
Uit de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 17 december 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:24760) volgt dat art. 2.8 Wet natuurbescherming (“Wnb”) niet zo evenredig uitpakt dat de toepassing van deze dwingend geformuleerde formeelwettelijke bepaling in dit geval achterwege had moeten blijven. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over het besluit van het college van Gedeputeerde Staten (“GS”) om de aangevraagde natuurvergunning (als bedoeld in art. 2.7, tweede lid, Wnb) voor de uitbreiding van een melkrundveehouderij te weigeren. In beroep stellen de exploitanten van het bedrijf onder meer dat het toepassen van art. 2.8, derde lid, Wnb - dat voorschrijft dat een natuurvergunning uitsluitend wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die in deze bepaling zijn geformuleerd - in hun geval onevenredig uitpakt en daarom achterwege had moeten blijven.
De rechtbank overweegt dat het toetsingsverbod uit art. 120 Grondwet eraan in de weg staat dat de bestuursrechter deze formeelwettelijke bepaling toetst aan het evenredigheidsbeginsel. Dat neemt niet weg dat de rechter in bepaalde gevallen een wetsbepaling buiten toepassing kan laten, namelijk als de toepassing ervan wegens daarin niet-verdisconteerde omstandigheden in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel (zoals het evenredigheidsbeginsel). In dat geval kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt (vgl. de Afdelingsuitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772).
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit art. 2.8, derde lid, Wnb volgt dat een natuurvergunning slechts wordt verleend nadat uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de aangevraagde activiteit de natuurlijke kenmerken van de betrokken natuurgebieden niet zal aantasten. Als de passende beoordeling deze zekerheid niet biedt en geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, Wnb (op grond waarvan de natuurvergunning desondanks kan worden verleend), dan moet de natuurvergunning worden geweigerd. Volgens de rechtbank moet bij de totstandkoming van deze bepaling door de wetgever zijn onderkend dat – zoals eisers in casu betogen - weigering van de natuurvergunning voor de aanvrager verstrekkende (financiële) gevolgen kan hebben.
Vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden komt de rechtbank niet toe aan de vraag of toepassing van art. 2.8, derde lid, Wnb zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege had moeten blijven.