Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

In veel gevallen zijn de rijksregels voldoende om activiteiten te reguleren. De eenvoudigste manier is het stellen van algemene inhoudelijke regels die door de uitvoerder van de activiteit moeten worden nageleefd, zonder voorafgaande procedurele verplichtingen. Bij grotere risico’s voor de fysieke leefomgeving is een voorafgaande melding vereist, zodat het bevoegd gezag op de hoogte is en indien nodig actie kan ondernemen. Artikel 4.4 van de Omgevingswet maakt het mogelijk om een verbod op activiteiten zonder voorafgaande melding in de algemene regels op te nemen. Na melding mag de activiteit plaatsvinden, mits aan de overige voorschriften wordt voldaan. Uitgangspunt is dat bedrijven moeten voldoen aan de algemene regels. Bedrijven vallen onder de algemene regels tenzij ze zijn aangemerkt als vergunningplichtig.

Omdat algemene regels niet altijd voldoende bescherming bieden voor de fysieke leefomgeving en internationaal recht soms expliciet om een vergunning vraagt, bevat de Omgevingswet in artikel 5.1 een grondslag voor vergunningplicht. Dit is vooral geschikt voor situaties waarin een voorafgaande individuele beoordeling en belangenafweging nodig zijn, toegespitst op een specifiek geval of gebied. Deze beoordeling is een vorm van maatwerk, aanvullend op de algemene regels. Het gaat meestal om complexere gevallen waarbij een omgevingsvergunning nodig wordt geacht voor een deel of de gehele milieubelastende activiteit.

Voor de meeste milieubelastende activiteiten is het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag, voor een beperkt aantal activiteiten met een hoog milieurisico (de zogenoemde ‘complexe bedrijven’) zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag en in een beperkt aantal gevallen een van de ministers.

De milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn hierbij het uitgangspunt. We onderscheiden de volgende milieubelastende activiteiten waarbij afval een rol speelt:

Activiteiten die bedrijfstakken overstijgen (paragraaf 3.2 van het Bal)

  • Opslaan, mengen, scheiden en verdichten van bedrijfsafval of gevaarlijk afval voorafgaand aan inzameling of afgifte (paragraaf 3.2.13);
  • Op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen buiten stortplaatsen (paragraaf 3.2.14);
  • Afvalverbranding die niet plaatsvindt in een IPPC-installatie (paragraaf 3.2.15);
  • Zuiveringsvoorziening voor ingezameld of afgegeven afvalwater (paragraaf 3.2.17).

Het verrichten van deze handelingen met afvalstoffen worden als een milieubelastende activiteit beschouwd, maar een aantal gevallen zijn uitgezonderd gelet op specifieke hoeveelheden (in ton of m3). Tevens geldt dat voor de milieubelastende activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Maar ook voor de verplichting van een omgevingsvergunning gelden een aantal uitzonderingen.

In artikel 3.39 zijn de handelingen met bedrijfs- of gevaarlijke afvalstoffen vermeld die als milieubelastende activiteiten zijn aangewezen. Dit betreft onder meer het opslaan van 50 ton gevaarlijke afvalstoffen of 45 m3 bedrijfsafvalstoffen of het scheiden daarvan op een andere locatie dan de productielocatie. Voor deze milieubelastende activiteiten is een omgevingsvergunning nodig. Het opslaan van niet meer dan 600 m3 groenafval of 45 m3 gescheiden gehouden bedrijfsafvalstoffen betreft een milieubelastende activiteit, maar daarvoor is geen omgevingsvergunningen nodig.

Ook het mengen van (gevaarlijke) afvalstoffen met andere stoffen of afvalstoffen is een milieubelastende activiteit waarvoor een omgevingsvergunning benodigd is. In het Bal wordt het niet gescheiden houden (=mengen) van categorieën gevaarlijk afval van andere categorieën gevaarlijk afval, van niet-gevaarlijk afval en van andere stoffen dan afvalstoffen aangemerkt als milieubelastende activiteit. Dit geldt zowel voorafgaand aan het afvalbeheer (art. 3.39 Bal) als tijdens het afvalbeheer (art. 3.184 Bal).

