemeente tenminste eenmaal per week het huishoudelijk afval, met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen, inzamelt. Op grond van artikel 10.21, lid 4 van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad besluiten tot gescheiden inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Met het op 1 juni 2020 inwerkingtreden van het Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen dragen de gemeenteraad en burgemeester en wethouders zorg voor gescheiden inzameling van ten minste de volgende bestanddelen van het huishoudelijk afval:

  • bioafval;
  • papier;
  • metaal;
  • kunststof;
  • glas;
  • afgedankte elektrische en elektronische apparatuur.

Per 1 januari 2025 zijn daar textiel en gevaarlijke afvalstoffen bijgekomen. In Nederland is het gescheiden inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen al grotendeels bestaande praktijk, met name vanwege het al jaren verplichte gescheiden inzamelen van groente-, fruit- en tuinafval. Gemeenten hebben de vrijheid om op basis van hun specifieke situatie en omstandigheden een eigen afweging te maken bij de keuze voor gescheiden inzameling van monostromen of mengsels, dan wel voor inzameling van huishoudelijk restafval gevolgd door nascheiding. Bij deze keuze dienen zij rekening te houden met het afvalbeheerplan. Hierin staat het afwegingskader aan de hand waarvan kan worden bepaald of voor bepaalde stromen huishoudelijk afval bronscheiding, dan wel nascheiding, gewenst is. Vanuit het landelijke uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof 2021-2025 (hierna: VANG) – onderdeel van het Nationaal Programma Circulaire Economie (hierna: NPCE) - wordt gestreefd naar het optimaliseren van gescheiden afvalinzameling door gemeenten en het verminderen van reststromen voor verbranding. VANG streeft naar een afvalscheidingspercentage van 75% in 2025, de Kaderrichtlijn afvalstoffen vereist minimaal 55%. De doelstelling van 75% is terug te vinden in het Rijksbrede programma Circulaire Economie, de voorloper van het NPCE. Het LAP bepaalt dat als meer inzet op gescheiden inzamelen vereist is, andere sturende instrumenten kunnen worden overwogen.

Artikel 10.26 nuanceert op een aantal punten de zorgplicht voor het wekelijks inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel en de inzamelfrequentie. Het gemeentebestuur kan daar in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen een eigen invulling aangeven. Op het moment dat een gemeente afwijkt van artikel 10.21 dan is inspraak conform de vastgestelde inspraakverordening verplicht. De VNG heeft een model afvalstoffenverordening (www.vng.nl).

Op grond van artikel 10.25 kunnen in de afvalstoffenverordening of in het omgevingsplan ook regels worden gesteld met betrekking tot zwerfvuil. Deze regels worden vastgesteld in het “belang van de bescherming van het milieu”. Gemeenten moeten rekening houden met het LAP (verticale binding). Op grond van de artikelen 10.28 en 10.29 kunnen bij AMvB regels worden gesteld betreffende de inzameling van huishoudelijk afval.

Er bestaat een fors aanbod aan gerechtelijke uitspraken ten aanzien van handhaving met betrekking tot de gemeentelijke afvalstoffenverordening. Vaak gaat het om kwesties als het verkeerd of op het verkeerde moment aanbieden van vuilniszakken. Essentie is dat in de afvalstoffenverordening duidelijk geregeld moet worden hoe het afval aangeboden moet worden. Als dat het geval is dan heeft het instellen van beroep tegen spoedeisende bestuursdwang weinig zin. Hierbij ter illustratie een aantal uitspraken in het kader van Titel 10.2.

Afvalstoffenverordening – ABRvS, 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2683.

