Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Toepassing Europeesrechtelijke voorzorgsbeginsel bij lelieteelt leidt tot gebruiksverbod van reeds toegelaten gewasbeschermingsmiddel

23 mei 2024

Samenvatting

Samenvatting

De voorzieningenrechter van de civiele kamer van de Rechtbank Limburg oordeelt in de uitspraak van 8 mei 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:2330) dat het gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen in bepaalde gevallen en onder bepaalde omstandigheden op grond van het Europeesrechtelijke voorzorgsbeginsel alsnog kan worden verboden of beperkt. Een grote groep omwonenden had vanwege de vrees voor ernstige gezondheidsschade een kort geding aangespannen tegen het voorgenomen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor het telen van lelies op een nabijgelegen akker. De voorzieningenrechter wijst het gevorderde gebruiksverbod in dit geval toe, omdat haar de kans op gezondheidsschade vanwege de intensiteit van het voorgenomen gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen aannemelijk voorkomt.

De voorzieningenrechter stelt aan de ene kant vast dat (1) de middelen door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (“Ctgb”) zijn getest en goedgekeurd voor gebruik bij de teelt van voedselgewassen, (ii) de daarin verwerkte stoffen door de European Food Safety Authority (“EFSA”) zijn goedgekeurd en (iii) de teler zich jegens de omwonenden bereid heeft verklaard extra veiligheidsmaatregelen te willen treffen, zoals het aanleggen van een met vanggewas aan te planten bufferzone van 50 meter en het gebruik van een spuitmachine met driftreductie.

De voorzieningenrechter constateert aan de andere kant dat de omwonenden het gevorderde verbod baseren op het Europeesrechtelijke voorzorgsbeginsel en zich daarbij op het standpunt stellen dat dat dit beginsel niet beperkt moet worden tot de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen, maar ook in de weg kan staan aan het gebruik ervan in de buurt van woningen. De voorzieningenrechter overweegt dat het voorzorgsbeginsel is vastgelegd in diverse Europese verordeningen (vgl. onder andere de art. 4 en 7 Verordening EG 178/2002 en art. 1, vierde lid, Verordening EG 1107/2009) en, toegepast op gewasbeschermingsmiddelen, inhoudt dat die niet op de markt mogen worden toegelaten en gebruikt als ze een schadelijk effect hebben op de gezondheid van de mens.

Uit Europeesrechtelijke rechtspraak - vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 oktober 2019 ECLI:EU:C:2019:800 (Blaise) en het Gerecht van 1e Aanleg van de Europese Unie van 17 mei 2018 ECLI:EU:T:2018:280 (Bayer) - blijkt dat het voorzorgsbeginsel niet alleen bij de toelatingsprocedure wordt gehanteerd, maar ook kan worden gebruikt voor beperkende maatregelen door de overheid als er – kort samengevat – nog geen bewijs bestaat over de omvang en het bestaan van risico’s voor de volksgezondheid, maar reële schade wel aannemelijk is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook in kort geding ruimte bestaat om op grond van het voorzorgsbeginsel het gebruik van al toegelaten gewasbeschermingsmiddelen in bepaalde gevallen en onder bepaalde omstandigheden te verbieden of te beperken (vgl. het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juli 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6083): het moet namelijk mogelijk zijn om snel maatregelen te nemen wanneer een gegronde vrees bestaat dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in bepaalde omstandigheden het risico oplevert van ernstige gezondheidsschade bij mensen; procedures bij nationale of Europese autoriteiten kunnen binnen die context niet worden afgewacht.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben de omwonenden voldoende aannemelijk gemaakt dat de in de Europese toelatingsprocedure voorgeschreven testen en analyses niet voldoende geschikt zijn om een goed beeld te geven van mogelijke schadelijke gevolgen van blootstelling voor het zenuwstelsel en de hersenen op de langere termijn. Ook wordt bij de testen geen onderzoek gedaan naar ontwikkelingsstoornissen van kinderen en ongeboren kinderen. Het is de voorzieningenrechter ook bekend dat het Ctgbn, de EFSA, de Gezondheidsraad en het RIVM pleiten voor het doen van meer onderzoek naar de risico’s van blootstelling van chemische stoffen (waaronder gewasbeschermingsmiddelen) en neurodegeneratieve ziektes.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het feit dat de gewasbeschermingsmiddelen zijn toegelaten door de EFSA en het Ctgb dan ook onvoldoende om aan te nemen dat er geen risico op neurodegeneratieve ziektes voor omwonenden of ontwikkelingsstoornissen bij hun kinderen bestaat. Het standpunt van de teler dat de middelen zijn toegelaten en dus veilig zijn, gaat daarmee volgens de voorzieningenrechter niet op. Wanneer redenen bestaan om het voorzorgbeginsel toe te passen dan betekent dit nog niet dat ieder risico op gezondheidsschade bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet worden uitgesloten: bij het ontbreken van wetenschappelijke zekerheid over schadelijke gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dient een belangenafweging te worden gemaakt bij het nemen van voorlopige maatregelen die niet verder mogelijk gaan dan noodzakelijk (vgl. art. 7 Verordening 178/2002).

Wetenschappelijke onzekerheid bestaat in dit geval vanwege onduidelijkheid over welk middel, in welke hoeveelheid, onder welke omstandigheden, welk percentage aan risico op welke ziekte oplevert. Op basis van een belangenafweging wijst de voorzieningenrechter het op grond van het voorzorgsbeginsel gevorderde verbod toe.

Artikel delen