In paragraaf B3.5 van LAP3 is ingegaan op de regelgeving over het samenvoegen van gevaarlijke afvalstoffen niet zijnde grond en baggerspecie. In de navolgende tabel is dit samengevat weergegeven (tabel 9, LAP3).

Het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen is aangewezen als een milieubelastende activiteit, waarvoor een omgevingsvergunning is benodigd. Dit geldt onder meer niet voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie voor zover dat een nuttige toepassing is. Het op of in de bodem brengen van plantenresten die zijn opgenomen in het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, is weliswaar en milieubelastende activiteit, maar daarvoor geldt geen omgevingsvergunningplicht.

Onder het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in een andere milieubelastende installatie of buiten een installatie zijn milieubelastende activiteiten die worden verricht als onderdeel van een bedrijf of in de buitenlucht. De grote afval(mee)verbrandingsinstallaties zijn opgenomen in paragraaf 3.3 "complexe bedrijven" van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Om vast te kunnen stellen of sprake is van een milieubelastende activiteit of een omgevingsvergunningsplicht moet dus altijd goed worden gekeken naar de aanwijzing van de milieubelastende activiteiten en de vergunningplichtige gevallen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Complexe bedrijven (paragraaf 3.3 van het Bal)

  • Afvalbeheer ippc-installaties (paragraaf 3.3.10);
  • Stortplaats of winningsafvalvoorziening (paragraaf 3.3.12);
  • Verbranden van afvalstoffen in een ippc-installatie (paragraaf 3.3.13).

De paragraaf over afvalbeheer ippc-installaties geeft aan dat het exploiteren van een ippc-installatie voor het verrichten van een aantal activiteiten de hoofdstukken 2 tot en met 5 gelden. De activiteiten die hieronder vallen zijn de categorieën 5.1, 5.3(a en b), 5.5 en 5.6 van bijlage I van de Richtlijn industriële emissies. De rijksoverheid stelt regels aan deze activiteiten ter uitvoering van Europese regelgeving en om een gelijk speelveld en gelijk beschermingsniveau te waarborgen.

Voor deze milieubelastende activiteiten is een vergunning nodig. Als het lozen van afvalwater op oppervlaktewater plaatsvindt, geldt ook een vergunningplicht voor een wateractiviteit. De vergunningplicht geldt voor de hele installatie en alle functioneel ondersteunende activiteiten. Alles wat onderdeel uitmaakt van de installatie of deze installatie functioneel ondersteunt valt dus onder de vergunningplicht. Dit betekent dat bijna altijd de hele locatie onder de vergunningplicht valt.

Behalve de afvalbeheer ippc-installaties zijn ook het exploiteren van stortplaatsen of winningafvalvoorzieningen aangewezen als milieubelastende activiteiten en daarvoor is ook een omgevingsvergunning nodig. Dit geldt voor stortplaatsen die vallen onder de Richtlijn industriële emissies: stortplaatsen die meer dan 10 ton afval per dag ontvangen of een totale capaciteit hebben van meer dan 25.000 ton (categorie 5.4 van bijlage I), maar ook voor stortplaatsen die niet vallen onder de Richtlijn industriële emissies.

Voor het exploiteren van een afval(mee)verbrandingsinstallatie als bedoeld in categorie 5.2 van bijlage I van de Richtlijn industriële emissies voor het verwijderen of nuttig toepassen van afvalstoffen geldt dit eveneens. De (emissie)eisen zijn opgenomen in de paragrafen 4.3, 4.4, 4.126 en 4.127 van het Bal.

Naast de eisen uit de omgevingsvergunning zijn in de desbetreffend paragrafen opgenomen welke algemene regels gelden, zoals het eindonderzoek bodem en de rapportage op grond van de Verordening (EG) nr. 166/2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEG 2006, L33) ook wel de PRTR-verordening genoemd.