Een gemeente heeft spoedeisende bestuursdwang toegepast vanwege het in strijd met de Afvalstoffenverordening aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen. Een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang - het verwijderen van een doos die is aangetroffen naast een aangewezen inzamelvoorziening - komen voor rekening van appellante (€199,57). De gemeente is ervan uitgegaan dat appellante de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adresgegevens op de doos zijn aangetroffen. Appellante betoogt dat de bij haar in huis wonende kleindochter van 12 jaar oud de doos naast de container heeft geplaatst. Volgens appellante stonden er meerdere spullen naast de container en was haar kleindochter er niet van op de hoogte dat de doos niet naast de container mocht worden geplaatst. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de gemeente appellante hiervoor terecht verantwoordelijk gehouden. Als hoofd van het huishouden waarin dit huishoudelijk afval is ontstaan, dient zij verantwoordelijk te worden gehouden voor hetgeen haar minderjarige bij haar in huis wonende kleindochter daarmee heeft gedaan. Het college heeft appellante daarom als overtreder mogen aanmerken.

Gemeentelijke inzamelplicht – Gerechtshof Den Haag, 9 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1036.

Op grond van artikel 10.21 i.c.m. 10.26, lid 1, onder a, van de Wet milieubeheer heeft de gemeente een inzamelplicht voor huishoudelijke afvalstoffen. Belanghebbende stelt dat de gemeente haar inzamelplicht niet nakomt omdat zij geen mogelijkheid biedt om het afval binnen redelijke afstand van de woning aan te bieden. De gemeente stelt dat zij de inzamelplicht wel nakomt, aangezien zij een afvalpas heeft verstrekt, waarmee belanghebbende zijn afvalstoffen kan aanbieden. Onderzoek van het Hof heeft uitgewezen dat de dichtstbijzijnde mogelijkheid om afvalstoffen aan te bieden is op 850 m van de woning. Naar het oordeel van het Hof is hiermee niet de gelegenheid om huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden op een plaats binnen een redelijke afstand van zijn perceel (zie ook ECLI:NL:HR:2009:BH4084). De gemeente voldoet daarmee niet aan haar inzamelplicht.

Aanslagen afvalstoffenheffing – Gerechtshof Den Haag, 9 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2022:1036

Een inwoner van de gemeente Rijswijk stelt hoger beroep in tegen de opgelegde afvalstoffenheffing. In geschil is of de gemeente wel voldoet aan haar inzamelplicht voor huishoudelijke afvalstoffen. De inwoner voert in dat kader aan dat de gemeente geen mogelijkheid biedt om de huishoudelijke afvalstoffen in de nabijheid van de woning, en aldus binnen redelijke afstand tot de woning, aan te bieden. De heffingsambtenaar stelt dat dit wel het geval is, vanwege afvalpas die is verstrekt, voor iedere ondergrondse afvalcontainer in de gemeente en anderzijds grove huishoudelijke afvalstoffen in de milieustraat kan aanbieden. Het hof oordeelt dat de gemeente niet voldoet aan haar inzamelingsplicht artikel 10.21 Wm omdat de dichtstbijzijnde afvalcontainer op 850 m van de woning ligt. De gemeente had daarom geen afvalstoffenheffing mogen opleggen.

Reclamedrukwerk JA/JA-sticker Gerechtshof Amsterdam, 24 september 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3423 (bevestigt in hoger beroep ECLI:NL:HR:2021:1360).

Artikel 10.23 Wm bepaalt dat de gemeente in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vaststelt. Het hof is op grond van de memorie van toelichting bij dit artikel van oordeel dat in een afvalstoffenverordening ook regels kunnen worden opgenomen die betrekking hebben op het voorkomen dan wel het verminderen van afval. De gemeenteraad moet op grond van artikel 10.14 Wm rekening houden met het geldende afvalbeheerplan. Tussen partijen is niet in geschil dat één van de doelstellingen van het afvalbeheerplan is de preventie van het ontstaan van afvalstoffen. Tussen partijen is ook niet in geschil dat een aanzienlijk deel van het ongeadresseerd reclamedrukwerk ongelezen wordt weggegooid en als afval moet worden aangemerkt. Met de beperking van de verspreiding door middel van een JA/JA-sticker (opt-in-systeem) wordt voorkomen dat ongeadresseerd reclamedrukwerk een afvalstof wordt. Dat de gemeenteraad er vanwege milieuaspecten voor heeft gekozen door middel van een JA/JA-sticker te voorkomen dat afvalstoffen ontstaan, valt op grond van het voorgaande binnen de ruime reikwijdte van artikel 10.23 Wm.

