Menu

Zoek op
rubriek
Klimaatweb
0

Mag een woningcorporatie correctiefactoren toepassen op de door huurder te betalen kosten voor levering van warmte

Op 12 maart 2021 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een geschil tussen de Stichting Elan Wonen (een woningcorporatie) en een huurder.[1] De zaak draait om de vraag of Elan in de periode 2014-2019 bij de berekening van de door de huurder te betalen kosten voor levering van warmte (door middel van blokverwarming) bepaalde correctiefactoren mocht toepassen. De huurder heeft in deze periode twee maal een afrekening voor de aan hem geleverde warmte ontvangen waarbij als correctiefactor een post 'kosten leidingafgifte' in rekening is gebracht.

24 maart 2021

Jurisprudentie – Samenvattingen

Sinds 1 juli 2019 is in artikel 8a lid 5 Warmtewet geregeld dat het individueel warmtegebruik van de verbruiker mag worden gecorrigeerd aan de hand van correctiefactoren (zoals leidingverliezen voor transportleidingen). In de periode waarop de facturen zagen was deze mogelijkheid nog niet expliciet opgenomen in de Warmtewet. De huurder had zich (kennelijk mede gelet daarop) op het standpunt gesteld dat deze kosten niet in rekening mochten worden gebracht.

De HR oordeelt kort gezegd dat Elan, ondanks dat dit niet expliciet was geregeld in de Warmtewet, terecht correctiefactoren heeft toegepast bij de berekening van het warmteverbruik van de huurder. Daarmee wijkt de Hoge Raad (naar onze mening terecht) af van het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam[2] dat dit niet mocht.

Oordeel Hof Amsterdam

Het hof bekrachtigde in 2019 een vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland. De kantonrechter had geoordeeld dat Elan niet gerechtigd is om iets anders (of: meer) in rekening te brengen aan de huurder dan de maximumprijzen (een vastrecht en een variabel deel) die zijn vastgesteld door de ACM. Elan had, naar het oordeel van het hof, dus onterecht correctiefactoren toegepast bij het berekenen van de kosten voor de geleverde warmte. Het hof overwoog daartoe dat alhoewel in de Warmtewet in de periode 2014-2019 weliswaar geen expliciet verbod op het toepassen van correctiefactoren is opgenomen, uit (de systematiek van) de Warmtewet volgt dat het gebruik van correctiefactoren niet was toegestaan.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad heeft het arrest van het hof als gezegd vernietigd. De Hoge Raad oordeelt dat de Warmtewet het gebruik van correctiefactoren niet uitsluit en geen bepaling bevat die uitdrukkelijk verbiedt om de kosten voor levering van warmte (als bedoeld in de artikelen 8 en 8a Warmtewet) te corrigeren voor bijvoorbeeld de ligging van de woning in een complex van woningen of voor de warmteafgifte die plaatsvindt via transportleidingen. Om tot een inzichtelijke kostenverdeelsystematiek (ex artikel 8a lid 2 Warmtewet) te komen, waarbij de werkelijke warmtelevering aan de individuele verbruiker zo nauwkeurig mogelijk wordt benaderd, is het volgens de Hoge Raad toegestaan dat correctiefactoren worden toegepast.

Dit standpunt van de Hoge Raad is in onze ogen niet meer dan logisch. Door het gebruik van correctiefactoren toe te staan, kan het verbruik door de afnemer zo nauwkeurig mogelijk worden berekend en dat past in de systematiek van de Warmtewet. De Hoge Raad overweegt op dit punt in rov. 3.5 dat deze uitleg van de Warmtewet 'strookt met het standpunt dat de betrokken minister en Aedes vanaf een tijdstip kort na de inwerkingtreding van de Warmtewet 2014 steeds hebben ingenomen, te weten dat het gebruik van correctiefactoren onder het regime van de Warmtewet 2014 zou moeten worden toegestaan […],welk standpunt heeft geleid tot de invoering van art. 8a lid 5 Warmtewet.'

Verjaring

De vraag die zich opdringt na dit arrest van de Hoge Raad is of Elan de huurder nog kan aanspreken tot betaling van de verschuldigde bedragen over de periode na 31 mei 2016 waarin Elan (voor zover wij op basis van het arrest kunnen opmaken) geen correctiefactoren heeft toegepast bij de berekening van kosten voor warmtelevering.

Bij een warmteleveringsovereenkomst met een consument is de gebruikelijke verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 3:307 BW) beperkt tot twee jaar (artikel 7:28 BW). Op grond van artikel 196 lid 2 Overgangswet NBW geldt deze beperking van de verjaringstermijn van twee jaar niet voor overeenkomsten tot levering van warmte die zijn gesloten vóór 1 januari 2014.

Het bovenstaande betekent dat Elan de bedragen over de periode na 31 mei 2016 (mocht zij dat willen) alleen alsnog in rekening zou kunnen brengen aan de huurder, als de warmteleveringsovereenkomst tussen Elan en de huurder is gesloten voor 1 januari 2014.

Afsluitende opmerkingen

De Warmtewet is sinds 1 juli 2019 niet meer van toepassing op de levering van warmte door een verhuurder die warmte levert aan een verbruiker ten behoeve van de door hem aan de verbruiker verhuurde woon- of bedrijfsruimte (artikel 1a lid 1 Warmtewet). Alle kosten voor de levering van warmte worden tegenwoordig over de band van het huurrecht via de servicekosten in rekening gebracht aan de huurder. Echter, op grond van artikel 1a lid 2 Warmtewet zijn de bepalingen omtrent meting van warmte (artikelen 8 lid 2, 8a lid 1 en lid 2) onverminderd van toepassing, ook in de situatie van verhuur. Dit arrest is daarom een belangrijke verduidelijking voor situaties van verhuur over de periode voor 1 juli 2019, toen het toepassen van correctiefactoren expliciet is toegestaan in artikel 8a lid 5 Warmtewet.

Voetnoten

[1] ECLI:NLHR:2021:373
[2] ECLI:GHAMS:2019:3348

Artikel delen