Afvalbeheer (paragraaf 3.5 van het Bal)

  • autodemontage- en tweewielerdemontagebedrijf (paragraaf 3.5.1);
  • kringloopbedrijf en bedrijf voor reparatie van gebruikte producten (paragraaf 3.5.2);
  • rubber- en kunststofrecyclingbedrijf (paragraaf 3.5.3);
  • metaalrecyclingbedrijf (paragraaf 3.5.4);
  • recyclingbedrijf voor papier, karton, textiel, glas, hout of puin (paragraaf 3.5.5);
  • milieustraat (paragraaf 3.5.6);
  • zuiveringtechnisch werk (paragraaf 3.5.7);
  • grondbank en grondreinigingsbedrijf (paragraaf 3.5.8);
  • verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen (paragraaf 3.5.11).

Demonteren van autowrakken

Paragraaf 3.5.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving (art. 3.26 – 3.26c) bevat voorschriften met betrekking tot inrichtingen waar autowrakken worden gedemonteerd. Dergelijke inrichtingen vallen alleen onder deze regels na de toetsing Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM, zie paragraaf 8.5.2). In andere gevallen is er een omgevingsvergunning milieu nodig.

Composteren groenafval

Paragraaf 3.5.7 (art. 3.106 – 3.110) van het Activiteitenbesluit heeft betrekking op het composteren van meer dan 3 m3 groenafval. In deze artikelen van het Activiteitenbesluit is onder meer vastgelegd dat een composthoop voor groenafval een volume van ten hoogste 600 m3 mag hebben (art. 3.106), het composteren op een afstand van ten minste 100 meter moet plaatsvinden ten opzichte van een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (50 meter ten opzichte van een object buiten bebouwde kom, artikel 3.108), dat er sprake moet zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico (art. 3.109) en dat een afstand van 5 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam moet worden aangehouden (art. 3.110).

Afvalverbrandingsinstallaties/meeverbrandingsinstallaties

Paragraaf 5.1.2 (art. 5.15 – 5.39) van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn van toepassing op afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties en bevat de emissie-eisen en meetmethoden die voorheen waren opgenomen in het Besluit verbranden afvalstoffen. Deze paragraaf bevat ook voorschriften voor het lozen van afvalwater afkomstig van (art. 5.27 en 5.28 van het Activiteitenbesluit en artikelen 5.9, 5.15, 5.16, 5.18, 5.22, 5.28 en 5.29 van de Activiteitenregeling).

Gemeentelijke milieustraat

Paragraaf 3.8.2 van het Activiteitenbesluit is van toepassing op inrichtingen waar een gemeente ter uitvoering van artikel 10.22, lid 1, van de wet gelegenheid biedt om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te laten (art. 3.155). In artikel 3.156 wordt verwezen naar de inhoudsvereisten uit de bij ministeriële regeling gestelde eisen. Dit is gedaan in artikel 3.115 van de Activiteitenregeling milieubeheer waarin onder meer is bepaald dat er voorzieningen aanwezig moeten zijn voor verschillende, met name genoemde, grove huishoudelijke afvalstoffen. Verder bevat dit artikel de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen.

Uiteraard zijn op de afvalinrichtingen die onder het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen ook de algemene regels ten aanzien van geluidhinder, luchtverontreiniging, stofverspreiding e.d. toepassing.

Figuur 8.1 – Hoofdlijnen mengen type A- en B-inrichtingen

Artikel 2.13 bevat een verplichting om zwerfvuil afkomstig uit de inrichting binnen een afstand van 25 meter, zo vaak als nodig op te ruimen. Artikel 2.14a bevat een stort- en verbrandverbod. Het verbod op het op of in de bodem brengen geldt niet voor het toepassen van bouwstoffen en het toepassen van grond of baggerspecie waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is (lid 3). Verder bevat dit artikel het verbod om afvalstoffen voorafgaand aan nuttige toepassing langer dan drie jaren op te slaan (lid 5). Voor het opslaan van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering geldt een termijn van maximaal een jaar (lid 6).