Vuilniszakken met naam- en adresgegevens – ABRvS, 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:308.

"[appellante] betoogt dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. [appellante] maakt gebruik van een privé vuilnisophaaldienst die bijna dagelijks komt en vindt het niet logisch dat een medewerker naar het volgende blok huizen zou lopen, terwijl haar eigen vuilcontainer voor de deur staat. [appellante] heeft naar aanleiding van de eerste geconstateerde overtreding een waarschuwing van het college ontvangen. Hoewel [appellante] bestrijdt dat één van haar medewerkers de eerst aangetroffen afvalzak onjuist heeft aangeboden, heeft zij hen na ontvangst van de waarschuwing op het hart gedrukt dat afvalstoffen in haar eigen vuilcontainer moeten worden gedeponeerd. Weliswaar kan [appellante] niet bewijzen dat de op 2 oktober 2017 in de vulopening van de afvalcontainer aangetroffen afvalzak niet door één van haar medewerkers is aangeboden, maar zij vermoedt dat één van de omwonenden niet blij is met de vestiging van de brasserie in de wijk en dat de omwonende haar daarom in een kwaad daglicht probeert te stellen. [appellante] vindt het onrechtvaardig dat zij als overtreder wordt aangemerkt, terwijl niet is aangetoond dat haar medewerkers de afvalzak onjuist hebben aangeboden.

Artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

Artikel 5:32, eerste lid, luidt: "Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen."

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2432), mag, indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval door middel van een daarin aangetroffen poststuk tot een bepaalde persoon is te herleiden, ervan worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt.

Vaststaat dat op 2 oktober 2017 in de vulopening van de ondergrondse container ter hoogte van de De Savornin Lohmanlaan 122 te Rotterdam een afvalzak is aangetroffen met daarin poststukken van [appellante]. [appellante] erkent dat de afvalzak van haar afkomstig is.

Het college heeft zich, gelet op de naam- en adressering op de poststukken, derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de afvalzak herleidbaar is tot [appellante]."

Gooien van een leeg blikje op straat is een milieudelict – Gerechtshof Amsterdam, 31 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2828.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het op straat gooien van een bierblikje, ondanks het feit dat er in het gebied afvalbakken stonden. Er is sprake van een overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.23 Wet milieubeheer. Geldboete bedraagt 160 euro.

Overtreder – ABRvS, 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3978.

"[appellant] betoogt voorts dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Hij stelt dat hij het medicijndoosje in de vuilnisbak in de algemene ruimte van zijn appartementencomplex heeft gedeponeerd. Mogelijk is de afvalzak uit die vuilnisbak door een derde verkeerd ter inzameling aangeboden, aldus [appellant].

Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

In de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden. Onbestreden is dat de huisvuilzak in strijd met de Afvalstoffenverordening ter inzameling is aangeboden. De huisvuilzak is herleidbaar tot [appellant], nu daarin een medicijndoosje is aantroffen met zijn naam en adres. [appellant] heeft de stelling dat hij het medicijndoosje in de vuilnisbak in de algemene ruimte van het appartementencomplex heeft gedeponeerd, waarna een derde het afval uit die vuilnisbak verkeerd ter inzameling heeft aangeboden, onvoldoende aannemelijk gemaakt.”

Verkeerd aanbieden door een ander – ABRvS, 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3993.

"Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 15 oktober 2008 in zaak nr. 200707345/1, is degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift schendt in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht; daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt.

