Afvalwater is ook een afvalstof. In de bijlage bij de Omgevingswet wordt onder afvalwater verstaan: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Onder het verzamelbegrip afvalwater wordt huishoudelijk en bedrijfsafvalwater beschouwd. Onder "huishoudelijk afvalwater" wordt op grond van artikel 1.1 van de Wet milieubeheer verstaan: afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden. Ook het sanitair afvalwater van bedrijven valt onder huishoudelijk afvalwater. Afvloeiend hemelwater van daken en verhardingen en grondwater valt niet onder het begrip huishoudelijk afvalwater. Bedrijfsafvalwater betreft bij bedrijvigheid vrijkomend afvalwater, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is. Afvalwater kan verontreinigd zijn met schadelijke stoffen. Via bijvoorbeeld het riool komt het afvalwater in het oppervlaktewater terecht. Daarom is het belangrijk om zo min mogelijk schadelijke stoffen te lozen en het water voordat het geloosd wordt goed te zuiveren. In het Besluit activiteiten leefomgeving is voor veel afvalwaterstromen geregeld via welke route het is toegestaan afvalwater te lozen en of daarvoor een vergunningplicht geldt. Titel 10.5 van de Wet milieubeheer heeft betrekking op het zich ontdoen van, de inzameling en het transport van afvalwater, dus feitelijk voordat het een rioolwaterzuiveringsinstallatie bereikt. In artikel 10.29a is een zorgplicht vastgelegd voor bestuursorganen die bevoegdheden krachtens de Wet milieubeheer uitoefenen, ten aanzien van afvalwater. Ook hier is een voorkeursvolgorde vastgelegd (zelfde principe als de afvalhiërarchie in artikel 10.4 Wm) die uitgaat van preventie als meest wenselijke optie en transport naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie (een mba als bedoeld in art. 3.173 Bal), als minst wenselijke optie.
De gemeente heeft een zorgtaak om stedelijk afvalwater van binnen de bebouwde kom in te zamelen. Dit staat in artikel 2.16, lid 1, onder a3 van de Omgevingswet. Uitgangspunt is dat alle percelen worden aangesloten op de riolering, dus ook verspreide bebouwing in het buitengebied, woonschepen en industrieterreinen. Als een lozing een vervuilingswaarde heeft van minder dan 2.000 inwoner equivalenten (i.e.) en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer is dan:
Dan mag onder voorwaarden huishoudelijk afvalwater worden geloosd op het oppervlaktewater (art. 2.17 van de bruidsschat waterschapsverordening) of op de bodem (art. 22.148 van de bruidsschat omgevingsplan), omdat de gemeente dan niet verplicht is om het afvalwater via een vuilwaterriool af te voeren naar een zuiveringtechnisch werk. Het huishoudelijk afvalwater moet wel worden behandeld in een lokale zuiveringsvoorziening, een IBA (individuele behandeling van afvalwater). Het bekendste voorbeeld van een IBA-systeem is de septic tank.
Mede op basis van de bepalingen in titel 10.5 van de Wet milieubeheer waren twee AMvB’s vastgesteld, het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens (Stb. 2007, 468, 15 november 2007) en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen (Stb. 2011, 153, 1 juli 2011).
De regels uit het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens hadden betrekking op alle soorten afvalwater die bij particuliere huishoudens vrijkomen, zoals:
De regels hiervoor zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet terechtgekomen in de bruidschat waterschap en gemeente. Voor lozingen vanuit particuliere huishoudens is in beginsel nooit een individuele vergunning of ontheffing nodig.
Het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet ingetrokken. Het besluit bevatte regels voor een aantal categorieën van lozingen die het gevolg zijn van activiteiten die plaatsvonden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. Deze activiteiten in het Bal aangewezen als milieubelastende activiteiten en daarvoor gelden regels. Zo geldt voor het afvalwater dat vrijkomt bij het graven of saneren van de bodem regels op grond van de paragrafen 4.119, 4.120 en 4.121 van het Bal. De lozingsroute van het afvalwater dat vrijkomt bepaalt of de waterbeheerder Rijkswaterstaat (rijkswateren) of het waterschap (regionale wateren) of de gemeente (riool of bodem) bevoegd gezag is.
In paragraaf 3.2.6 van het Bal zijn bodemenergiesystemen aangewezen als milieubelastende activiteit (geothermie, warmtelozingen en stadsverwarming vallen hier niet onder). Voor open bodemenergiesystemen is een omgevingsvergunning nodig. Paragraaf 4.111 en 4.112 bevatten regels waar respectievelijk gesloten en open bodemenergiesystemen aan moeten voldoen. In die paragrafen zijn ook de lozingsactiviteiten geregeld.