Artikel 2.14b heeft specifiek betrekking op inrichtingen waar afvalstoffen worden op- of overgeslagen of verwerkt. Het is noodzakelijk om een acceptatie- en controleprotocol voor handen te hebben waarbij groepen van afvalstoffen worden onderscheiden waarvoor vanuit het oogpunt van doelmatig beheer van afvalstoffen verschillende procedures worden gehanteerd. De volgende elementen moeten hierin zijn vastgelegd:

  • het type ontdoener waarvan afvalstoffen worden aangenomen, voor zover dit gevolgen heeft voor de acceptatie en controle;
  • de eisen die degene die de inrichting drijft, stelt aan de manier waarop de afvalstoffen worden aangeboden;
  • de manier waarop de afvalstoffen worden gecontroleerd bij ontvangst; en
  • de manier waarop de afvalstoffen die op een milieuhygiënisch relevante manier afwijken van wat gangbaar is voor de categorie, worden behandeld.

In artikel 2.14b, lid 4, is bepaald dat het bevoegd gezag in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen maatwerkvoorschriften kan stellen aan het acceptatie- en controleprotocol.

Afvalwaterbeheer

Afdeling 3.1 van het Activiteitenbesluit bevat voorschriften over afvalwaterbeheer om de nadelige gevolgen voor het milieu te beperken van vrijkomend afvalwater dat wordt geloosd. Voor zover het doelvoorschriften betreft, zijn deze in het besluit zelf opgenomen. De voorgeschreven maatregelen staan in de Activiteitenregeling (eveneens afdeling 3.1). In het Activiteitenbesluit worden eisen gesteld ten aanzien van:

  • het lozen van grondwater afkomstig van bodemsanering en proefbronnering in de zin van de Wet bodembescherming (art. 3.1);
  • het lozen van grondwater afkomstig van de ontwatering van gronden (art. 3.2);
  • het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening (art. 3.3);
  • het lozen en behandelen van huishoudelijk afvalwater en stedelijk afvalwater in een oppervlaktewater (art. 3.4 en 3.5);
  • het lozen van koelwater (art. 3.6);
  • het lozen als gevolg van werkzaamheden aan vaste objecten (art. 3.6a en 3.6b);
  • het lozen ten gevolge van ontgravingen en baggerwerkzaamheden in oppervlaktewaterlichamen (art. 3.6c-3.6e);
  • het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen binnen inrichtingen (art. 3.6f);
  • het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij calamiteitenoefeningen (art. 3.6g).

Daarnaast bevatten de verschillende andere afdelingen van hoofdstuk 3 veelal ook nog voorschriften gericht op (het voorkomen van) lozingen.

In hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling milieubeheer zijn algemene voorschriften voor type A- en B-inrichtingen opgenomen. De meeste afdelingen bevatten voorschriften voor het lozen van afvalwater. Het betreft hier onder andere:

  • het lozen bij activiteiten met hout of kurk (art. 4.26);
  • het lozen van afvalwater van activiteiten met metalen (paragraaf 4.5.12);
  • het lozen met betrekking tot motoren en gemotoriseerde apparaten (paragraaf 4.6.1).

De lozingen afkomstig van industriële emissies vanuit IPPC-inrichtingen zijn gereguleerd in hoofdstuk 5 van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling milieubeheer. Dit hoofdstuk bevat voorschriften voor het lozen van afvalwater afkomstig van onder meer afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties en afkomstig van een installatie voor de productie van. De systematiek van het Activiteitenbesluit milieubeheer komt overeen met die van de BBT-conclusies, namelijk het voorkomen of verminderen van verontreiniging aan de bron.

In paragraaf 3.3.4 van dit handboek zijn de voor afvalbeheer relevante IPPC-installaties opgenomen en zijn de capaciteitsgrenzen samengevat in een tabel.