Vaststaat dat de doos van [appellante] afkomstig is en dat deze doos niet op juiste wijze ter inzameling is aangeboden. Dat niet [appellante] maar een medewerker van de thuiszorg de doos ter inzameling heeft aangeboden, leidt niet tot het oordeel dat het college [appellante] ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Nu de aangetroffen doos kan worden geacht in opdracht van [appellante] te zijn aangeboden, dient het verkeerd ter inzameling aanbieden daarvan aan haar te worden toegerekend. Verder doet de omstandigheid dat de Ondergrondse afvalcontainer (ORAC) vol was niet af aan de verplichting van [appellante] de doos op juiste wijze ter inzameling aan te bieden."

Voor de praktijk is belangrijk dat in de verordening concrete uitvoeringsaspecten kunnen worden opgenomen en dat deze voldoende naar de aanbieders (“huishoudens”) moeten worden gecommuniceerd (waar en wanneer aanbieden, tijdstippen e.d.).

Samendrukken van vuilniszakken – ABRvS, 5 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY0354.

“In de afvalstoffenverordening van Rotterdam is bepaald dat de afvalstoffen zoveel mogelijk moeten worden samengedrukt voordat ze in de inzamelcontainer worden geworpen. De Afdeling acht het aannemelijk dat de zak onvoldoende was samengedrukt. De enkele stelling van appellante dat zij haar huisvuilzak op de juiste wijze heeft aangeboden doet hier niet aan af.”

Twee vuilniszakken: twee overtreders – ABRvS, 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4453.

"Vaststaat dat op 30 december 2011 twee vuilniszakken zijn aangetroffen naast de vulopening van de huisvuilcontainer [..] Vaststaat tevens dat in de ene vuilniszak een poststuk is aangetroffen met de naam- en adresgegevens van [appellant A] en in de andere vuilniszak een poststuk is aangetroffen met de naam- en adresgegevens van [appellant B]. Het college heeft ten aanzien van beide vuilniszakken spoedeisende bestuursdwang toegepast omdat volgens het college beide vuilniszakken in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening en artikel 6, vijfde lid, het Uitvoeringsbesluit zijn aangeboden. Voor zover [appellant A] en [appellant B] het niet redelijk achten dat het college tweemaal spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast, omdat zij samen een huishouding voeren, overweegt de Afdeling dat, zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 juni 2005 in zaak nr. 200501068/1), in de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Eén van de vuilniszakken is herleidbaar tot [appellant A] en de andere tot [appellant B]. Beiden moeten derhalve worden beschouwd als overtreder. De omstandigheid dat zij samen een huishouding voeren, maakt niet dat het college om die reden niet in redelijkheid tweemaal handhavend heeft kunnen optreden."

Te vroeg aanbieden vuilniszakken – ABRvS, 29 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT8444.

“[…] Niet in geschil is dat op maandag 6 september 2004 vóór 21.30 uur huishoudelijke afvalstoffen, te weten één huisvuilzak, zijn aangetroffen aan de Emmalaan, ter hoogte van nummer 11, te Utrecht, zodat sprake was van een overtreding van artikel 20, tweede lid, van de Verordening en verweerder terzake handhavend kon optreden. Niet bestreden is voorts dat de huisvuilzak afkomstig was van appellant. […] Verweerder stelt dat de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen op vaste inzameldagen onder meer gericht is op het vrijwaren van de openbare weg van afvalstoffen gedurende de overige dagen waardoor mede invulling wordt gegeven aan het gemeentelijke beleid gericht op het schoon houden van de stad. Het te vroeg aanbieden van huisvuil verstoort volgens verweerder het voornoemde beleid, heeft een vuilaantrekkende werking, trekt ongedierte aan en heeft in algemene zin vervuiling tot gevolg. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er gezien deze negatieve gevolgen een spoedeisend belang gemoeid is met de directe verwijdering van op onjuiste wijze aangeboden huishoudelijke afvalstoffen.[…..] De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de handhaving van wettelijke voorschriften als het onderhavige inzake de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen in de regel een spoedeisend belang aanwezig is, gezien de mogelijke overlast en vervuiling door de verspreiding van op straat geplaatste afvalstoffen als zwerfvuil.”